Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9981

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
405799 / HA ZA 08-2324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beëindigen relatie samenlevers, samenlevingscontract, verrekening zoals overeengekomen heeft feitelijk niet plaatsgevonden

Partijen hebben samengewoond. Zij hebben een samenlevingscontract gesloten. Hierin is iedere gemeenschap uitgesloten, met uitzondering van de inboedel, die aan beide partijen tezamen, ieder voor de helft, toebehoort. Tevens hebben partijen gezamenlijk een woning gekocht. In het samenlevingscontract is opgenomen dat ieder naar rato van zijn bruto-inkomen bijdraagt aan de kosten van gemeenschappelijke huishouding. Het teveel bijgedragene moet verrekend worden. Tot slot is een bepaling opgenomen met betrekking tot de verrekening van overgespaard inkomen. Feitelijk heeft geen verrekening van de bijdragen in de huishoudelijke kosten, noch van het overgespaarde inkomen plaatsgevonden.

De relatie is beëindigd en partijen vragen verdeling en verrekening.

Artikel 141 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing. Evenmin hebben partijen dit artikel analoog van toepassing verklaard. Dat betekent dat verrekening van de bijdragen in de huishoudelijke kosten naar rato van bruto-inkomen alsnog moet plaatsvinden en vervolgens de verrekening van overgespaard inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 405799 / HA ZA 08-2324

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. Knigge,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat voorheen mr C.J. Blauw, thans mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 augustus 2008;

- de akte overlegging producties van de vrouw met producties 1 tot en met 7;

- de conclusie van antwoord, tevens inhoudende een reconventionele vordering, met producties 1 tot en met 11;

- het tussenvonnis van 5 november 2008, waarbij een comparitie van partijen werd gelast;

- de akte overlegging producties van de man, overgelegd op 5 januari 2009, met producties 12 tot en met 14;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens inhoudende vermeerdering van eis (in conventie) overgelegd op 5 januari 2009;

- de akte van de vrouw overgelegd op 5 januari 2009 met producties 15 tot en met 19;

- het proces-verbaal van comparitie van 5 januari 2009;

- de akte van de vrouw van 4 maart 2009 met producties 1 tot en met 3;

- de akte van de man van 4 maart 2009 met producties 15 tot en met 18;

- de akte van de vrouw van 1 april 2009 met productie 21;

- de antwoordakte van de man van 1 april 2009 met producties 19 en 20;

- de akte uitlating producties van vrouw van 15 april 2009;

- de akte uitlating producties van de man van 15 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2. Op 30 juni 2006 hebben zij een samenlevingscontract gesloten.

2.3. De tekst van het samenlevingscontract luidt voor zover van belang als volgt:

Artikel 2 Vermogen

(…)

Inboedel

Inboedel, als bedoeld in artikel 3:5 van het Burgerlijk Wetboek behoort toe aan partijen, tezamen, ieder voor de helft, ongeacht de herkomst van deze zaken of de wijze van financiering daarvan, met uitzondering evenwel van de inboedel die is verkregen krachtens erfrecht of schenking.

Inboedel is alleen dan niet gemeenschappelijk, indien daarvan blijkt uit een door beiden partijen ondertekende verklaring, onverminderd het in de vorige zin bepaalde. Een door beide partijen ondertekende verklaring als hiervoor bedoeld, houdende privézaken van partijen per heden, zal aan deze akte worden gehecht.

Investering in goederen welke (mede) aan de andere partij toebehoren

Partijen zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene partij is onttrokken ten bate van het vermogen van de andere partij, ten bedrage van of naar de waarde ten tijde van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten, danwel in deze overeenkomst ander is bepaald.

De gezamenlijk bewoonde woning

Indien één der partijen bij de verwerving van de in mede-eigendom te verkrijgen en gezamenlijk te bewonen woning uit privé vermogen heeft bijgedragen, verkrijgt deze partij een vordering op de ander gelijk aan het privé betaalde bedrag vermenigvuldigd met het breukdeel waarvoor de andere partij daarin gerechtigd is.

De onderhavig vorderingen zijn eerst opeisbaar indien en zodra de samenleving is beëindigd casu quo de woning is verkocht en (economisch) geleverd en de koopprijs te dier zake is ontvangen.

