Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1053

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
AWB 09-3638 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Twijfel of onvoorwaardelijk strafontslag gevangenbewaarder, gelet op feiten, evenredig is. Voorts onvoldoende concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat verzoekster ongeschikt is voor haar functie. Schorsing ontslagbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/3638 AW

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.G.J. van Ommeren,

en

de Minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Horst.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 6 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 september 2009. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [persoon 1], manager primaire uitvoering bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster is sinds 2004 werkzaam als gevangenbewaarder bij de DJI. Op

16 januari 2008 heeft verweerder verzoekster overgeplaatst van het detentiecentrum Schiphol naar het detentiecentrum Zaandam.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Subsidiair heeft verweerder verzoekster ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de functie, anders dan wegens arbeidsongeschiktheid.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, omdat:

- verzoekster op 24 april 2009 de handtekening van haar directe collega mevrouw [persoon 2] heeft vervalst, terwijl zij wist of had behoren te weten dat dit niet is toegestaan;

- verzoekster ook een tweede keer heeft meegewerkt aan het plaatsen van een valse handtekening op een intakeformulier;

- verzoekster ten aanzien van de twee valse handtekeningen een gebrekkig inzicht heeft getoond in de ernst van haar gedragingen en geen enkel besef getoond van de onjuistheid van haar handelen.

Aan het ontslag wegens functieongeschiktheid ligt onder meer ten grondslag dat

- tijdens werktijd op 7 januari 2008 een computerspelletje op de dienstcomputer van verzoekster openstond;

- verzoekster - nadat haar bekend was gemaakt dat zij niet geschikt bleek voor de IBT opleiding - op niet mis te verstane wijze schriftelijk haar ongenoegen hierover heeft geuit aan het adres van de instructeur, en

- de verzuimcontroleur op 4 december 2008 heeft geconstateerd dat verzoekster niet thuis was.

2.3 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

2.4 Voor wat betreft het strafontslag overweegt de rechter het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoekster samen met 2 collega’s een gedetineerde heeft overgeplaatst naar een andere afdeling. Deze overplaatsing is correct verlopen, zij het dat verzoekster na vertrek van de collega’s ontdekte dat verzuimd was het mutatieformulier op te stellen en te ondertekenen. Verzoekster heeft dat gedaan en daarbij de paraaf gezet van een van de bij de overplaatsing betrokken collega’s. De volgende werkdag heeft verzoekster dit op het werk besproken, en hebben verzoekster en de andere bij de overplaatsing betrokken collega een nieuw mutatieformulier ondertekend. Naar voorlopig oordeel van de rechter past de kwalificatie “vervalsing” van een handtekening niet bij een dergelijk incident, te meer waar het een intern formulier betrof. Weliswaar heeft verzoekster onjuist gehandeld door de paraaf van haar collega onder het formulier te zetten, doch zij heeft dit uit eigen beweging terstond getracht te herstellen. Voorzover al sprake is van plichtsverzuim is dit - eenmalige - incident naar voorlopig oordeel onvoldoende voor een onvoorwaardelijk strafontslag.

Naar verwachting zal het bestreden besluit in zoverre in bezwaar geen stand kunnen houden. De rechter ziet dan ook aanleiding het bestreden besluit in zoverre te schorsen.

2.5 Voor wat betreft het ongeschiktheidsontslag overweegt de rechter het volgende. De rechter stelt voorop dat naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de ongeschiktheid, zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn, moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar en dat daarbij tevens van belang is of betrokkene tijdig met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en de mogelijkheid en tijd heeft gehad zich te verbeteren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 april 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BD0977).

2.6 Op 7 januari 2008 constateerde de toenmalige teamleider van verzoekster dat op haar dienstcomputer een computerspelletje openstond. De teamleider droeg verzoekster vervolgens op om hiervan een melding te maken, waarna verzoekster dit heeft geweigerd. Volgens verweerder heeft verzoekster zich nadien zeer onbehoorlijk en gezagsondermijnend uitgelaten. Naar aanleiding van dit incident heeft verweerder verzoekster overgeplaatst van het detentiecentrum Schiphol naar het detentiecentrum Zaandam.

Naar voorlopig oordeel van de rechter is het incident rondom het computerspelletje niet van dien aard dat daaruit de ongeschiktheid voor de functie kan worden afgeleid. Voorts blijkt uit het nadien opgemaakte verslag niet dat verzoekster zich bij die gelegenheid gezagsondermijnend en zeer onbehoorlijk heeft uitgelaten, zoals is vermeld in het bestreden besluit. Naar voorlopig oordeel is dit incident onvoldoende voor een ongeschiktheidsontslag.

