Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1735

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
AWB 07-1546 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijkse tijdvakken AOW. De in rechte vaststaande verzekerde tijdvakken van de echtgenoot kunnen aan eiseres niet tegengeworpen worden, maar mogen wel als basis voor onderzoek dienen. Eiseres heeft recht op een individuele en zelfstandige beoordeling van haar recht op een AOW-pensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/1546 AOW

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te Spanje

eiseres,

gemachtigde mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,

en

De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Zuidersma.

1. Procesverloop

Verweerder heeft eiseres bij besluit van 23 juni 2006 meegedeeld dat zij met ingang van september 2006 op grond van huwelijkse tijdvakken in aanmerking komt voor een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ter hoogte van 40% van het volledige AOW-pensioen.

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2008. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P.C.A. Buskens.

Na de zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend, omdat is gebleken dat hervatting van het vooronderzoek noodzakelijk is om verweerder en eiseres in de gelegenheid te stellen nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden. Bij brieven van 8 augustus 2009 en 26 februari 2009 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord. Ondanks het verzoek van de rechtbank daartoe, heeft eiseres niet op de beantwoording van de vragen gereageerd. Evenmin heeft zij de aan haar gestelde vragen beantwoord.

De rechtbank heeft vervolgens het vooronderzoek gesloten en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 september 2009. Op de zitting hebben eiseres en verweerder zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht aan eiseres een AOW-pensioen van niet meer dan 40% van het maximale pensioen heeft toegekend.

2.2. Eiseres heeft de Spaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1941. Op [geboortedatum] 2006 heeft zij de 65-jarige leeftijd bereikt. Zij is in 1962 gehuwd met [naam 1] (hierna: [naam 1]), die ook de Spaanse nationaliteit heeft. [naam 1] is geboren op [geboortedatum] 1932 en is inmiddels overleden. Bij besluit van 25 juni 1997 heeft verweerder aan [naam 1] vanaf juli 1997 een AOW-pensioen (ter hoogte van 48% van het volledige AOW-pensioen) met een toeslag (ter hoogte van 50% van de volledige toeslag) toegekend. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft verweerder het pensioen herzien en hem vanaf september 2006 een AOW-pensioen (ter hoogte van 56% van het volledige AOW-pensioen) toegekend.

2.3. De AOW is een volksverzekering met een opbouwstelsel. Een verzekerde bouwt in de periode van de 15- tot de 65-jarige leeftijd 2% pensioen per jaar op. Op het bedrag van het volledige pensioen wordt een korting toegepast van 2% voor elk jaar dat de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Dit kortingssysteem wordt ook toegepast bij de berekening van de hoogte van de toeslag.

2.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de AOW degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

2.5. Niet in geschil is dat eiseres niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW op grond van nationale bepalingen, aangezien ze nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt.

2.6. Uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie kan ook gelijkstelling voortvloeien van niet verzekerde tijdvakken met verzekerde tijdvakken ingevolge de AOW.

2.7. Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederland en de Spaanse Staat inzake sociale zekerheid van 17 december 1962 (Trb. 1963, 69, hierna: het Verdrag) en de Verordening (EEG) 1408/71 (hierna: de Verordening) maken mogelijk dat onder bepaalde voorwaarden huwelijkse tijdvakken worden toegekend. Huwelijkse tijdvakken zijn tijdvakken tussen de 15e en 65e verjaardag van de huwelijkspartner waarin de andere huwelijkspartner gedurende het huwelijk verzekerd is geweest ingevolge de AOW.

2.8. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft verweerder op grond van artikel 20, tweede lid, van het Verdrag de periodes van 28 augustus 1966 tot en met 16 januari 1970 en van 28 januari 1973 tot en met 30 november 1974 als huwelijkse tijdvakken aangenomen. Daarnaast heeft verweerder op grond van artikel 2 sub b van Bijlage VI bij de Verordening de periodes van 1 december 1974 tot en met 6 oktober 1976, 26 oktober 1976 tot en met 15 april 1977, 4 juli 1977 tot en met 31 januari 1983 en 1 augustus 1983 tot en met 1 augustus 1989 als huwelijkse tijdvakken aangenomen. Gelet op deze tijdvakken heeft verweerder vastgesteld dat eiseres gedurende 30 jaar niet verzekerd is geweest en op haar AOW-pensioen een korting toegepast van 60% van een volledig AOW-pensioen. Dit besluit heeft verweerder in bezwaar gehandhaafd.

2.9. De in dit geschil door verweerder vastgestelde voornoemde huwelijkse tijdvakken zijn gebaseerd op reeds in een andere procedure over de AOW-rechten van [naam 1] door verweerder vastgestelde periodes. Daarin heeft verweerder vastgesteld dat [naam 1] op grond van in Nederland verrichte arbeid als verzekerd kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee geen onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd.

2.10. Anders dan eiseres betoogt, is er voor [naam 1] geen verzekering ontstaan op grond van ingezetenschap. Ingevolge artikel 2 van de AOW wordt als ‘ingezetene' beschouwd: degene die in Nederland woont. De vraag waar iemand woont wordt, ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 8 juli 2004, LJN: AQ2379) is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van betrokkene in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen dat de betrokken persoon zijn of haar woonplaats in Nederland heeft.

2.11. De juridische, economische en sociale omstandigheden van [naam 1] in onderlinge samenhang bezien, brengen naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven op de peildata in Nederland lag. Gedurende de gehele periode dat [naam 1] in Nederland werkzaam is geweest, verbleef zijn gezin in Spanje. Tevens is gebleken dat [naam 1] heeft verklaard geen zelfstandige woonruimte in Nederland te hebben gehad. Een (sterke) sociale binding kan gelet hierop niet aangenomen worden. Eiseres heeft verder ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die blijk geven van een sterke economische en/of juridische binding van [naam 1] met Nederland die leiden tot ingezetenschap van [naam 1].