(…)

Artikel 3 Kosten voor de gemeenschappelijke huishouding

(…)

Draagplichtkosten voor de gemeenschappelijke huishouding

Tenzij partijen anders zijn overeengekomen omtrent de draagplicht voor de kosten voor de gemeenschappelijke huishouding, worden deze kosten naar evenredigheid van het bruto-inkomen van ieder van partijen gedragen.

In deze overeenkomst wordt onder bruto-inkomen verstaan het bruto-inkomen uit arbeid en vermogen (…).

De partij die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten voor de gemeenschappelijke huishouding dan zijn/haar aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van de andere partij. (…)

De vaststelling en verrekening van ieders bijdrage geschiedt bij voorkeur in het jaar volgende op het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft. Het recht op vaststelling en verrekening vervalt twee jaar na het einde van het betreffende jaar.

(…)

Artikel 5 Verrekening overgespaarde inkomen

1. Partijen verplichten zich tegenover elkaar jaarlijks ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun bruto-inkomen niet is besteed ter dekking van de kosten voor de gemeenschappelijke huishouding als hiervoor bepaald.

2. De verrekening geschiedt doordat de verrekenplichtige partij in beginsel binnen tien maanden na afloop van ieder kalenderjaar een zodanig bedrag uitkeert aan de andere partij dat daardoor dat jaar per saldo ieder van partijen de helft heeft genoten van de gezamenlijke inkomen als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Een vordering uit hoofde van verrekening als hier bedoeld, bestaat immer uit het recht op het hier bedoelde bedrag.

3. Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat partijen met een duurzaam oogmerk de gemeenschappelijke huishouding hebben beëindigd

b. (…)

(…)

Artikel 9 Beëindiging samenleving anders dan door overlijden

Verdeling gemeenschappelijke goederen

Indien de samenleving anders dan door overlijden van één der partijen eindigt, worden de gemeenschappelijke goederen verdeeld met toepassing van redelijkheid en billijkheid.

Waardering gemeenschappelijke goederen

De waardering van de gemeenschappelijke goederen geschiedt in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming dienaangaande door een deskundige op verzoek van een der partijen , aan te wijzen door de bewaarder van deze akte.

Gezamenlijk bewoonde woning

(…)

Indien ten tijde van de beëindiging beide partijen eigenaar zijn van de gezamenlijk bewoonde woning, zal de woning met de daarop betrekking hebbende schulden overgenomen worden door diegene van partijen die daarop in redelijkheid de meeste aanspraak maakt, zo nodig vast te stellen door de daartoe bevoegde rechter.

Als bijlage is aan de overeenkomst de volgende pagina gehecht:

Lijst met privébezit 21 juni 2006

[B] [A]

Apothekerskasten houten kist

Zwart leren fauteuil 16-laden kast

Rode De Wit stoel met armleuningen Sony laptop

Hala-lampen en soortgelijken ‘bronzen’/houten beelden

Ladenkast met marmer blad

Speelgoed opbergkisten

Houten blokken en krukjes

Vespa scooter

Bankkluis

Buizenkapstok

Peugeot 307 CC

2.4. Op 1 juli 2006 hebben partijen samen een huis gekocht aan de Oldambtstraat 20 te Amsterdam voor € 510.000,-

2.5. Bij de Rabobank is een hypothecaire lening afgesloten van € 480.000,-.

2.6. Op 6 november 2006 is uit de relatie een zoon geboren, [C] (hierna: [C]).

2.7. Op 6 november 2007 is de relatie beëindigd en heeft de vrouw met [C] de gezamenlijke woning verlaten.

2.8. De man woont tot op heden in de woning en betaalt de vaste lasten.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De vrouw vordert samengevat -

I

primair veroordeling van de man tot betaling van EUR 147.008,33 uit hoofde van de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst, althans een bedrag zoals de rechtbank juist acht, binnen 4 weken na het vonnis, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per dag;

subsidiair afwikkeling van de financiele gevolgen van de beeindiging van de samenleving, alsmede de samenlevingsovereenkomst zoals de rechtbank juist acht.

