Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK0990

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
298004 / HA ZA 04-2855
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak (post-whiplash syndroom), bruikbaarheid van uitgebracht deskundigenbericht, aanvullende vragen

De deskundige (neuroloog) heeft de door hem beschreven klachten geduid als ongevalsgevolg en voorts geconcludeerd dat er geen sprake (meer) is van beperkingen. In geschil is of hierin een innerlijke ongerijmdheid schuilt op grond waarvan het deskundigenbericht buiten beschouwing dient te blijven. Het deskundigenbericht heeft in beginsel tot uitgangspunt voor de beoordeling te dienen, nu dit is opgesteld door een door partijen voorgedragen deskundige en aan de hand van door partijen geformuleerde vragen. Hiervan kan slechts worden afgeweken bij zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport.

Het rapport van de deskundige strekt ertoe vanuit een medische expertise informatie te verschaffen ten behoeve van de onderhavige juridische beoordeling. Daartoe moet het rapport voor niet-medisch geschoolden voldoende begrijpelijk zijn, ook ten aanzien van de logische stappen die tussen bevindingen en conclusies worden gemaakt. De klachten, zoals beschreven door de deskundige, laten zich -vanuit het perspectief van een medische leek - lezen als mogelijk relevant belemmerend in het dagelijks leven. De conclusie dat er geen beperkingen zijn behoeft dan ook nadere uitleg, die in het rapport nog onvoldoende zijn gegeven. De enkele verwijzing naar de onderzoeksverrichtingen volstaat in dat verband niet. De neuroloog heeft in reactie op kritiek van eiseres toegelicht dat er geen vaste correlatie bestaat tussen invaliditeit en beperkingen, dat dit als een wat lichter geval wordt aangemerkt en dat hij de omvang van de klachten niet van dien aard acht dat een en ander gepaard zou moeten gaan met relevante functionele beperkingen. Waarom deze conclusies worden getrokken op basis van het beschreven klachtenbeeld, waarbij geen vraagtekens zijn geplaatst, behoeft een nadere toelichting. Vooralsnog is er geen aanleiding voor het oordeel dat er van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport sprake is, maar het is aangewezen dat de deskundige zich over de opgeworpen vraag nader uitlaat.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2010, 28
JA 2010/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 298004 / HA ZA 04-2855

Vonnis van 23 september 2009

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. J.F. Schultz (voorheen mr. M.A.L.M. Willems),

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. F.B. Falkena (voorheen mr. A. Volders).

Partijen zullen hierna [A] en Aegon genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 december 2005

- het deskundigenbericht van 8 juni 2006 van prof.dr. [B], neuroloog (hierna: dr. [B])

- de conclusie na deskundigenbericht van [A] van 1 oktober 2008 met producties 16 tot en met 25

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Aegon van 26 november 2008 met producties 9 tot en met 11

- de akte uitlatingen producties van 4 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Deskundigenbericht dr. [B]

2.1. Dr. [B] heeft in het kader van de aan hem gegeven opdracht onderzoek verricht. Daartoe heeft hij [A] gesproken en medisch onderzocht op 10 maart 2006 en de medische gegevens vanuit de behandelende sector van [A] bestudeerd. In zijn medisch rapport van 8 juni 2006 heeft dr. [B] als volgt geconcludeerd en de aan hem voorgelegde vragen beantwoord.

‘Conclusie en beantwoording van uw vraagstelling:

Een en ander overziende, stel ik dat deze thans 42-jarige vrouw op vrijdag 10 september 1999 een licht schedelhersenletsel opliep alsmede een acceleratietrauma over de cervicale wervelkolom, waarbij zij ondanks fysiotherapie en later ook een behandeling middels osteopathie en voetzoolreflextherapie tot op heden last blijft houden van houdings- en belastingsafhankelijk optredende en dan nog over de schouders en armen uitstralende nekpijnen, aanvalsgewijs optredende hoofdpijnen, duizeligheid oorsuizen links, een abnormaal snel intredende vermoeidheid met concentratiestoornissen alsmede emotionele disregulatie. Genoemde, tot op heden persisterende klachten kunnen mede gezien het bij lichamelijk onderzoek vastgestelde concordante, licht afgeremde, bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom met aspecifieke drukpijn over de rechternekmusculatuur, thans geduid worden als een manifestatie van een ten gevolge van bovengenoemd acceleratietrauma over de cervicale wervelkolom opgetreden postwhilpash syndroom van de cervicale wervelkolom.

