Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK0729

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
415295 / HA ZA 08-3542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft in het geschil tussen enerzijds Sonterra en anderzijds Grump c.s. vonnis gewezen. Bij dit vonnis is vastgesteld dat Grump jegens Sonterra wanprestatie heeft gepleegd. De investering van Sonterra is, anders dan afgesproken, niet terecht gekomen bij LVG, een dochtermaatschappij van Grump, maar bij TEG, een andere onderneming waarin de aandeelhouders van Grump een belang hadden. Gedaagden zijn veroordeeld de schade te vergoeden die Sonterra hierdoor lijdt. De schade kan in een vervolgprocedure worden begroot. Gedaagden sub 2 en 3 zijn hiertoe veroordeeld omdat zij hebben bewerkstelligd dat de investering van Sonterra, in strijd met de afspraken, terecht kwam bij TEG, waarin zij een belang hadden. Voor het overige is de vordering van Sonterra afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Meervoudige civiele kamer

zaaknummer / rolnummer: 415295 / HA ZA 08-3542

Vonnis van 21 oktober 2009

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van Luxemburg

SONTERRA FINANCE S.A.R.L.,

gevestigd te Luxemburg,

eiseres,

advocaat mr. C. de Bres,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GRUMP B.V.,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat voorheen mr. R.J. van Agteren, thans mr. J.G. Geerdes,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2],

gevestigd te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.J. van Agteren.

Eiseres wordt hierna Sonterra genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk Grump c.s. genoemd en afzonderlijk Grump, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 december 2008,

- de akte overlegging producties van 17 december 2008 aan de zijde van Sonterra,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 22 april 2009, waarin een comparitie van partijen is gelast,

- de akte overlegging producties van 28 juli 2009 aan de zijde van Sonterra,

- het proces-verbaal van comparitie van 12 augustus 2009, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sonterra is een vennootschap waarvoor [gemachtigde eiseres] als gemachtigde optreedt.

2.2. Grump houdt zich bezig met holding- en financieringsactiviteiten. Zo houdt zij onder meer aandelen in Lab Venture Group B.V. (hierna: LVG). LVG participeert op haar beurt in (dochter)ondernemingen, (onder meer) door tussenkomst van haar dochtervennootschap Lab Venture Capital B.V. (hierna: LVC). Deze ondernemingen richten zich op de ontwikkeling en exploitatie van toepassingen voor software, media en entertainment.

2.3. Tot 21 augustus 2008 was [naam 2] naast zekere [naam 1] bestuurder van Grump. [gedaagde sub 2] is bestuurder van [naam 2] en [gedaagde sub 3] is bestuurder van [gedaagde sub 2]. Daarmee was [gedaagde sub 3] tot 21 augustus 2008 indirect bestuurder van Grump.

2.4. [gedaagde sub 2] neemt deel in (naar de rechtbank begrijpt: is mede-aandeelhouder van) Grump. [gedaagde sub 3] is begunstigde (lees: enig aandeelhouder) van [gedaagde sub 2].

2.5. Op 17 mei 2007 is [naam 3] aangetreden als bestuurder van LVG. [naam 3] heeft in mei en juni 2007 budgetten opgesteld voor (participaties van) LVG.

2.6. [gemachtigde eiseres] heeft op 4 juni 2007 en in augustus 2007 overleg gevoerd met [gedaagde sub 3], die daarbij Grump vertegenwoordigde. Dit overleg betrof onder meer de visie van [gedaagde sub 3] (en van Grump) over LVG en haar participaties, en de kansen in dit verband. [gemachtigde eiseres] heeft vanaf juni tot in september 2007 hierover ook gesprekken gevoerd met de bestuurders van ondernemingen waarin LVG participeerde.

2.7. [gemachtigde eiseres] heeft bij overeenkomst van 25 september 2007 (hierna: de participatieovereenkomst) aandelen in LVG van Grump gekocht, gelijk aan 13% van het aandelenkapitaal in LVG. In de participatieovereenkomst is, naast bepalingen over de koop en verkoop van aandelen, onder meer het volgende bepaald:

(…)

Artikel 7 Lening en kapitaalstorting

1. Terstond na de overdracht van de Aandelen [gemachtigde eiseres], zal GRUMP op basis van de overeenkomst van geldlening, welke als bijlage B aan deze overeenkomst is gehecht een bedrag van € 1.500.000 (zegge: anderhalf miljoen euro) aan LVG ter beschikking stellen.