II

primair veroordeling van de man om mee te werken aan de overdacht aan de man van de gezamenlijk woning, staande en gelegen te (1079 PT) Amsterdam aan de Oldambtstraat 20, binnen 4 weken na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per dag;

Subsidiair veroordeling van de man om volledig mee te werken aan de verkoop van de gezamenlijke woning, staande en gelegen te (1079 PT) Amsterdam aan de Oldambtstraat 20, binnen 1 week na het vonnis, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per dag, waarbij de rechtbank bepaalt dat bij verkoop van voornoemde woning het onderhavige vonnis in de plaats treedt van de akte waarin de man toestemming verleent tot overdracht van de woning aan de koper;

III

primair veroordeling van de man om de auto peugeot 307 CC met kenteken 15-NT-GP op naam van de vrouw te stellen en aan de vrouw af te geven binnen 4 weken na het ten deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

subsidiair veroordeling van de man tot betaling van € 23.750,- zijnde de waarde van de Peugeot 307 CC met kenteken 15-NT-GP ingeval de man de auto wenst over te nemen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

IV

veroordeling van de man tot afgifte van de privé-goederen van de vrouw zoals vermeld op de lijst, als productie 4 overgelegd bij dagvaarding, althans de privé-goederen op voornoemde lijst, zoals de rechtbank juist acht, binnen 2 weken na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

V

veroordeling van de man aan de verdeling en afgifte van de inboedel van de gezamenlijke woning, waarbij aan de vrouw de zaken worden toegescheiden zoals de vrouw op de lijst heeft aangegeven, als productie 4 overgelegd bij dagvaarding, althans de inboedelzaken op voornoemde lijst zoals de rechtbank juist acht, binnen 2 weken na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

IV

veroordeling van de man in de buitengerechtelijke kosten van € 2.842,-;

VII

veroordeling van de man in de proceskosten en nakosten.

3.2. De vrouw heeft op 5 januari 2009 haar eis vermeerderd en gevorderd dat

I

de man wordt veroordeeld aan de vrouw te betalen een bedrag van € 14.950,- vermeerderd met € 1.150,- voor elke maand dat de gezamenlijke woning niet is overgedragen aan de man of een derde door verkoop, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden, althans een bedrag zoals de rechtbank juist acht;

II

de man wordt veroordeeld een bedrag van € 100,- te betalen als schadevergoeding als gevolg van het geforceerde stuurslot van de Peugeot 307 CC Cabrio met kenteken 15-NT-GP.

3.3. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. De man vordert samengevat - veroordeling van de vrouw

a. tot betaling van EUR 13.194,- terzake de kosten van de woning, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 november 2007 tot de dag van voldoening en vanaf 1 november 2008 tot betaling van EUR 1.099,- per maand vóór iedere eerste van de maand;

b. tot betaling van EUR 9.222,- terzake schade aan de auto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 oktober 2008;

c. tot betaling van EUR 61.235,- terzake afrekening kosten huishouding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 oktober 2008;

d. tot betaling van € 7.532,- terzake overgespaard inkomen, vemeerderd met wettelijke rente vanaf 8 oktober 2008;

met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

3.5. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

Reikwijdte van de samenlevingsovereenkomst

4.1. Partijen hebben aanvankelijk gedebatteerd over de vraag of de samenlevingsovereenkomst ook van toepassing moet worden geacht op de periode van samenleving voorafgaand aan het afsluiten van de overeenkomst. De vrouw had zich op het standpunt gesteld dat dit het geval was, en dat uitleg van de overeenkomst volgens de Haviltexcriteria tot die conclusie zou moeten leiden. De man stelde zich op het standpunt dat de samenlevingsovereenkomst ziet op de periode van het moment van sluiten tot de beëindiging van de samenleving op 6 november 2007.

4.2. Na de comparitie is door de vrouw een aangepast rapport van ACCON/AVM overgelegd, dat zich beperkt tot de periode van 30 juni 2006 tot en met 6 november 2007. Het is de rechtbank niet duidelijk of de vrouw hiermee haar standpunt met betrekking tot de terugwerkende kracht van de samenlevingsovereenkomst heeft laten varen. De rechtbank zal daarom, mogelijk ten overvloede, dit geschilpunt bespreken.