Vraag 1. [Welke zijn uw bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel hulponderzoek? Welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied? Welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat?Rb]

De bevindingen zoals verkregen bij het afnemen van de anamnese en het doen van lichamelijk onderzoek alsook bestudering van de vanuit de behandelende sector vervaardigde MRI-opnamen van de cervicale wervelkolom, staan uitvoerig beschreven in bijgaand medisch rapport. Kort samengevat betreft het hier een thans 42-jarige vrouw, die op vrijdag 10 september 1999 een licht schedelhersenletsel alsmede een acceleratietrauma over de cervicale wervelkolom opliep. Ondanks een adequate behandeling middels fysiotherapie, osteopathie en voetzoolreflextherapie blijft betrokkene min of meer onverminderd last houden van van haar sedert genoemd ongeval opgetreden klachten, dewelke ik thans kan duiden als een manifestatie van een ten gevolge van bovenbeschreven ongeval opgetreden postwhiplash syndroom van de cervicale wervelkolom.

Vraag 2. [Wilt u opgrond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

a. waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die op medische gronden als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd?

b. welke van de huidige klachten en/of restverschijnselen naar uw mening reeds vóór het ongeval d.d. 10 september 1999 bestonden of op enig moment óók zouden (zijn) ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen? Kunt u daarbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn (geweest)? Rb]

De tot op heden persisterende, volgens betrokkene ongevalsgerelateerde klachten, die zij mij mededeelde, bestaan uit:

• Houdings- en belastingsafhankelijk optredende nekpijnen, die nog steeds kunnen uitstralen over de schouders en armen en sporadisch nog gepaard kunnen gaan met tintelingen in de linkerhand.

• Aanvalsgewijs optredende, strak trekkende en drukkende, hoofdpijnen en foto- en fonofobie.

• Een milde duizeligheid.

• Een abnormaal snel intredende vermoeidheid met concentratiestoornissen.

• Oorsuizen links.

• Een emotionele disregulatie.

Bij oriënterend intern en uitgebreid neurologisch onderzoek thans worden de door mij als een uitsluitend en rechtstreeks ten gevolge van onderhavig ongeval opgetreden afwijkingen waargenomen:

• Een concordant, licht afgeremd, bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom.

• Een aspecifieke drukpijn over de rechternekmusculatuur.

Bestudering van de vanuit de behandelende sector vervaardigde MRI-opnamen van de cervicale wervelkolom laat geen relevante en met name geen posttraumatische afwijkingen zien.

De door mij gestelde diagnose op mijn vakgebied luidt:

• Acceleratietrauma over de cervicale wervelkolom, waarbij betrokkene’s ondanks fysiotherapie, osteopathie en voetzoolreflextherapie tot op heden persisterende klachten thans gezien kunnen worden als een manifestatie van een ten gevolge van genoemd ongeval opgetreden postwhiplash syndroom van de cervicale wervelkolom.

