Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK0609

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
13/518030-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 19 juni 2009 heeft er een dodelijk ongeval op de Marnixstraat in Amsterdam plaatsgevonden.

De chauffeur van de vrachtwagen die het 12-jarige slachtoffer aanreed, wordt door de rechtbank veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur en een voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is het ongeval aan zijn schuld te wijten. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte het slachtoffer gedurende het aanrijden op de kruising had kunnen zien en ook had moeten zien, en dat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer steeds in de dode hoek van de vrachtwagen heeft gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/518030-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, vijfde meervoudige strafkamer B, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en feitelijk verblijvende op het adres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P.A.M. Wijffels en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.E.F. Parramore en door verdachte naar voren is gebracht.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

primair:

hij op of omstreeks 19 juni 2009 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagen -in de hoedanigheid van beroepschauffeur-, daarmee rijdende over het Marnixplein en/of (vervolgens) op de kruising van het Marnixplein met de Marnixstraat, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], werd gedood;

bestaande dat gedrag hieruit: hij, verdachte, heeft toen aldaar, als bestuurder van een vrachtwagen, gereden over het Marnixplein, komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen en gaande in de richting van de Marnixstraat;

verdachte heeft daarbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, waargenomen dat een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer], eveneens het Marnixplein -komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen en gaande in de richting van de Marnixstraat- bereed;

verdachte is, gekomen bij de kruising van het Marnixplein met de Marnixstraat, naar links afgeslagen, althans is naar links af gaan slaan en heeft zich daarbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende blijven vergewissen, dat hij voornoemde manoeuvre kon verrichten zonder een fietser (zijnde voornoemde [slachtoffer]), welke de Marnixstraat was overgestoken, althans zich op voornoemde kruising bevond, te hinderen;

verdachte is vervolgens met de door hem bestuurde vrachtwagen tegen voornoemde

fietser aangereden en/of aangebotst, waardoor die [slachtoffer] op het wegdek is gevallen;

verdachte heeft (vervolgens) met het rechter voorwiel van de door hem bestuurde vrachtwagen die [slachtoffer] over het wegdek (door)geschoven;

hierdoor werd bovengenoemde [slachtoffer] gedood;

subsidiair:

hij op of omstreeks 19 juni 2009 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagen -in de hoedanigheid van beroepschauffeur-, daarmee rijdende over het Marnixplein en/of (vervolgens) op de kruising van het Marnixplein met de Marnixstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt;

bestaande dat gedrag hieruit: hij, verdachte, heeft toen aldaar, als bestuurder van een vrachtwagen, gereden over het Marnixplein, komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen en gaande in de richting van de Marnixstraat;

verdachte heeft daarbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, waargenomen dat een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer], eveneens het Marnixplein -komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen en gaande in de richting van de Marnixstraat- bereed;

verdachte is, gekomen bij de kruising van het Marnixplein met de Marnixstraat, naar links afgeslagen, althans is naar links af gaan slaan en heeft zich daarbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende blijven vergewissen, dat hij voornoemde manoeuvre kon verrichten zonder een fietser (zijnde voornoemde [slachtoffer]), welke de Marnixstraat was overgestoken, althans zich op voornoemde kruising bevond, te hinderen;

verdachte is vervolgens met de door hem bestuurde vrachtwagen tegen voornoemde

fietser aangereden en/of aangebotst, waardoor die [slachtoffer] op het wegdek is gevallen.