4.3. Als uitgangspunt geldt dat de overeenkomst gelding heeft vanaf het moment waarop deze gesloten wordt. Op zichzelf is het mogelijk dat partijen de werking van de overeenkomst van toepassing verklaren op een reeds verstreken periode. Dat is in dit geval niet gebeurd. De vrouw stelt dat uitleg volgens de Haviltexcriteria leidt tot de conclusie dat partijen zulks wel hebben beoogd. Daartoe stelt zij dat de relatie reeds langer bestond en dat partijen al sinds 2005 samenwoonden. Zij hebben met het oog op de aankoop van een gezamenlijk huis de samenlevingsovereenkomst afgesloten. Partijen leefden voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst op dezelfde wijze als daarna.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat partijen hebben bedoeld de overeenkomst van toepassing te verklaren op de achterliggende periode. Juist de aankoop van het huis heeft hen er kennelijk toe gebracht hun relatie contractueel te regelen, terwijl zij daartoe blijkbaar voor die tijd geen noodzaak hadden gezien. Toepassing van de Haviltexcriteria kan dan ook niet leiden tot de uitleg zoals de vrouw die voorstaat. De rechtbank gaat ervan uit dat de overeenkomst betrekking heeft op de periode van 30 juni 2006 tot en met 6 november 2007.

4.5. Partijen zijn het erover eens dat de gezamenlijke eigendommen verdeeld moeten worden, te weten de woning en de inboedel, en dat afrekening van de kosten van de huishouding en verrekening van overgespaard inkomen dient plaats te vinden. Voorts hebben partijen over en weer vorderingen ingediend samenhangend met de Peugeot. De rechtbank ziet daarin aanleiding de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk te bespreken.

Inboedel

4.6. De vrouw wenst, naast de privé-goederen die op de bijlage bij de overeenkomst zijn vermeld, nog een aantal zaken te ontvangen die zij gedurende de samenwoning persoonlijk als geschenk heeft ontvangen. Zij verwijst naar de lijst die zij als productie 4 in het geding heeft gebracht.

Wat de inboedelgoederen betreft maakt de vrouw aanspraak op een aantal zaken die eveneens op de lijst zijn vermeld die als productie 4 is overgelegd. Ook hieronder bevinden zich, blijkens haar aantekening op deze lijst, een aantal persoonlijke geschenken. Indien de op de lijst genoemde goederen aan de vrouw zouden worden toegescheiden, zou de man met € 3.000,- zijn overbedeeld, op vergoeding van welk bedrag de vrouw eveneens aanspraak maakt.

4.7. De man stelt dat de inboedelgoederen aan partijen gezamenlijk toebehoren, ieder voor de helft. Dat de vrouw deze goederen als geschenk zou hebben ontvangen doet niet terzake, aldus de man. De man stelt voorts dat de vrouw op 27 maart 2008 een groot aantal inboedelbestanddelen uit de woning heeft meegenomen. Na bemiddeling door de politie heeft de vrouw een aantal goederen weer teruggegeven.

De inboedel dient te worden verdeeld met toepassing van de redelijkheid en billijkheid. Naar de mening van de man moeten op grond daarvan de inboedelgoederen worden verdeeld aan die partij die voor de goederen heeft betaald. De man wenst daarom dat de inboedel zonder verrekening aan hem wordt toebedeeld.

4.8. Ter comparitie heeft de man gesteld dat de vrouw alles mag hebben wat op de lijst staat (productie 4) als zij hem € 3.000,- betaalt.

4.9. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Volgens de samenlevings¬over¬een¬komst behoren de inboedelgoederen ongeacht hun herkomst beide partijen toe, ieder voor de helft, met uitzondering van de goederen die op de bijlage bij de overeenkomst staan, en met uitzondering van inboedelgoederen die krachtens erfrecht of schenking zijn verkregen.

4.10. Voor zover de vrouw afgifte aan haar vordert van de goederen die zij op productie 4 onder het kopje ‘privé lijst’ heeft vermeld, staat vast dat deze op de bijlage bij de samenlevingsovereenkomst zijn vermeld. De vrouw heeft ter comparitie verklaard dat zij deze goederen nog niet heeft teruggekregen. Dit is door de man niet, althans onvoldoende weersproken, zodat de vordering in zoverre kan worden toegewezen.

Voorts vraagt de vrouw om afgifte van een aantal goederen die zij heeft vermeld onder het kopje ‘persoonlijke geschenken’ alsook van een aantal goederen die zij heeft vermeld onder het kopje ‘inboedel’ maar die zij heeft voorzien van de aantekening ‘persoonlijk geschenk’.