2. Terstond na de overdracht van de Aandelen [gemachtigde eiseres], zal GRUMP op basis van het besluit, welke als bijlage C aan deze overeenkomst is gehecht, een bedrag van € 1.500.000 (zegge: anderhalf miljoen euro) als agio storten op de door haar gehouden aandelen in het kapitaal van LVG.

(…)

Artikel 14 Slotbepalingen

(…)

3. Behoudens voor zover in deze overeenkomst anders is bepaald, doen Partijen afstand van hun recht om gehele of gedeeltelijke ontbinding van deze overeenkomst te vorderen op grond van het bepaalde in de artikelen 265 en volgende Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en/of deze overeenkomst te vernietigen en/of te wijzigen op grond van de artikelen 39 en volgende Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of de artikelen 228 tot en met 230 Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

(…).

2.8. [gemachtigde eiseres] heeft zijn rechten en plichten uit hoofde van de participatieovereenkomst overgedragen aan Sonterra.

2.9. Voor LVG werd over het jaar 2007 in de loop van dat jaar een omzet respectievelijk verlies verwacht gelijk aan de volgende bedragen:

bron omzet verlies

budget juli € 5,4 miljoen € 1,8 miljoen

cijfers augustus € 4,4 (dan wel 4,2) miljoen € 2,2 (dan wel 2,9) miljoen

cijfers sept./oktober € 2,4 miljoen € 3,1 miljoen.

De cijfers over een maand waren (ruim) één maand na afloop van de desbetreffende maand beschikbaar.

2.10. Bij authentieke akte van 16 november 2007 is een pakket van aandelen, gelijk aan 13% van het aandelenkapitaal in LVG, door Grump overgedragen aan Sonterra. Daartegenover stond dat Sonterra een bedrag van € 3 miljoen voldeed aan Grump.

2.11. In de periode vlak ná 16 november 2007 is een schuld van LVG of LVC aan The Entertainment Group B.V. (hierna: TEG) of Grump tot een bedrag van € 4.798.820,- afgelost. TEG was toen gelieerd aan de aandeelhouders van Grump.

2.12. Ten laste van Grump of LVG of LVC is (als onderdeel van de hiervoor onder 2.11 beschreven aflossing) op 20 november 2007 aan TEG een bedrag van € 2 miljoen voldaan.

2.13. Op 4 december 2007 heeft crisisberaad plaatsgevonden van betrokkenen bij LVG, waarin aandacht werd besteed aan de precaire financiële positie van LVG. Deze positie was in januari 2008 zodanig, dat LVG niet in staat was de salarissen van haar personeel te voldoen.

2.14. Op 6 december 2007 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van Grump en Sonterra. Tijdens deze bespreking zijn cijfers over oktober 2007 met betrekking tot (participaties van) LVG aan Sonterra ter hand gesteld.

2.15. Ten laste van Grump of LVG of LVC is (als onderdeel van de hiervoor onder 2.11 beschreven aflossing) op 11 januari 2008 aan TEG een bedrag van € 950.000,- voldaan. TEG was toen nog steeds gelieerd aan de aandeelhouders van Grump.

2.16. De raadsman van Sonterra heeft bij brief van 8 mei 2008 de participatieovereenkomst (buitengerechtelijk) vernietigd en voor zover vereist ook ontbonden.

3. De vordering en het verweer

3.1. Sonterra vordert primair, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de participatieovereenkomst door haar rechtsgeldig is vernietigd,

2. Grump te veroordelen tot betaling aan haar van € 3 miljoen, met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 16 november 2007,

3. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het onder 2 vermelde bedrag met rente voor zover Grump binnen twee maanden na dit vonnis dat bedrag niet aan haar heeft voldaan, en

4. Grump c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

Subsidiair vordert Sonterra voor recht te verklaren dat de participatieovereenkomst rechtsgeldig door haar is ontbonden, met veroordelingen als gevorderd onder 2, 3 en 4 primair, en met veroordeling van Grump tot medewerking aan het ongedaan maken van de levering van aandelen in LVG aan Sonterra, op straffe van een dwangsom.

Meer subsidiair vordert Sonterra voor recht te verklaren dat Grump wanprestatie heeft gepleegd en dat Grump c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van Grump c.s. tot vergoeding aan haar van schade, nader op te maken bij staat, met de kosten van het geding.

Sonterra stelt daartoe samengevat het volgende.