(artikel 5 Wegenverkeerstwet 1994)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 19 juni 2009 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagen – in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over het Marnixplein en vervolgens op de kruising van het Marnixplein met de Marnixstraat, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], werd gedood;

bestaande dat gedrag hieruit: hij, verdachte, heeft toen aldaar als bestuurder van een vrachtwagen, gereden over het Marnixplein, komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen en gaande in de richting van de Marnixstraat;

verdachte heeft daarbij niet waargenomen dat een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer], eveneens het Marnixplein – komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen en gaande in de richting van de Marnixstraat – bereed;

verdachte is, gekomen bij de kruising van het Marnixplein met de Marnixstraat, naar links afgeslagen en heeft zich daarbij niet voldoende vergewist en is zich niet voldoende blijven vergewissen, dat hij voornoemde manoeuvre kon verrichten zonder een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer], welke zich op voornoemde kruising bevond, te hinderen;

verdachte is vervolgens met de door hem bestuurde vrachtwagen tegen voornoemde fietser aangereden, waardoor die [slachtoffer] op het wegdek is gevallen;

verdachte heeft vervolgens met het rechter voorwiel van de door hem bestuurde vrachtwagen die [slachtoffer] over het wegdek (door)geschoven;

hierdoor werd bovengenoemde [slachtoffer] gedood.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair telastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft – zakelijk weergegeven - zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor sprake is van grove schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994), aldus het openbaar ministerie.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zowel van het primair als subsidiair telastegelegde dient te worden vrijgesproken: van het primair telastegelegde wegens – kort gezegd – het ontbreken van de voor de bewezenverklaring van artikel 6 WVW 1994 vereiste mate van schuld, en van het subsidiair telastegelegde wegens het ontbreken van veroorzaken van gevaar aan de zijde van verdachte. Volgens de raadsman is er geen bewijs voor het door de officier van justitie gestelde dat verdachte het slachtoffer rijdend op zijn fiets naar de Marnixstraat heeft kunnen waarnemen; het betreft slechts vermoedens. Verdachte heeft rechtsvoor zijn vrachtwagen een dode hoek van meer dan vier meter en heeft daardoor de fietser die door de verkeersituatie ter plaatse gedwongen werd naar links op de rijbaan te gaan, terwijl verdachte door de verkeersgeleider naar rechts moest uitwijken, niet kunnen waarnemen. Verdachte is vanuit stilstand zeer rustig en oplettend de kruising op gereden, aldus de raadsman.

Verdachte dient volgens de raadsman van het subsidiair telastegelegde ook nog te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. Verdachte heeft het slachtoffer, terwijl verdachte richting Marnixstraat reed, door de dode hoek aan de rechterzijde van de bestuurderscabine niet kunnen zien en daarom hoefde hij ook niet te verwachten dat het slachtoffer zich in de bocht zou kunnen bevinden toen hij linksaf sloeg. Bovendien heeft de verkeersituatie/infrastructuur, in negatieve zin, bijgedragen aan het ongeval, nu het slachtoffer gedwongen werd naar links te gaan omdat het fietspad versmalde, terwijl de vrachtauto door de verkeersgeleider naar rechts moest wijken. Het gedrag van verdachte dient dan ook volgens de raadsman verontschuldigbaar te worden geacht, zodat aan de wettelijk vereiste verwijtbaarheid niet wordt voldaan.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank baseert de beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven, en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Op 19 juni 2009 is [slachtoffer] op de Marnixstraat/het Marnixplein te Amsterdam als bestuurder van een fiets in de flank/achter rechterzijde aangereden door een vrachtwagen bestuurd door verdachte. Het slachtoffer is na de aanrijding voor het rechterwiel van de vrachtwagen gekomen en vervolgens door het rechtervoorwiel over het wekdek doorgeschoven, zeer waarschijnlijk over een afstand van ongeveer 3 meter. Het slachtoffer heeft door de aanrijding inwendig letsel opgelopen en is daaraan overleden i. Verdachte heeft verklaard het slachtoffer niet te hebben opgemerkt. Verdachte is 20 jaar werkzaam als vrachtwagenchauffeur en is bekend in de omgeving ii.