Vraag 3. [Wilt u de mate van functiestoornis (=impairment) op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage van de mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene vóór het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, laatste druk)? Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd en indien van toepassing links en rechts vergelijken? Rb]

Als gevolg van de door mij op mijn vakgebied vastgestelde ongevalsgevolgen is er sprake van een blijvende functionele invaliditeit. Er zijn immers voldoende aanwijzingen om te stellen, dat er sprake is van een vaststaand letsel, dat aanleiding heeft gegeven tot een mechanisch voorstelbare geweldinwerking op de cervicale wervelkolom, waarbij dientengevolge klachten opgetreden zijn. Het is hierbij voldoende aannemelijk geworden, dat betrokkene bepaalde, voordien gebruikelijke activiteiten van het dagelijks leven, het maatschappelijk verkeer en de recreatie feitelijk achterwege heeft gelaten en hulp heeft ingeroepen of hulpmiddelen heeft gebruikt op grond van de aanwezige klachten, of omdat bedoelde activiteiten zodanige klachten provoceerden of verergerden, dat dit als te bezwaarlijk werd ervaren. Afgaande op mijn huidige bevindingen, een heel gezond mens stellend op 100%, stel ik het percentage van deze invaliditeit thans, mij baserend op de normen zoals aangegeven in de Guide AMA, 5e editie, alsmede op de richtlijnen zoals bepaald door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie op 2% blijvende invaliditeit van de gehele mens.

Ik acht deze functiestoornis van blijvende aard.

Vraag 4. [a. Welke beperkingen stelt betrokkene te ondervinden bij activiteiten in het dagelijks leven, de vrijetijdsbesteding en bij de beroepsuitoefening (incluis huishoudelijke arbeid)?

b. Acht u de door betrokkene aangegeven beperkingen aannemelijk op grond van uw onderzoeksresultaten als gevolg van het ongeval?

c. Zijn er andere- niet door betrokkene aangegeven- beperkingen op uw vakgebied en als gevolg van het ongeval, waarmee bij de beoordeling rekening dient te worden gehouden?

d. Wilt u de door u bevestigde beperkingen zo uitgebreid mogelijk omschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? Rb]

Betrokkene stelt nog steeds beperkingen te ondervinden bij het verrichten van de activiteiten in het dagelijks leven, de vrijetijdsbesteding en de beroepsuitoefening, inclusief huishoudelijke arbeid. Genoemde beperkingen worden, naar haar zeggen, geleverd door haar tot op heden persisterende ongevalsgerelateerde klachten, zoals bovenbeschreven.

Op grond van de mij thans er beschikking staande gegevens zoals verkregen bij het afnemen van de anamnese het doen van een lichamelijk onderzoek alsook bestudering van de vanuit de behandelende sector aanwezige correspondentie en, ten slotte, bestudering van de vanuit de behandelende sector vervaardigde MRI van de cervicale wervelkolom, acht ik dat er op dit moment eigenlijk geen aanknopingspunten meer bestaan voor het bestaan van een ongevalgerelateerde beperking voor wat betreft het verrichten van bovengenoemde activiteiten.

Vraag 5. [Is er thans sprake van een relatieve of definitieve eindtoestand met betrekking tot de ongevalsgevolgen? Zo neen, verwacht u dan nog een verbetering dan wel verslechtering ten opzichte van het huidige toestandbeeld en op welke termijn kan een eindtoestand wel worden verwacht? In hoeverre zal deze verandering het hierboven genoemde percentage functiestoornis dan wel de door u aangegeven beperkingen nog beïnvloeden? Rb]

Thans, vijfenhalf jaar na het bovenbeschreven ongeval, is er inmiddels sprake van een stabiele en stationaire toestand. Desondanks kan ik niet uitsluiten dat zich op termijn nog een verandering in gunstige zin kan ontwikkelen. Ik kan deze termijn echter verder niet omschrijven. Ik verwacht evenwel niet dat genoemde, zich mogelijk op termijn ontwikkelende verandering in gunstige zin, het hierboven beschreven percentage functiestoornis significant zal doen veranderen.

Vraag 6. [Acht u het verrichten van een neuropsychologische beoordeling geïndiceerd en zo ja, waarom? Rb]

Ik acht een aanvullende neuropsychologisch onderzoek niet geïndiceerd.