3.1.1. Grump, hoofdzakelijk vertegenwoordigd door [gedaagde sub 3], heeft in de loop van 2007 met [gemachtigde eiseres] gesproken over een mogelijke participatie in LVG. [gedaagde sub 3] heeft daarbij aan de hand van een aantal presentaties informatie verschaft over de activiteiten, initiatieven en toekomstperspectieven van LVG. Daaruit kwam het beeld naar voren van een groeiende onderneming met zeer goede perspectieven. Deze weergave strookte niet met de werkelijkheid. Grump deelde mede dat budgetten werden gehaald, maar dit was niet het geval. LVG presteerde in de praktijk desastreus slecht en de verwachtingen werden in de loop van 2007 meermalen in negatieve zin bijgesteld (zie 2.9 hiervoor). Nádat Sonterra aandelen in LVG geleverd kreeg en € 3 miljoen aan Grump betaalde, was de financiële situatie van LVG precair en kreeg Sonterra de beschikking over cijfers waaruit de slechte prestaties en negatieve verwachtingen bleken.

Gelet op het voorgaande is volgens Sonterra sprake van bedrog dan wel dwaling en heeft zij rechtsgeldig de participatieovereenkomst vernietigd, dan wel op grond van wanprestatie ontbonden.

3.1.2. Met Grump is afgesproken dat de investering van Sonterra zou worden gebruikt voor de verdere financiering en ontwikkeling van de onderneming van LVG. Dit is in artikel 7 van de participatieovereenkomst vastgelegd. Grump, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben echter, vlak na ontvangst van € 3 miljoen van Sonterra, bewerkstelligd dat de hiervoor onder 2.11, 2.12 en 2.15 beschreven betalingen werden verricht ten gunste van TEG, welke onderneming – uiteindelijk – (mede) in handen was van de aandeelhouders van Grump, met inbegrip van [gedaagde sub 3]. Deze betalingen zijn dan ook niets anders dan een kasrondje dat uiteindelijk ten gunste van de aandeelhouders van Grump strekt. Deze betalingen zijn zelfs verricht op het moment dat de financiële situatie van LVG precair was, waarover binnen LVG crisisberaad werd gevoerd. De afspraak in artikel 7 van de participatieovereenkomst is hiermee geschonden.

3.1.3. [gedaagde sub 3] was binnen Grump belast met het financieel toezicht, dus met een overkoepelend toezicht. [naam 3] en [gedaagde sub 3] hadden feitelijk de leiding bij LVG.

3.1.4. Gelet op het voorgaande heeft Grump wanprestatie gepleegd en onrechtmatig gehandeld en hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] eveneens jegens haar onrechtmatig gehandeld, aldus Sonterra, waardoor zij schade heeft geleden.

3.2. Grump voert samengevat het volgende verweer.

3.2.1. LVG is een nieuwe, jonge vennootschap die deelneemt in veelbelovende, jonge en innovatieve ondernemingen, die veelal nieuwe producten en toepassingen maken met name in de informatie- en communicatietechnologie. LVG is een durfkapitaal-onderneming. Durfkapitaal is onlosmakelijk verbonden met grote risico’s en kan dus aanzienlijke winsten genereren maar ook zware verliezen. In de opstartfase vergt durfkapitaal aanzienlijke investeringen. LVG had een goed businessplan. Door een groot aantal oorzaken, zoals vertraging in het opstarten van de ondernemingen en de kredietcrisis, zijn de verwachtingen over de termijn waarbinnen winst zou worden gemaakt, niet uitgekomen. Dit neemt niet weg dat de deelnemingen veel potentie hadden. Dit is inherent aan durfkapitaal. Wel betekent dit dat de deelnemingen in de opstartfase zwaar verliesgevend kunnen blijken. Gewerkt wordt met budgetten en prognoses. Het gaat om een inschatting van kansen, met onzekere uitkomst.

Sonterra kan zich er niet op beroepen dat aan [gemachtigde eiseres], die op eigen naam de participatieovereenkomst heeft gesloten, onjuiste of onvolledige informatie zou zijn verstrekt. Daarnaast is Sonterra pas opgericht in oktober 2007. Zij heeft geen vordering jegens Grump c.s. en dus ook geen belang in de procedure. Bovendien wist Sonterra dat er geen garanties zijn en heeft zij niet om garanties ter zake gevraagd.

Grump c.s. hebben niet geweigerd om stukken aan [gemachtigde eiseres]/Sonterra ter hand te stellen. Het ligt voor de hand dat [gemachtigde eiseres] of Sonterra om stukken zou hebben gevraagd.

