Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1130

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
13-410148-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de man die in februari van dit jaar bij een basisschool in Weesp een briefje met de de tekst “Wordt deze school erger dan Dendermonde?” in de brievenbus heeft gedaan, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/410148-09

Datum uitspraak: 23 oktober 2009

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier, mr. R.A. Bosman, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. S. Bharatsingh en door de verdachte, naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2009 tot en met 9 februari 2009 te Weesp (medewerkers en/of leerlingen van) basisschool de Terp te Weesp heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brief bezorgd bij die school met daarin de volgende tekst: "Wordt deze school erger dan Dendermonde?", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Gevoerde verweren

De raadsman heeft primair aangevoerd dat het tenlastegelegde feit geen strafbaar feit oplevert en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft gebruik gemaakt van zijn vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en, zo stelt de raadsman, verdachte had niet de bedoeling om iemand te bedreigen. Subsidiair stelt de raadsman dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, wegens het ontbreken van opzet bij verdachte om vrees aan te jagen.

3.2. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze verweren als volgt:

De rechtbank is van oordeel dat de tekst “Wordt deze school erger dan Dendermonde?” van dien aard is en het kenbaar maken daarvan onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij degenen die daarvan kennis konden nemen, de medewerkers en/of leerlingen van de basisschool de Terp, redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Met name het in de tekst gebruikte woord “erger” rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank deze vrees. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat kort voor het handelen van verdachte de dramatische gebeurtenissen op de school in Dendermonde hadden plaatsgevonden, welke gebeurtenissen ook in Nederland veel onrust hebben veroorzaakt en dat deze onrust in Weesp bovendien vergroot is door het feit dat daar, eveneens in de periode van het handelen van verdachte, andere als bedreigend ervaren incidenten plaatsvonden. Door het briefje met voornoemde tekst bij deze school en onder de genoemde omstandigheden in de brievenbus te doen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de naar algemene ervaringsregels niet als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat de (medewerkers en/of leerlingen van deze) school deze tekst als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling zou(den) ervaren, op de koop toegenomen.

Zo verdachte al gebruik heeft willen maken van zijn recht op vrijheid van meningsuiting, dan betekent dit enkele gegeven naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij deswege niet kan worden vervolgd aangezien zijn gedraging een strafbaar feit oplevert, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 8 februari 2009 tot en met 9 februari 2009 te Weesp (medewerkers en/of leerlingen van) basisschool de Terp te Weesp heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brief bezorgd bij die school met daarin de volgende tekst: "Wordt deze school erger dan Dendermonde?"

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest, met bijzondere voorwaarde dat verdachte een behandeling zal ondergaan, conform het advies van de deskundigen. Tevens vordert zij verbeurdverklaring van het in beslaggenomen briefje.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank weegt ten voordele van verdachte mee dat hij blijkens een Uittreksel Justitieel Documentatieregister van 13 februari 2009 niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het rapport van de psychiater T.J. Holwerda van 25 juni 2009 betreffende verdachte. De psychiater concludeert dat er in de periode voor, ten tijde van en na de periode van 8 februari 2009 tot en met 9 februari 2009, sprake was van een psychiatrische stoornis, namelijk schizofrenie van het paranoïde type en dat mogelijk ook sprake was van een amnestische stoornis en een al langer bestaande angststoornis. Verdachte dient te worden beschouwd als verminderd toerekeningsvatbaar. Als verdachte geen behandeling krijgt voor zijn stoornis wordt het recidivegevaar verhoogd ingeschat. Een psychiatrische behandeling wordt noodzakelijk geacht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het rapport van de psycholoog R.A. Sterk van 29 juni 2009 betreffende verdachte. De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een waanstoornis en beperkte intellectuele capaciteiten. De psycholoog concludeert dat het waarschijnlijk is dat verdachte hierdoor beïnvloed is ten tijde van de tenlastegelegde handelingen. Volgens de psycholoog moet verdachte in staat zijn om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien. Echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek was hij niet goed in staat om zijn wil overeenkomstig bovengenoemd inzicht in vrijheid te kunnen bepalen. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De kans op herhaling wordt als verhoogd ingeschat en een behandeling wordt geïndiceerd geacht.

Tenslotte heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de reclassering betreffende verdachte van 26 juni 2009. In dit rapport wordt het recidiverisico als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om verdachte te laten behandelen bij Symfora en contact te laten onderhouden met een SPV-er.

Overweging met betrekking tot de strafmodaliteit:

Zoals hierboven vermeld heeft de rechtbank kennis genomen van de over verdachte opgemaakte rapportages, waarin wordt geadviseerd verdachte een behandeling te laten ondergaan teneinde het recidiverisico te verlagen.

De conclusies van de psychiater en de psycholoog, dat het recidiverisico als verhoogd dient te worden ingeschat indien verdachte niet wordt behandeld, worden gelogenstraft door de kennelijk omstandigheid dat verdachte, ondanks de door de deskundigen bij hem vastgestelde -al langer bestaande- stoornis(sen), niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen en zich kennelijk al jarenlang in onze samenleving staande heeft weten te houden zonder het plegen van strafbare feiten.

Verdachte heeft tegenover de deskundigen en tijdens de behandeling ter terechtzitting verklaard geen behandeling te wensen. Bij de behandeling ter terechtzitting heeft verdachte bovendien verklaard dat hij zichzelf een manier heeft aangeleerd om met zijn angsten om te gaan. Hij krijgt hierbij hulp van zijn partner.

De rechtbank acht, gelet op de houding van verdachte ter terechtzitting, aannemelijk dat verdachte erg onder de indruk is van de gevolgen van zijn handeling, hetgeen maakt dat de rechtbank, met de reclassering, het recidivegevaar als laag inschat.

De door de officier van justitie gevorderde en door de deskundigen geadviseerde maatregel vormt, afgewogen tegen de omvang van het recidivegevaar, een te zwaar middel. Tevens dient een behandeling onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk strafdoel. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank voor de oplegging van een behandeling geen aanleiding ziet.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de hierna te melden straf passend en geboden.

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een poststuk, notitie briefje met tekst (7234), dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dat voorwerp het bewezen geachte is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd: 1 poststuk, kleur wit, (7234) notitiebriefje met tekst.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. F.M.S. Requisizione en B.M. Visser rechters,

in tegenwoordigheid van J.O. van Saase-Zaagman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2009.