4.11. Het onderscheid tussen beide categorieën ontgaat de rechtbank. Wel stelt zij vast dat de ski’s en skistokken niet als inboedel kunnen worden beschouwd en derhalve ook niet als gezamenlijke goederen. Dat deze goederen aan de vrouw zijn geschonken is door de man niet betwist, zodat zij als haar eigendom hebben te gelden en de vordering in zoverre derhalve toegewezen kan worden. De overige goederen die door de vrouw als geschenken zijn aangemerkt zijn wel te beschouwen als inboedelgoederen.

4.12. De stelling van de man dat niet terzake doende is dat zij deze inboedelgoederen als persoonlijk geschenk heeft ontvangen, is onvoldoende onderbouwd. Immers, de tekst van de overeenkomst maakt ten aanzien van de gedeelde eigendom een uitzondering voor inboedelgoederen die zijn verkregen krachtens schenking. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom geschonken goederen desondanks tot de gezamenlijke inboedel moeten worden gerekend.

4.13. De gezamenlijke inboedelgoederen zullen verdeeld moeten worden, waarbij in beginsel ieder de helft van de (waarde van de) goederen toekomt. De rechtbank volgt de man niet in zijn betoog dat de redelijkheid en billijkheid zouden meebrengen dat de goederen, zonder verrekening, zullen worden toegescheiden aan degene die de goederen heeft betaald. Immers, blijkens de tekst van de overeenkomst hebben partijen nu juist de herkomst van de goederen niet van belang geacht en de gedeelde eigendom van die goederen beoogd, behoudens erfrechtelijke verkrijging en schenking.

4.14. Nu de man heeft verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen de toescheiding van de op productie 4 vermelde goederen aan de vrouw, mits daar betaling van € 3.000,- tegenover staat, ziet de rechtbank aanleiding deze goederen -voor zover niet als persoonlijk geschenk aangemerkt- inderdaad aan de vrouw toe te scheiden.

Welk bedrag vervolgens aan overbedeling moet worden voldaan en door wie kan de rechtbank op basis van de stellingen van partijen niet vaststellen. Daarvoor is immers van belang welke goederen tot de gezamenlijke inboedel behoorden en welke waarde daaraan moet worden verbonden. De vrouw heeft weliswaar ter zitting verklaard een opstelling te hebben gemaakt van de inboedel, maar zij heeft deze opstelling (nog) niet in het geding gebracht.

4.15. De rechtbank verzoekt partijen daarom op de in het dictum genoemde roldatum alsnog een overzicht in het geding te brengen van alle inboedelgoederen die verdeeld moeten worden, waarop tevens de waarde van al deze goederen wordt vermeld.

4.16. Indien partijen het niet eens blijken te zijn over de waarde van de inboedelgoederen, zal een deskundige moeten worden benoemd om de waarde te bepalen. Het verdient aanbeveling wanneer de raadslieden voorafgaande aan het overleggen van het overzicht contact met elkaar hebben teneinde vast te stellen of partijen het eens zijn over de samenstelling en de waarde van de inboedel(goederen), danwel daarover een schikking kunnen bereiken, of een eenparig voorstel kunnen doen voor een deskundige die de inboedel zal kunnen taxeren.

Auto

4.17. Op de bijlage bij de samenlevingsovereenkomst (21 juni 2006) staat de Peugeot 307 CC vermeld als eigendom van de man. Deze auto was een aantal maanden daarvoor aangeschaft door de man. Het kentekenbewijs staat op zijn naam en ook de verzekering is op zijn naam afgesloten.

De kosten van de auto zoals verzekeringspremie, wegenbelasting en benzine zijn betaald van de gezamenlijke rekening.

4.18. De vrouw stelt dat de auto, in weerwil van de bijlage bij de overeenkomst, haar eigendom is. De auto zou door de man aan haar zijn geschonken op haar verjaardag op 1 april 2006. Zij verwijst naar verklaringen van familieleden en vrienden die op haar verjaardag waren. Volgens de vrouw is de auto in de overeenkomst als eigendom van de man vermeld, omdat het kentekenbewijs op zijn naam was gesteld. Dit laatste had te maken met opgebouwde no-claim en het feit dat hij een extra parkeervergunning had. De vrouw onderkent dat de samenlevings¬overeen¬komst, als notariële akte, dwingende bewijskracht oplevert van de eigendoms¬rechten van de man, maar biedt daarvan nadrukkelijk tegenbewijs aan.