De eerste budgetten en de daarin genoemde bedragen zijn gedurende de looptijd van de onderhandelingen tot na de daadwerkelijke aankoop niet meer (materieel) gewijzigd. Uit de cijfers over juli 2007 blijkt dat een verlies over 2007 werd verwacht van € 1,8 miljoen. Pas in november 2007 zijn de prognoses voor de deelnemingen grondig herzien en aangepast. De cijfers over augustus en september 2007 waren nog niet bekend ten tijde van de participatieovereenkomst. Er is overigens geen budget geweest waarin is uitgegaan van winst over 2007.

Daarom is geen sprake van bedrog, dwaling, wanprestatie of onrechtmatige daad.

3.2.2. In de participatieovereenkomst is niets vastgelegd over de wijze waarop het door Sonterra betaalde bedrag van € 3 miljoen moest worden besteed, nádat dit bedrag overeenkomstig artikel 7 als lening aan LVG werd verstrekt dan wel als agio werd gestort. Er is niet méér besproken over de aanwending van de koopsom dan is vastgelegd in de participatieovereenkomst. Betwist wordt dat gedaagden afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop LVG de bedragen zou besteden. Artikel 7 is uitgevoerd en Sonterra weerspreekt dat niet. Verder wordt betwist dat het door Sonterra betaalde bedrag zou zijn gebruikt ter aflossing van een schuld van LVG aan TEG. Uit een mutatie in de rekening courant positie kan niet worden afgeleid dat dit is gebeurd met de gelden die uiteindelijk van Sonterra afkomstig waren. Andere aandeelhouders hebben in 2007 en 2008 voor in totaal € 11 miljoen gelden ter beschikking gesteld van LVG. De aflossing van de schuld aan TEG is geschied met laatstgenoemde gelden. Grump ontving niets voor haar aandelen nu de gelden overeenkomstig artikel 7 in LVG zijn gevloeid. De onderneming had een acute cash-behoefte en verliezen moesten worden gefinancierd vanwege vertragingen met het opstarten van de diverse deelnemingen. Deze financiering vond plaats door middel van de investering van Sonterra. De wijze waarop LVG de koopsom vervolgens heeft aangewend kan geen wanprestatie van Grump opleveren.

3.2.3. Grump c.s. beroepen zich op artikel 14 lid 3 van de participatieovereenkomst (zie hiervoor onder 2.7). Zij voeren tot slot aan dat de gestelde persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onbegrijpelijk is. Er kan Grump geen enkel verwijt worden gemaakt, laat staan aan een indirecte bestuurder van Grump.

De dagelijkse leiding van Grump en LVG lag in handen van andere personen. Sonterra miskent het zakelijke karakter van de verhouding tussen haar en Grump doordat zij de procedure tegen Grump uitbreidt met aansprakelijkstellingen van natuurlijke personen.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank ziet aanleiding om eerst het tweede verwijt van Sonterra te beoordelen: artikel 7 van de participatieovereenkomst.

4.1.1. Sonterra stelt dat het doel van artikel 7 van de participatieovereenkomst was om liquide middelen te verschaffen voor de verdere groei van LVG (en haar participaties). Grump c.s. heeft hiertegen ingebracht dat niet meer is besproken dan in artikel 7 is verwoord en dat in artikel 7 noch anderszins afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop de in artikel 7 genoemde bedragen zouden worden besteed, nadat zij overeenkomstig dat artikel waren gestort bij LVG.

4.1.2. Ook indien partijen niet hebben gesproken over de wijze waarop LVG de koopsom zou aanwenden, volgt uit de tekst van artikel 7 dat het de bedoeling van partijen was dat de investering door Sonterra aan LVG ten goede zou komen. Het staat bovendien vast dat LVG behoefte had aan financiering en dat een aantal deelnemingen te kampen had met vertraging in de opstart.

Sonterra mocht dan ook redelijkerwijs verwachten dat de door haar verschafte middelen ten bate van de onderneming van LVG dan wel haar participaties zouden komen en niet direct ter aflossing van bestaande schulden zouden worden uitgekeerd ten gunste van een andere onderneming van de aandeelhouders van Grump.