Vraag 7. [Heeft u nog therapeutische suggesties dan wel andere op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de casus van belang kunnen zijn? Rb]

Ik heb geen verdere therapeutische suggesties dan wel op- of aanmerkingen, die voor de beoordeling van deze casus van belang kunnen zijn.’

2.2. Dr. [B] heeft zijn rapport in concept aan partijen voorgelegd. De door hen ingediende reacties gaven dr. [B] geen aanleiding tot wijziging van zijn rapport. In reactie op opmerkingen van de zijde van [A] heeft dr. [B] in het begeleidend schrijven bij zijn deskundigenbericht aan de rechtbank onder meer bericht:

‘(…)Bij (…) onderzoek vond ik bij betrokkene een concordant licht afgeremd bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom (waarbij ik echter geen te objectiveren pathologische bewegingsbeperkingen volgens de AMA richtlijnen vast kon stellen) alsook aspecifieke drukpijn over de nekmusculatuur. Aangezien er voldoende aanwijzingen waren (…) om te mogen spreken van een postwhiplash syndroom, stelde ik hierbij vast dat er sprake was van een blijvende functionele invaliditeit, door mij bepaald op 2% blijvende invaliditeit van de gehele mens. Op grond van de mij ter beschikking staande gegevens oordeelde ik daarnaast dat er thans geen ongevalsgerelateerde significante beperkingen meer bestonden. Zoals u ongetwijfeld weet is er geen vaste correlatie tussen het bestaan van invaliditeit en beperkingen. Een postwhiplash syndroom kan maar hoeft natuurlijk niet gepaard te gaan met functionele beperkingen, zeker niet in de wat lichtere gevallen, zoals in onderhavige casus. Ik acht de omvang van betrokkene’s klachten en vooral ook de door mij vastgestelde afwijkingen bij lichamelijk onderzoek niet van dien aard dat een en ander gepaard zou moeten gaan met relevante functionele beperkingen.(…)’

(Nadere) standpunten partijen

2.3. In haar conclusie na deskundigenbericht heeft [A] zich op het volgende standpunt gesteld (samengevat en voor zover van belang). De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie zijn zodanig in strijd met de AMA-guides, dat daaraan in juridisch opzicht geen toepassing kan worden gegeven. Uit het rapport blijkt van reële klachten, te duiden als een post whiplash syndroom, welke het gevolg is van het ongeval op 10 september 1999 ( hierna: het ongeval). Volgens dr. [B] levert dit 2% blijvende invaliditeit op. Vervolgens neemt hij aan dat [A] geen beperkingen heeft. Deze conclusie wordt bestreden als onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Het rapport van dr. [B] voldoet niet aan de eisen die door het Centraal Medisch Tuchtcollege aan een deskundigenrapport worden gesteld. Het antwoord op vraag 4 vindt geen steun in de anamnese, overige feiten of stukken. Bedoelde conclusie wordt voorts weerlegd door de bevindingen van voor- en nadien door [A] ingeschakelde deskundigen. Als subsidiair standpunt brengt [A] in dit kader naar voren dat dr. [B] zijn deskundigheid heeft overschreden, zoals volgt uit de richtlijnen voor neurologen. Meer subsidiair betoogt [A] dat het antwoord op vraag 4 zich moeilijk laat rijmen met de antwoorden op vragen 1 en 2. [A] verzoekt de rechtbank dan ook om wegens specifieke en zwaarwegende bezwaren van bedoeld onderdeel van het deskundigenbericht af te wijken. Een verzekeringsgeneeskundige dient te worden benoemd om een beperkingenprofiel op te stellen. Deze zal moeten uitgaan van de door dr. [C] geduide beperkingen en de door de heer [D] geduide beperkingen op neuropsychologische gronden alsmede van de klachten, zoals beschreven door dr. [B] in zijn antwoord op vraag 2. Vervolgens dient een arbeidsdeskundige te worden benoemd om de restverdiencapaciteit vast te stellen, aldus steeds [A].

