Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1753

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
AWB 09-2297 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door weigeren huisbezoek is recht op uitkering niet vast te stellen. Alsnog afgelegd huisbezoek tijdens bezwaarprocedure brengt daarin geen verandering, gelet op de aangetroffen situatie en eisers verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2297 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. B. Leenders,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.R. Bisoen en [gemachtigde 2].

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2009 is (opnieuw) eisers uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) opgeschort, omdat hij geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan een huisbezoek.

Bij besluit van 9 februari 2009 is de uitkering van eiser met ingang van 5 december 2008 beëindigd, omdat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de WWB. Hierdoor heeft hij niet kunnen aantonen dat hij zijn hoofdverblijf op het adres [adres] heeft, zodat het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

Bij besluit van 24 april 2009 zijn eisers bezwaren tegen genoemde besluiten gevoegd behandeld. Het bezwaar gericht tegen het besluit van 2 februari 2009 is ongegrond verklaard. Het bezwaar gericht tegen het besluit van 9 februari 2009 is gegrond verklaard, voor zover het gericht was tegen de datum van intrekking van de uitkering. De intrekkingsdatum is bij het bestreden besluit bepaald op 2 februari 2009.

Eiser heeft op 26 mei 2009 tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 3 juli 2009 heeft eiser een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 6 augustus 2009 (AWB 09/2975 WWB) is het verzoek toegewezen.

De rechtbank heeft het beroep ter zitting behandeld op 27 augustus 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. Willering.

2. Overwegingen

2.1 Standpunten van partijen

2.1.1 Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of verweerder op 24 april 2009 gerechtigd was de uitkering van eiser met ingang van 12 februari 2009 te beëindigen.

2.1.2 Verweerder is tot intrekking van eisers uitkering overgegaan omdat volgens verweerder - in navolging van het advies van verweerder commissie voor de bezwaarschriften – vanaf 2 februari 2009 de woonsituatie en daarmee het recht op bijstand van eiser niet meer is vast te stellen. Met de gegevens die zijn verkregen uit het onderzoek van de vakafdeling Werk en Inkomen van verweerders gemeente is niet langer aangetoond of aannemelijk gemaakt waar eiser woonachtig is. Om die reden kan het recht op bijstand niet worden beoordeeld.

2.1.3 Eiser heeft daartegenover gesteld dat hij, zoals eerder bij controles is vastgesteld, wel bij zijn moeder op het door hem opgegeven adres woont. Bovendien is er in zijn situatie niets veranderd, zodat verweerder zich nu niet op het standpunt kan stellen dat eiser geen recht heeft op uitkering.

2.2 Wettelijk kader

2.2.1 In artikel 11, eerste lid, van de WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen

beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand

van overheidswege.

2.2.2 Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

2.2.3 Ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken

indien, voor zover van belang, het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.3 Beoordeling

2.3.1 Verweerder heeft zich gebaseerd op het volgende.

In het kader van een breed onderzoek heeft verweerder eiser gevraagd om kopieën van zijn bankafschriften over de periode van 1 mei 2008 tot 31 juli 2008. Verweerder heeft op grond van de afschriften die eiser heeft getoond geconcludeerd dat eiser geen (pin)transacties in Amstelveen heeft uitgevoerd. Daarnaast heeft eiser in deze periode maandelijks een internetaansluiting op een ander adres dan het zijne, betaald. Ook blijkt niet dat eiser woonlasten betaalt aan zijn moeder. Verweerder heeft om die reden bankafschriften over de maanden augustus 2008 en de maanden september tot en met december van 2007 opgevraagd en ingezien. Daardoor is volgens verweerder de twijfel over zijn woonsituatie niet weggenomen. Eiser heeft vervolgens op 2 februari 2009 geweigerd om mee te werken aan een huisbezoek. Daarom heeft verweerder bij besluit van 9 februari 2009 eisers uitkering m.i.v. 5 december 2009 ingetrokken. Tijdens de behandeling van eisers bezwaarschrift en het door eiser aanhangig gemaakte verzoek om voorlopige voorzieningen zijn eiser en verweerder overeengekomen alsnog een huisbezoek te doen.

Tijdens het aangekondigde huisbezoek op 25 maart 2009 heeft verweerder geconstateerd dat eisers administratie in een plastic zak zat. Er waren geen foto’s of eventuele hobbyartikelen van eiser aanwezig. In een kledingkast in de slaapkamer van zijn moeder bevonden zich drie broeken van eiser, 2 truien en 4 à 5 overhemden. In een kast in de badkamer lagen 3 onderbroeken en 4 paar sokken van eiser. Eisers medicijnen zaten in een plastic zak. In de badkamer stond deodorant en scheerschuim, en er lag een scheerapparaat in een plastic zak. In de woning was geen oplader voor eisers telefoon.

Eiser heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat hij de afgelopen maand ongeveer 12 nachten op het adres [adres] heeft geslapen. Als hij op adres [adres] sliep, lag hij op de bank in de woonkamer. De andere nachten verbleef hij bij zijn zoon of dochter in [woonplaats]. Voor het feit dat er geen oplader voor zijn telefoon in de woning aanwezig was heeft eiser desgevraagd geen verklaring gegeven. Verweerder heeft uit het feit dat eisers persoonlijke spullen zich in plastic tassen bevonden, er geen andere persoonlijke spullen in de woning aanwezig waren, een oplader voor zijn telefoon ontbrak, en het gegeven dat de aangetroffen kleding en toiletartikelen overeenkwamen met de beschrijving zoals eiser die al op 2 februari had gegeven, in combinatie met eisers verklaring, geconcludeerd dat aannemelijk was dat eiser geen hoofdverblijf had op het adres [adres]. Om die reden heeft verweerder het recht op uitkering van eiser niet kunnen vaststellen.

2.3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden eisers uitkering ingevolge de WWB ingetrokken met ingang van 2 februari 2009, omdat vanaf die datum eisers recht op uitkering niet is vast te stellen. Daartoe overweegt de rechtbank dat, anders dan eiser meent, uit het onderzoek naar eisers bankafschriften voldoende twijfel was gerezen over zijn hoofdverblijfplaats en daarom een redelijke grond bestond om tot een huisbezoek over te gaan. Uit de weigering van eiser op 2 februari 2009 om aan dat huisbezoek mee te werken, heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat het recht op uitkering met ingang van 2 februari niet langer was vast te stellen. Niet is gebleken dat eiser te weinig tijd had om zich over dat huisbezoek te beraden en daardoor op het verkeerde been was komen te staan.

2.3.3. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank uit de aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek op 25 maart 2009, en de verklaring die eiser toen heeft afgelegd, mogen concluderen dat eiser zijn hoofdverblijf niet had aan de [adres] , zodat het recht op uitkering nog steeds niet was vast te stellen. Eerst ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij in de maand maart 2009 veel bij zijn dochter heeft verbleven, omdat zij moest bevallen. Nu eiser deze uitleg niet heeft gegeven tijdens het huisbezoek toen zijn aanwezigheid in de woning ter sprake kwam, en eiser daarnaast in het beroepschrift heeft vermeld dat hij regelmatig bij zijn kinderen verblijft, gaat de rechtbank er niet vanuit dat de situatie in de maand maart 2009 tijdelijk en buitengewoon was.

2.3.4. Gezien het voorgaande is eisers beroep ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten en betaling van het griffierecht.

3. Beslissing

De rechter:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E. M. de Buur, griffier, en uitgesproken op 8 oktober 2009.

de griffier is buiten staat te tekenen. de rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B