4.1.3. Als onweersproken staat verder vast dat een schuld van LVG/LVC aan Grump of TEG in rekening-courant tot een bedrag van € 4.798.820,- is afgelost in de periode vlak nádat Sonterra € 3 miljoen aan Grump betaalde en dat (als onderdeel van voornoemd bedrag van € 4.798.820,-) bedragen van € 2 miljoen en € 950.000,- in deze periode vanuit Grump of LVG of LVC naar TEG – een andere onderneming van de aandeelhouders van Grump – zijn gevloeid. Grump c.s. bestrijdt evenmin dat het genoemde bedrag van € 2 miljoen naar TEG is gevloeid op de maandag volgend op de vrijdag waarop Sonterra € 3 miljoen aan Grump betaalde, zodat ook dit vaststaat.

4.1.4. Sonterra stelt dat Grump c.s. met het voorgaande heeft bewerkstelligd dat Grump dan wel haar aandeelhouders lastig inbare vorderingen op LVG/LVC, die feitelijk insolvent was, hebben kunnen incasseren. Hiermee is Grump tekort geschoten in de nakoming van haar uit artikel 7 van de participatieovereenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens Sonterra, zo stelt zij.

4.1.5. Tegenover deze stelling heeft Grump c.s. haar verweer onvoldoende toegelicht.

Grump c.s. voert aan dat deze betalingen strekten tot aflossing van opeisbare schulden (in rekening courant aan TEG). Een bedrag van € 11 miljoen is in 2007 en 2008 in LVG geïnvesteerd, onder meer door een andere aandeelhouder, [naam 4], en deze overige middelen zijn aangewend voor de betalingen aan TEG, aldus Grump c.s.

Grump c.s. heeft echter niet kunnen toelichten waarom LVG, gezien de vaststaande acute financiële nood in haar onderneming begin december 2007, de financiële ruimte had om eind november 2007 (met inachtneming van de eisen van zorgvuldig ondernemingsbestuur) tot deze betalingen over te gaan. Grump c.s. heeft geen inzicht gegeven in de gelden waarover LVG in de periode vanaf 16 november 2007 tot begin december 2007 kon beschikken. Zij heeft evenmin de geldstromen van Grump naar LVG, nadat Sonterra de koopsom had gestort, inzichtelijk gemaakt. Aldus heeft Grump c.s. de stelling van Sonterra, dat het genoemde bedrag van € 11 miljoen vóór 16 november 2007 was ‘opgebrand’ en derhalve toen niet beschikbaar was, onvoldoende weersproken.

Het lag te meer op de weg van Grump c.s. om deze punten nader toe te lichten, nu als onweersproken vast staat dat TEG een andere onderneming was van de aandeelhouders van Grump en dat Grump (als aandeelhouder) (beslissende) invloed kon uitoefenen op de handelwijze van LVG.

4.1.6. Het voorgaande betekent dat Grump in de nakoming van haar uit artikel 7 van de participatieovereenkomst voortvloeiende verplichtingen tekort is geschoten.

4.1.7. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] waren ten tijde van de hiervoor onder 2.11, 2.12 en 2.15 genoemde betalingen ten gunste van TEG indirect bestuurder van Grump. [gedaagde sub 3] was daarnaast binnen Grump belast met het financieel toezicht. Verder waren [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten tijde van de betalingen ten gunste van TEG (indirect) aandeelhouder van Grump en van TEG. In die periode was er bij LVG een acute behoefte aan liquide middelen, waarvan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] op de hoogte moeten zijn geweest. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] door de betalingen ten gunste van TEG – in strijd met artikel 7 van de participatieovereenkomst – zichzelf ten nadele van LVG hebben verrijkt.

Hiervan kan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt jegens Sonterra, zodat zij jegens Sonterra onrechtmatig hebben gehandeld. Sonterra had er immers een kenbaar belang bij dat LVG over voldoende financiële middelen zou beschikken. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] jegens Sonterra aansprakelijk zijn voor de schade die Sonterra hierdoor lijdt.

4.1.8. De primair en subsidiair gevorderde vernietiging dan wel ontbinding van de participatieovereenkomst kan niet worden toegewezen. In artikel 14 lid 3 van de participatieovereenkomst is immers bepaald dat vernietiging en ontbinding van deze overeenkomst uitgesloten zijn. Artikel 14 lid 3 betekent blijkens de tekst en de context daarvan dat Sonterra niet op grond van een onzorgvuldig voortraject ongedaanmaking van de overeenkomst kan bewerkstelligen. Dit is niet in strijd met de goede zeden en het beroep van Grump c.s. op het artikel is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Sonterra heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat opzet in het spel is geweest, dan wel dat ten tijde van het aangaan van de participatieovereenkomst aan de zijde van Grump c.s. het plan bestond om met het geld van Sonterra de schulden aan TEG af te lossen. Van bedrog is derhalve geen sprake.