2.4. Het (nadere) standpunt van Aegon laat zich samenvatten als volgt. [A] is niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat zij als gevolg van het ongeval beperkingen ondervindt en dientengevolge schade lijdt. Het rapport van dr. [B] heeft als uitgangspunt te dienen voor de onderhavige beoordeling. Partijen hebben na overleg gezamenlijk om benoeming van dr. [B] door de rechtbank verzocht en de voor te leggen vragen gezamenlijk opgesteld. Partijen zijn dan ook aan de bevindingen en conclusies van dr. [B] gebonden. Deze deskundige heeft de destijds geldende richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor Neurologie van 2001 terecht en juist toegepast en daarbij zijn deskundigheid niet overschreden. Dr. [B] kon en mocht aangeven dat er bij [A] geen beperkingen zijn voor activiteiten in de vrije tijd en de beroepsuitoefening. Die vraag is hem ook voorgelegd. Het rapport van dr. [B] voldoet aan de daaraan te stellen eisen, waarbij aansluiting dient te worden gezocht met de meergenoemde richtlijnen van 2001. Er is geen sprake van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van dr. [B]. Van de door [A] aangehaalde andersluidende bevindingen van door haar geraadpleegde deskundigen kan niet worden uitgegaan. [A] handelt in strijd met de redelijkheid en de goede procesorde door in dit stadium van de procedure nog aanvullende medische stukken in het geding te brengen. Voorts geldt dat Aegon niet is betrokken bij de totstandkoming van de desbetreffende rapporten en er dus niet aan is gebonden. Niet is in te zien waarom aan de door [A] aangehaalde rapporten meer waarde toekomt dan aan het deskundigenbericht van dr. [B]. Neuropsychologisch onderzoek is niet geïndiceerd. Aangezien er door dr. [B] geen beperkingen zijn vastgesteld, is het niet (meer) nodig om een beperkingenprofiel te laten opstellen teneinde de (rest)verdiencapaciteit van [A] te bepalen. Subsidiair geldt dat bij een nog op te stellen beperkingenprofiel tot uitgangspunt zou moeten dienen de beschrijving van de klachten van [A] door dr. [B] en niet de door [A] aangehaalde rapporten, aldus steeds Aegon.

Rapport van dr. [B]

2.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit bovenstaande volgt dat het geschil van partijen over de bruikbaarheid van het rapport van dr. [B] is beperkt tot diens bevindingen ten aanzien van het ontbreken van beperkingen bij [A]. De rechtbank laat daarbij het door dr. [B] genoemde percentage functionele invaliditeit buiten beschouwing - voor zover al uit de stellingen van [A] zou moeten worden afgeleid dat ook tegen deze bevinding bezwaren bestaan - nu dit percentage niet van relevante betekenis is bij de beoordeling van de vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk of sprake is van beperkingen als gevolg van het ongeval.

2.6. Bij de beoordeling van het geschil ten aanzien van de bruikbaarheid van het rapport van dr. [B] stelt de rechtbank het volgende voorop.

2.7. De rechtbank heeft in het onderhavige geval, dat ziet op letselschade, te beoordelen of sprake is van causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade waarop de vordering van [A] ziet. In het tussenvonnis van 6 juli 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat daartoe een onderzoek door een deskundige diende plaats te vinden. Partijen hebben, na onderling overleg en afstemming, bij akte van [A] voorgesteld dr. [B] te benoemen en hebben een vraagstelling op schrift gesteld, welke voorstellen door de rechtbank zijn overgenomen in het tussenvonnis van 28 december 2005. Dr. [B] is benoemd, heeft gerapporteerd en de aan hem voorgelegde vragen beantwoord zoals hierboven weergegeven. Hij heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op zijn conceptrapport. Tenslotte heeft dr. [B] op zijn beurt op de bezwaren van [A] op het conceptrapport gereageerd. Tot aanpassing van het rapport gaf dit dr. [B] geen aanleiding. Onder deze omstandigheden dient de rapportage van dr. [B] vervolgens ook daadwerkelijk uitgangspunt te zijn bij de verdere beoordeling, ten aanzien van de afwikkeling van de gevorderde schade. Alleen indien er sprake is van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen de (wijze van totstandkoming van de) rapportage kunnen de bevindingen en conclusies van dr. [B] (deels) terzijde worden geschoven. De voorliggende vraag is of van dergelijke bezwaren sprake is.