2.7 Aan het ongeschiktheidsontslag heeft verweerder verder de brief van ongenoegen van 3 maart 2008 ten grondslag gelegd. Naar voorlopig oordeel van de rechter blijkt uit deze brief niet welke concrete gedraging(en) verzoekster verweten worden, nu deze brief alleen in algemene bewoordingen aangeeft dat de opstelling van verzoekster tegenover haar leidinggevende “niet in goede aarde” valt. De brief verwijst weliswaar naar gemaakte afspraken, maar de brief zelf bevat geen concrete afspraken en heeft daarnaast betrekking op hetzelfde incident als hiervoor genoemd, namelijk het openstaan van een computerspelletje op de dienstcomputer en de overplaatsing die daar het gevolg van is geweest. Ook dit “incident” kan naar voorlopig oordeel geen ongeschiktheidsontslag dragen.

2.8 Verzoekster is op 29 september 2008 gestart met de IBT opleiding. Op 30 september 2008 heeft de instructeur verzoekster kenbaar gemaakt dat zij in zijn optiek niet het gewenste niveau heeft. Hierbij heeft hij haar verzocht om de opleiding te beëindigen en de volgende dag te vertrekken. Direct na de mededeling heeft verzoekster via het evaluatieformulier haar ongenoegen over deze beslissing geuit.

Met verweerder is de rechter voorlopig van oordeel dat de (ongedateerde) brief waarin verzoekster haar ongenoegen kenbaar heeft gemaakt, onbehoorlijk is. De rechter wijst hierbij op door verzoekster gedane uitlatingen als ‘blikkencent van een instructeur’ en ‘Jij komt jezelf nog eens tegen! Je merkt zelf wat in je privé leven gebeurt.’

Naar voorlopig oordeel van de rechter kan evenwel, gelet op hetgeen verzoekster hieromtrent ter zitting aangaf, niet geheel worden uitgesloten dat de instructeur hier mede debet aan is geweest, doordat hij verzoekster al bij het begin van de opleiding, waar verzoekster jaren op had gewacht, niet in de gelegenheid heeft willen stellen de IBT opleiding te vervolgen, zonder daarvoor een duidelijke motivering te geven. Dit neemt niet weg dat de reactie van verzoekster daarop niet correct is. Dit incident is op zichzelf laakbaar, maar, nu het ook buiten de werkkring zelf heeft plaatsgevonden, naar voorlopig oordeel niet voldoende voor het oordeel dat sprake is van ongeschiktheid voor een functie als ambtenaar bij de DJI.

2.9 Ook het niet thuis zijn tijdens de verzuimcontrole op 4 december 2008 kan verzoekster naar voorlopig oordeel van de rechter verweten worden, doch is op zichzelf nog geen concrete gedraging die aannemelijk maakt dat verzoekster ongeschikt is voor de uitoefening van haar functie als gevangenbewaarder.

2.10 Naar voorlopig oordeel van de rechter zijn er in de stukken en gelet op het verhandelde ter zitting onvoldoende concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat verzoekster ongeschikt is voor haar functie. Er is onvoldoende gebleken van gedragingen op grond waarvan moet worden aangenomen dat verzoekster haar eigenlijke functie niet goed uitoefent, zoals onheuse bejegening van collega’s of van aan haar zorg toevertrouwde gedetineerden. De rechter neemt daarbij in aanmerking dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven dat op 23 september 2008 een gesprek met verzoekster heeft plaatsgevonden, waarbij er tevredenheid was over haar functioneren. De rechter vermag dan ook nog niet de juistheid in te zien van de stelling van verweerder dat het functioneren van verzoekster al jaren een doorlopend punt van aandacht en zorg is.

Voorts ontbreken in het dossier verslagen van functioneringsgesprekken en dergelijke waarin verzoekster is geconfronteerd met haar tekortkomingen en de mogelijkheid en tijd heeft gehad zich te verbeteren. Naar voorlopig oordeel is er twijfel mogelijk over de vraag of het bestreden besluit ook voor wat betreft het ongeschiktheidsontslag in bezwaar zal standhouden, zodat de rechter het bestreden besluit ook voor wat betreft het ongeschiktheidsontslag van verzoekster zal schorsen.

2.11 Uit de schorsing van het bestreden besluit vloeit voort dat verzoekster recht heeft op salaris vanaf 6 juli 2009, zodat een verdergaande voorlopige voorziening niet nodig is. Uit de schorsing vloeit verder voort dat verweerder verzoekster in staat dient te stellen haar werkzaamheden weer te verrichten. De rechter gaat ervan uit dat verweerder in onderling overleg met verzoekster haar zo spoedig als mogelijk wederom tewerkstelt, ofwel op haar oude werkplek bij het detentiecentrum Schiphol, ofwel bij het detentiecentrum te Zaandam, ofwel elders.

2.12 Aan deze schorsing wordt geen termijn verbonden. Voor het eventuele vervallen van deze voorlopige voorziening verwijst de rechter naar artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.

2.13 Nu het verzoek zal worden toegewezen ziet de rechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster, begroot op € 644 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Voorts dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder binnen drie (werk)dagen na bekendmaking van het bestreden besluit verzoekster in de gelegenheid stelt haar werkzaamheden te hervatten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster, begroot op € 644 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door verweerder aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het voor het verzoek gestorte griffierecht van € 150 (zegge: honderdenvijftig euro) aan verzoekster vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van der Eijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

11 september 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: C