4.19. De man betwist dat er ooit eigendomsoverdracht ten titel van schenking heeft plaatsgevonden. De mededeling op de verjaardag dat sprake zou zijn van een cadeau aan de vrouw berustte op een grap. Hij wijst erop dat vermelding van de auto als zijn eigendom in de latere overeenkomst hiermee ook niet te rijmen is, evenmin als de gezamenlijke betaling van de kosten.

4.20. Weliswaar heeft de vrouw een aantal verklaringen overgelegd die erop wijzen dat bij gelegenheid van haar verjaardagsfeest door de man de mededeling is gedaan dat de auto een verjaarscadeau aan haar betrof, welke verklaringen door de man niet zijn weersproken, maar die verklaringen leveren op zichzelf nog niet het door haar aangeboden tegenbewijs tegen de inhoud van de authentieke akte. Immers, deze verklaringen zijn niet onverenigbaar met de lezing van de man dat die mededelingen een grap waren en leveren geen bewijs van de schenking zelf. De door de vrouw overgelegde verklaring van de garage over de aankoop van de auto levert evenmin nader bewijs hiervan. Uit deze verklaring kan slechts worden opgemaakt dat de verkoper de indruk had gekregen dat de vrouw degene zou zijn die de auto voornamelijk zou gaan gebruiken. Dit gegeven is tussen partijen niet in geschil en geeft geen uitsluitsel over de eigendom van de auto. Het feit dat de kosten van de auto (ook na 1 april 2006) gezamenlijk werden betaald, draagt niet bij aan het bewijs van eigendom van de vrouw, terwijl dit gegeven wel zou passen in de lezing van de man, die erop neer komt dat de auto weliswaar zijn eigendom is, maar dat deze -mede- door de vrouw werd gebruikt.

4.21. Met de man is de rechtbank bovendien van oordeel dat de door de vrouw gestelde schenking, moeilijk te rijmen is met vermelding van de eigendom van de man in de samenlevings¬overeenkomst die van later datum is. De verklaring die de vrouw geeft voor de vermelding van de auto als eigendom van de man in deze overeenkomst, sluit niet. Deze overeenkomst strekt er immers toe de vermogensrechtelijke verhouding tussen de man en de vrouw te regelen en is in dat kader onder meer bestemd ten opzichte van elkaar ieders persoonlijke eigendommen te bewijzen. Op wiens naam het kenteken en de verzekering staan en om welke reden, is in hun onderlinge verhouding niet relevant.

4.22. De rechtbank overweegt dat de bewijslast van de stelling dat de auto haar eigendom is, op de vrouw rust. Zij is immers degene die, onder meer, afgifte van de auto vordert. Om die stelling te kunnen bewijzen zal tenminste het dwingend bewijs dat volgt uit de authentieke akte moeten worden ontzenuwd. Hetgeen hierboven is overwogen, leidt tot de conclusie dat de vrouw hierin nog niet is geslaagd. De rechtbank zal de vrouw in de gelegenheid stellen het bewijs van haar stelling alsnog te leveren.

4.23. De vrouw wordt verzocht zich op de in het dictum genoemde roldatum uit te laten over de vraag of, en op welke wijze zij dit bewijs wenst te leveren. Indien zij dat wenst te doen door het horen van getuigen, dient zij de door te horen getuigen op te geven, alsmede haar verhinderdata en die van de wederpartij en zo mogelijk die van de getuigen, voor de komende drie maanden.

4.24. Eerst zodra vaststaat wie eigenaar is van de auto kunnen de schadevorderingen over en weer worden besproken.

Woning

4.25. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan de Oldambtstraat 20 in Amsterdam. Zij zijn bovendien gezamenlijk de daarbij behorende hypotheekschuld aangegaan.

4.26. In artikel 9 van de samenlevingsovereenkomst is opgenomen dat de woning moet worden toegescheiden aan degene die daarop redelijkerwijs de meeste aanspraak maakt. De rechtbank stelt vast dat de vrouw geen aanspraak maakt op de woning en primair toescheiding aan de man voorstaat. Ook de man wenst toescheiding van de woning aan hem. De rechtbank ziet daarin aanleiding de man te beschouwen als degene die de meeste aanspraak maakt op de woning, zodat de woning aan hem zal worden toegescheiden. Datzelfde geldt voor de hypothecaire schuld.