2.8. Eén van de bezwaren van [A] tegen het rapport van dr. [B] betreft de door haar gestelde ongerijmdheid van de beantwoording van vraag 4 met de beantwoording van de vragen 1 en 2.

2.9. De beantwoording van vragen 1, 2, 5 en 6 behoren, evenals de inleidende opmerkingen die aan de beantwoording van de voorgelegde vragen vooraf gaan, tot het niet bestreden deel van het rapport van dr. [B], dat door de rechtbank zal worden gevolgd. Uit dit deel van het rapport volgt dat er bij [A] als gevolg van het ongeval sprake is van een post whiplash syndroom, waarbij neurologisch een concordant, licht afgeremd, bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom en een aspecifieke drukpijn over de rechternekmusculatuur is vastgesteld en waarbij de volgende aanhoudende klachten zich voordoen:

• Houdings- en belastingsafhankelijk optredende nekpijnen, die nog steeds kunnen uitstralen over de schouders en armen en sporadisch nog gepaard kunnen gaan met tintelingen in de linkerhand.

• Aanvalsgewijs optredende, strak trekkende en drukkende, hoofdpijnen en foto- en fonofobie.

• Een milde duizeligheid.

• Een abnormaal snel intredende vermoeidheid met concentratiestoornissen.

• Oorsuizen links.

• Een emotionele disregulatie.

Therapeutische suggesties zijn er niet. De beschreven toestand is stabiel en stationair zonder de verwachting dat de mate waarin een functiestoornis aanwezig is nog significant zal verbeteren.

2.10. Uit de redactie en bewoording van het rapport begrijpt de rechtbank dat de klachten van [A] volgens dr. [B] niet (allemaal) te herleiden zijn tot medisch vaststelbare afwijkingen, terwijl dr. [B] geen (kenbare) vraagtekens heeft geplaatst bij het klachtenbeeld dat door [A] is geschetst bij de anamnese. Dr. [B] heeft immers deze klachten in zijn inleidende opmerkingen bij de beantwoording van de vragen zonder meer als gevolgen van het ongeval geduid (zie hierboven onder 2.1). Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 8 in het tussenvonnis van 6 juli 2005 leidt de rechtbank hieruit af dat het gaat om klachten, waarvan objectief vastgesteld kan worden dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn.

2.11. Bij de beantwoording van vraag 4, dat het bestreden gedeelte van zijn rapport betreft, stelt dr. [B] dat er geen aanknopingspunten meer bestaan voor het bestaan van een ongevalgerelateerde beperking voor wat betreft het verrichten van activiteiten in het dagelijks leven, de vrijetijdsbesteding en de beroepsuitoefening, inclusief huishoudelijke arbeid.

2.12. Het rapport van dr. [B] strekt ertoe vanuit een medische expertise informatie te verschaffen ten behoeve van de onderhavige juridische beoordeling. Daartoe moet het rapport voor niet-medisch geschoolden voldoende begrijpelijk zijn, ook ten aanzien van de logische stappen die tussen bevindingen en conclusies worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank laten de klachten van [A] in de beschrijving daarvan door dr. [B]