Uit de video-opname afkomstig uit een passerende bus van het Gemeente Vervoer Bedrijf blijkt het volgende. Op het moment dat verdachte met zijn vrachtwagen stilstond op het Frederik Hendrikplantsoen vlak voor de kruising met de Nassaukade te Amsterdam, stond in het voorsorteervak voor rechtsaf/rechtdoor onder meer het latere slachtoffer. De bestuurder van de bus is eerder dan de overige verkeersdeelnemers opgetrokken en weggereden, en is vervolgens bij de bushalte op het Marnixplein gestopt. Vervolgens is te zien dat, nadat een aantal andere weggebruikers de bus is gepasseerd, het slachtoffer rechts langs de bus rijdt met op enkele meters erachter de vrachtwagen van verdachte iii. Verdachte heeft op dat moment het slachtoffer kunnen waarnemen iv. De afstand tussen verdachte en het slachtoffer bedroeg op dat moment ongeveer 6 meter, maar ook bij een kortere afstand, te weten 4 meter, moet verdachte het slachtoffer nog – gedurende enige tijd - hebben kunnen waarnemen v. Wat er daarna precies is voorgevallen, is uit het aanwezige bewijsmateriaal niet goed vast te stellen. Volgens verbalisanten [naam 1] en [naam 2] zal het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk voor de vrachtwagen van verdachte hebben gereden. Het is niet mogelijk gebleken om vast te stellen met welke snelheid en op welke wijze het slachtoffer de kruising van het Marnixplein met de Marnixstraat is overgestoken en of het slachtoffer op het moment van de aanrijding stilstond, zoals door twee getuigen is verklaard vi. Die getuigen geven bovendien een andere plaats aan waar zij het slachtoffer zouden hebben zien staan. Ook is onbekend gebleven wat de afstand tussen verdachte en het slachtoffer was op het moment dat zij over het kruisingsvak reden.vii

4.4. Nadere overwegingen

Schuld

De rechtbank is van oordeel dat het aan verdachtes schuld, in de zin van artikel 6 WVW 1994, te wijten is dat het onderhavige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank oordeelt dat verdachte het slachtoffer, toen deze op de fietsstrook op het Marnixplein fietste, gedurende langere tijd niet alleen had kunnen opmerken, maar ook had moeten opmerken, gezien de uitkomsten van de Verkeersongevals Analyse en de verklaring van de heer [naam 1] als getuige-deskundige ter terechtzitting. Verdachte is een ervaren vrachtwagenchauffeur en hij is bekend met de gecompliceerde verkeerssituatie ter plaatse. Daarbij komt dat bij de nadering van een voorrangskruising zoals het Marnixplein extra oplettendheid vereist is. Toch heeft verdachte het slachtoffer volgens zijn eigen verklaring niet opgemerkt. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte niet voldoende oplettend is geweest.

De rechtbank verwerpt daarmee het door de raadsman gestelde, namelijk dat de stelling verdachte het slachtoffer had moeten zien fietsen, slechts op vermoedens is gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer met betrekking tot de dode hoek niet relevant is voor enige in deze zaak te nemen beslissing omdat vast staat dat verdachte het slachtoffer al voor de kruising, te weten op het Marnixplein, toen het slachtoffer 6, maar minimaal 4 meter voor de vrachtwagen reed, gedurende enige tijd had kunnen zien. Mogelijk heeft het slachtoffer vervolgens bij het links afslaan de Marnixstraat in, op enig moment in de dode hoek van de vrachtwagen gereden, maar dat doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is van oordeel er onvoldoende bewijs is voor de stelling van het openbaar ministerie, dat er sprake is van grove schuld. Volgens de officier van justitie is op de video-opname te zien dat verdachte op het moment dat het slachtoffer voor de vrachtwagen op het Marnixplein reed bezig was met papieren die hij op zijn stuur had liggen. Verdachte zelf heeft dit ontkend, en de rechtbank heeft er in de video-opname onvoldoende aanknopingspunt voor gevonden.

De rechtbank is, al het bovenstaande in aanmerking genomen, van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest, en dat het ongeval aan verdachtes schuld te wijten is.