4.1.9. Het is voldoende aannemelijk dat Sonterra schade kan hebben geleden, zodat de meer subsidiair gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure toewijsbaar is. Uit artikel 7 van de participatieovereenkomst is immers op te maken dat het door Sonterra geïnvesteerde geld bedoeld was om aan LVG ter beschikking te worden gesteld zodat haar beginnende onderneming daarvan kon profiteren. Uit het voorgaande volgt dat LVG niet (lang) de beschikking over dit geld had, terwijl zij een precaire financiële situatie had en een tekort aan liquide middelen. Dat het geld is aangewend om opeisbare vorderingen op LVG af te lossen, maakt dit niet anders, omdat niet is gebleken dat op dat moment die aflossing geen uitstel duldde.

4.2. Vervolgens is nog het eerste verwijt van Sonterra aan de orde: de aan [gemachtigde eiseres] (al dan niet) verstrekte inlichtingen.

4.2.1. Grump c.s. voert aan dat zij de participatieovereenkomst met [gemachtigde eiseres] heeft gesloten en dat Sonterra geen rechten kan ontlenen aan de inlichtingen die Grump al dan niet aan [gemachtigde eiseres] bij het aangaan van de participatieovereenkomst heeft verstrekt.

Dit verweer faalt nu als onbetwist vaststaat dat [gemachtigde eiseres] alle rechten en verplichtingen uit de participatieovereenkomst heeft overgedragen aan Sonterra.

4.2.2. Tegenover de stelling van Sonterra dat Grump haar onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot de prestaties van LVG vanaf juni tot en met november 2007, voert Grump c.s. tot haar verweer aan dat de budgetten van LVG in de periode vanaf juni tot en met november 2007 niet (wezenlijk) zijn gewijzigd en dat de prestaties van de onderneming in deze periode niet (wezenlijk) van de budgetten afweken.

Dit verweer slaagt. Bij dagvaarding heeft Sonterra gesteld dat het oorspronkelijke budget voor geheel 2007 uitging van een omzet van € 20,3 miljoen. Ter comparitie heeft zij erkend dat dit niet correct was nu dit bedrag van € 20,3 miljoen op 2008 betrekking heeft en dat in de cijfers over juli 2007 een verlies van € 1,9 miljoen over 2007 werd verwacht. Ter comparitie heeft zij gesteld dat aan [gemachtigde eiseres] is verteld dat het heel goed ging, conform budget, terwijl cijfers wel werden gevraagd maar niet werden verstrekt, de verliezen toenamen en de schuld in rekening courant opliep van € 4,7 tot € 5,8 miljoen. Sonterra heeft aldus niet voldoende uitgelegd in hoeverre de resultaten van LVG niet overeenstemden met het budget, in hoeverre de verliezen toenamen en waarom de discrepantie tussen de budgetten (en prognoses) enerzijds en de werkelijke situatie anderzijds zo substantieel was dat Grump c.s. gehouden was haar dit te melden.

Sonterra heeft evenmin voldoende uitgelegd wie haar wanneer welke inlichtingen heeft verstrekt en waarom Grump c.s. gehouden was haar meer inlichtingen te verstrekken. Dit klemt te meer nu Sonterra niet bestrijdt dat [gemachtigde eiseres] welbewust durfkapitaal wenste te verschaffen aan een opstartende onderneming en derhalve wist dat de aanloopverliezen omvangrijk zouden kunnen zijn.

4.2.3. Voor zover Sonterra haar vordering baseert op de stelling dat zij met behulp van onjuiste en/of onvolledige informatie is bewogen tot het aangaan van de participatieovereenkomst, zal het gevorderde dan ook worden afgewezen.

4.3. Grump c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zoals gevorderd hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Sonterra worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht 4.784,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 11.291,44.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Grump wanprestatie heeft gepleegd door de van Sonterra ontvangen koopsom voor een ander doel te doen aanwenden dan met Sonterra overeengekomen,

5.2. veroordeelt Grump c.s. hoofdelijk tot vergoeding aan Sonterra van de door Sonterra als gevolg hiervan geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.3. veroordeelt Grump c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Sonterra tot op heden begroot op € 11.291,44,

5.4. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzitter, en mrs. M. van Hees en L.S. Frakes, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.?