- vanuit het perspectief van een medische leek - zich lezen als mogelijk relevant belemmerend in het dagelijks leven. De conclusie van dr. [B] ten aanzien van het ontbreken van beperkingen behoeft dan ook nadere uitleg, die de rechtbank in het reeds aangeleverde rapport nog onvoldoende heeft aangetroffen. De enkele verwijzing naar de onderzoeksverrichtingen van dr. [B] volstaat in dat verband niet. In het begeleidend schrijven aan de rechtbank bij het rapport (zie hierboven onder 2.2) vindt de rechtbank evenmin bedoelde uitleg. Dr. [B] heeft daarin, in reactie op opmerkingen van [A], toegelicht, kort samengevat, dat er geen vaste correlatie bestaat tussen invaliditeit en beperkingen, dat [A] als een wat lichter geval wordt aangemerkt en dat hij de omvang van de klachten van [A] en de vastgestelde afwijkingen bij lichamelijk onderzoek niet van dien aard acht dat een en ander gepaard zou moeten gaan met relevante functionele beperkingen. Waarom deze conclusies worden getrokken op basis van het beschreven klachtenbeeld, waarbij geen vraagtekens zijn geplaatst, behoeft naar het oordeel van de rechtbank een nadere toelichting door dr. [B]. De rechtbank ziet in vorenstaande vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat er van bezwaren zoals bedoeld onder 2.7 sprake is, maar acht het aangewezen dat dr. [B] zich over de opgeworpen vraag nader uitlaat.

2.13. De rechtbank acht het voorts nodig dat in deze nadere uitleg door dr. [B] wordt betrokken wat de eventuele ontwikkelingen in het klachtenbeeld en de aan- of afwezigheid van daaraan gerelateerde beperkingen is geweest. Daartoe ziet zij aanleiding in de volgende formulering in het antwoord van dr. [B] op vraag 4:

‘Op grond van de mij thans er beschikking staande gegevens (…) acht ik dat er op dit moment eigenlijk geen aanknopingspunten meer bestaan voor het bestaan van een ongevalgerelateerde beperking voor wat betreft het verrichten van bovengenoemde activiteiten.’

2.14. Voor de verdere beoordeling van de geschilpunten tussen partijen over het rapport van dr. [B] en de daaraan te verbinden conclusies acht de rechtbank het dan ook aangewezen om aan dr. [B] in zijn hoedanigheid als door de rechtbank benoemde deskundige de volgende aanvullende vragen voor te leggen:

1. Kunt u, gelet op uw beantwoording van de vragen 1, 2 en 4 in het door u aangeleverde deskundigenbericht nader toelichten (zoveel mogelijk onderbouwd):

a. Waarom in uw visie bij [A], gelet op de beschrijving van haar klachten die door u als ongevalsgevolg zijn aangemerkt, er geen sprake is van enige ongevalgerelateerde beperking voor wat betreft het verrichten van activiteiten in het dagelijks leven, de vrijetijdsbesteding en de beroepsuitoefening, inclusief huishoudelijke arbeid?

b. Of de onder a genoemde conclusie geldt voor de gehele periode vanaf het ongeval? Is er sinds het ongeval in uw visie op enig moment wel sprake geweest van een of meer beperkingen die aan het ongeval kunnen worden toegeschreven? Zo ja, kunt u hiervan een beschrijving geven, de ontwikkeling daarvan schetsen en in de tijd plaatsen?

2. Zijn er overigens nog opmerkingen of toelichtingen te maken die u van belang acht?

2.15. Dr. [B] heeft de rechtbank telefonisch te kennen gegeven bereid te zijn op basis van zijn eerdere benoeming deze aanvullende opdracht te aanvaarden, en over het algemeen een opdracht te kunnen voltooien binnen drie maanden. Daaraan zullen opnieuw kosten verbonden zijn. Op dezelfde voet als in het tussenvonnis van 28 december 2005 is bepaald zal Aegon voor deponering van een voorschot zorg dienen te dragen.

2.16. De zaak zal naar de rol worden verwezen om [A] en vervolgens Aegon in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de inhoud van de aanvullende vraagstelling aan dr. [B]. De rechtbank geeft partijen in overweging om wederom zoveel mogelijk in onderling overleg af te stemmen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van [A] en vervolgens voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van Aegon over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 2.16,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.H.C van Harmelen, C.M. Degenaar en K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2009.?