De rechtbank acht het primair telastegelegde bewezen. Daarom kan bespreking van de verweren van de verdediging ten aanzien van het subsidiair telastegelegde achterwege blijven.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, indien de rechtbank, ondanks zijn pleidooi tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, schuld in enige variant bewezen acht, volstaan kan worden met het opleggen van een werkstraf en/of een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte 20 jaar als vrachtwagenchauffeur werkzaam is en niet eerder een ongeluk heeft veroorzaakt. Verdachte is niet eerder veroordeeld en heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn beroep.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van één en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Het is aan verdachte te wijten dat een ernstig verkeersongeval heeft plaatsgevonden tengevolge waarvan de twaalfjarige [slachtoffer] is komen te overlijden. Dit buitengewoon trieste ongeval en de plotselinge dood van het jeugdige slachtoffer hebben blijkens de verklaring ter terechtzitting van de moeder van het slachtoffer diepe sporen nagelaten in het leven van de nabestaanden.

Het onvoorzichtige rijgedrag met fatale afloop van verdachte rechtvaardigt het opleggen van een forse straf.

De rechtbank acht een werkstraf passend, en heeft daarbij in aanmerking genomen dat het voorval ook op verdachte diepe indruk heeft gemaakt en dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 16 september 2009 niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank acht, gezien de aard en de ernst van het feit, als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De rechtbank houdt ook hier rekening met het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld en voor zijn werkzaamheden als beroepschauffeur afhankelijk is van zijn rijbewijs. Dit is reden deze bijkomende straf geheel in voorwaardelijke vorm op te leggen. De rechtbank beoogt hiermee verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de grootst mogelijke voorzichtigheid te betrachten.

De rechtbank legt lagere straffen op dan door de officier van justitie gevorderd. De reden daarvoor is gelegen in de beslissing van de rechtbank dat er geen sprake is van grove schuld, doch van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte,[verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, met bevel, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.D. Reiling, voorzitter,

mrs. A.H. van Zutphen en F.P. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2009.

De griffier is buiten staat te tekenen.

i 1. Het proces-verbaal met nummer 2009168565-8A van 13 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt

door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 2] en [naam 1], bladzijde 3 en 6;

2. Het proces-verbaal van schouw met nummer 2009168565 van 19 juni 2009, in de wettelijke vorm

opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3], bladzijde 3.

ii Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 oktober 2009 alsmede zijn verklaringen neergelegd in het proces-verbaal met nummer 2009168565-5 van 19 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe

bevoegde opsporingsambtenaren [naam 4] en [naam 1], doorgenummerde bladzijde 36, 38en 39 en in het proces-verbaal met nummer 2009168565-16 van 10 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 4] en [naam 1], doorgenummerde bladzijde 40 t/m 41.

iii Het proces-verbaal van aanrijding-misdrijf met nummer 2009168565-1 van 13 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 4] en [naam 1] (doorgenummerde bladzijde 20) almede de tijdens de behandeling ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2009 in de zittingszaal getoonde videopname.

iv Het proces-verbaal VerkeersOngevals Analyse met nummer 2009168565-5 van 25 juli 2009, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren[naam 1] en [naam 2]., bladzijden 26 t/m 37 en 41.

v Verklaring van [naam 1] als beedigde getuige-deskundige ter terechtzitting van 6 oktober 2009.

vi 1. Het proces-verbaal VerkeersOngevals Analyse met nummer 2009168565-5 van 25 juli 2009, opgemaakt

door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2], bladzijden 41 t/m 42.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] met nummer 2009168565-4 van 19 juni 2009, in

de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 4] en

[naam 1], doorgenummerde bladzijde 43 t/m 44;

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 6] met nummer 2009168565-15 van 30 juni 2009,

in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4],

doorgenummerde bladzijde 53.

vii Het proces-verbaal VerkeersOngevals Analyse met nummer 2009168565-5 van 25 juli 2009, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren[naam 1] en [naam 2], bladzijden 42.

Vonnis (promis) inzake [verdachte]

Parketnummer: 13/518030-09