2.12. Gelet op het vorenstaande resteert de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat [naam 1] in de volgende periodes geen verzekerde tijdvakken heeft opgebouwd wegens in Nederland aan de loon belasting onderworpen verrichte arbeid:

1. De periode 15 september 1964 tot en met 27 augustus 1966

2. De periode 17 januari 1970 tot en met 27 januari 1973

3. De periode 7 oktober 1976 tot en met 25 oktober 1976

4. De periode 16 april 1977 tot en met 3 juli 1977

5. De periode van 1 februari 1983 tot en met 31 juli 1983

2.13. De rechtbank is van oordeel dat bij de vaststelling van de verzekerde tijdvakken verweerder het onderzoek dat eerder naar de verzekerde tijdvakken van [naam 1] is verricht als uitgangspunt mag nemen. Dit ontslaat verweerder evenwel niet van zijn onderzoeksplicht naar niet alleen de relevante feiten en omstandigheden die door eiseres naar voren zijn gebracht, maar ook de voor eiseres van belang zijnde feiten en omstandigheden. Eiseres heeft immers recht op een individuele en zelfstandige beoordeling van haar recht op AOW-pensioen. Overigens heeft verweerder in zijn schriftelijke reactie medegedeeld dat hij met de verwijzing naar de vaststelling inzake [naam 1] uitdrukkelijk niet heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 4:6 van de Awb.

2.14. Ten aanzien van de laatste drie periodes overweegt de rechtbank dat haar niet is gebleken dat verweerder deze onverzekerde tijdvakken onjuist heeft vastgesteld. Eiseres heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die aanleiding geven voor een ander oordeel hieromtrent.

2.15. Ten aanzien van de eerste twee periodes overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft in bezwaar en beroep aangevoerd dat [naam 1] al op [datum] naar Nederland was gekomen en tot [datum] 1966 bij Bruynzeel heeft gewerkt. Vervolgens heeft [naam 1] van [datum] 1966 tot [datum] 1972 bij de Hoogovens gewerkt. In die tijd heeft [naam 1] eerst in Zaandam en vervolgens in IJmuiden gewoond. In beroep heeft eiseres ter bevestiging van het verblijf van [naam 1] in Nederland in die periode een verklaring van het Spaanse Consulaat in Amsterdam overgelegd, waaruit blijkt dat [naam 1] vanaf [datum] 1964 hier te lande verbleef. Daarnaast heeft eiseres een werkvergunning voor het werk bij de Hoogovens overgelegd, waarin is vermeld dat deze vergunning geldig is van 1 oktober 1969 tot en met 30 september 1970.

2.16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in 1997, na een uitgebreid onderzoek, een nauwkeurige vaststelling tot stand is gekomen van de verzekerde tijdvakken van [naam 1]. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat hij, volgens het bevolkingsregister van zowel Amsterdam als Velzen, op [datum] 1966 is ingeschreven in de Nederlandse bevolkingsregisters. Op verzoek van eiseres heeft verweerder op 16 januari 2007 de gemeenten Zaanstad en Velzen gevraagd of [naam 1] ingeschreven heeft gestaan in de bevolkingsregisters van Zaandam en IJmuiden. Daarbij heeft verweerder tevens verzocht de archiefregisters te raadplegen. Het antwoord van de gemeenten wijkt niet af van de eerder door verweerder via het bevolkingsregister van Amsterdam verkregen informatie. Hij is onbekend in Zaanstad. De gemeente Velzen heeft aangegeven dat [naam 1] van september 1966 tot [datum] 1970 ingeschreven heeft gestaan. Verweerder heeft voorts gesteld dat de inschrijving van [naam 1] bij het Spaanse Consulaat in Amsterdam op 15 september 1964 onvoldoende bewijs oplevert om op grond daarvan werktijdvakken vanaf die datum aan te nemen. De inschrijving hoeft niet te hebben plaatsgevonden met het oog op werk in Nederland. Over werkzaamheden bij de Hoogovens heeft verweerder geen gegevens kunnen achterhalen. Volgens navraag van verweerder is [naam 1] daar niet bekend.

2.17. De rechtbank overweegt dat eiseres reeds in bezwaar heeft aangegeven dat [naam 1] bij Bruynzeel heeft gewerkt. Verweerder heeft hiernaar geen (verder) onderzoek gedaan; evenmin als naar aanleiding van de door eiseres overgelegde werkvergunning voor werk bij de Hoogovens. Met het oog op de door eiseres verstrekte informatie had het op de weg van verweerder gelegen nader onderzoek te doen, door bijvoorbeeld raadpleging van het register van de loonbelastingkaarten.

2.18. Nu verweerder geen (nader) onderzoek naar de werkzaamheden van [naam 1] voor Bruynzeel en de Hoogovens heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen. De rechtbank zal om die reden het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen.

2.19. Het bestaan van en de omvang van schade ter zake van de gederfde wettelijke rente kan onder deze omstandigheden nog niet worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het daarom in de rede dat verweerder bij zijn nadere besluit tevens een beslissing neemt over de vraag of en, zo ja, in hoeverre aan eiseres schadevergoeding toekomt.

2.20. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

2.21. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres met betrekking tot de beroepsprocedure, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 805,- (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor de zittingen) als kosten van verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op € 805,- (achthonderd en viif euro), te betalen door verweerder aan eiseres.

- bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 39,- (negenendertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mrs. J.H.M. van de Ven en N.M. Waterschoot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B