4.27. Dit brengt mee dat de vrouw aanspraak maakt op de helft van de overwaarde. Partijen verschillen evenwel van mening over de huidige waarde van de woning.

4.28. De vrouw stelt zich - uiteindelijk - op het standpunt dat de waarde van de woning

€ 725.000,- bedraagt. Zij baseert dit op een op haar verzoek uitgebracht taxatierapport door makelaardij Boersma van 18 februari 2009.

De man betwist dit rapport en verwijst naar een taxatie van 12 februari 2008 van A1 makelaars waarin de waarde van de woning op € 623.000,- werd bepaald. Een tweede NVM makelaar van Makelaarsgroep AMEO heeft de waarde op 4 december 2008 op € 610.000,- vastgesteld. Bovendien is de WOZ waarde door de gemeente op 31 januari 2009 vastgesteld op € 526.000,-.

4.29. De rechtbank constateert dat de getaxeerde waarden fors uiteenlopen, terwijl het

- relatief geringe- tijdsverloop tussen de verschillende waarderingen daarvoor geen afdoende verklaring geeft. Derhalve kan de rechtbank aan geen van de taxaties doorslaggevende waarde toekennen en ziet zij aanleiding op dit punt een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.30. Alvorens een deskundige te benoemen zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. Daarbij heeft het de voorkeur van de rechtbank dat partijen in gezamenlijkheid één deskundige voordragen.

Partijen kunnen zich tevens uitlaten over de hoogte van het voorschot van de deskundige. Bij gebreke van een dergelijke uitlating zal de rechtbank, in overleg met de te benoemen deskundige de hoogte van het voorschot van laatstgenoemde vaststellen.

4.31. Zodra de huidige waarde van de woning vaststaat, kan de te verdelen overwaarde worden berekend. Ten aanzien van de door de man gestelde investeringen in de woning, waaronder de door hem betaalde kosten koper, alsook de betaling van diverse werkzaamheden is het de rechtbank niet geheel duidelijk welke wijze van verrekening partijen hierbij voor ogen staat.

4.32. In de jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat van de waarde van de woning wordt afgetrokken de hypothecaire lening alsook de investeringen die partijen uit privévermogen in de woning hebben gedaan. Partijen hebben ieder recht op de nominale terugbetaling van hun investering. Het resterende bedrag geldt als te verdelen overwaarde.

Het is de rechtbank niet duidelijk hoe in het licht van dit uitgangspunt de navolgende zinsnede van artikel 2 van de samenlevingsovereenkomst begrepen moet worden. Met name is het de rechtbank onduidelijk waarop het woord ‘daarin’ precies terugslaat.

De gezamenlijk bewoonde woning

Indien één der partijen bij de verwerving van de in mede-eigendom te verkrijgen en gezamenlijk te bewonen woning uit privé vermogen heeft bijgedragen, verkrijgt deze partij een vordering op de ander gelijk aan het privé betaalde bedrag vermenigvuldigd met het breukdeel waarvoor de andere partij daarin gerechtigd is.

4.33. De rechtbank verzoekt partijen zich hierover bij akte nader uit te laten.

Voor zover partijen bedoeld hebben hiermee een uitzondering overeen te komen op eerdergenoemd uitgangspunt, in die zin dat géén recht bestaat op nominale terugbetaling van de gedane investering, maar slechts op de helft van dat bedrag, verzoekt de rechtbank partijen om mededeling te doen van de achtergrond van deze afwijking.

4.34. De rechtbank stelt vast dat de man de door hem gedane investeringen in het huis feitelijk heeft ondergebracht bij de huishoudelijke uitgaven, die volgens de samenlevingsovereenkomst, naar rato van hun beider inkomens gedragen dienen te worden. Op zichzelf is goed voorstelbaar dat sommige uitgaven aan het huis zijn te beschouwen als investeringen in het huis, terwijl andere kunnen worden aangemerkt als huishoudelijke kosten. Partijen hebben zich daarover evenwel niet uitgelaten.

Voor zover de man, gelet op het voorgaande, een beroep meent te kunnen doen op de nominale terugbetaling van investeringen uit privévermogen, dient hij een onderscheid te maken tussen de bedragen die als zodanige investering hebben te gelden en de bedragen die als huishoudelijke uitgaven moeten worden beschouwd. De rechtbank verzoekt de man derhalve de door hem gedane uitgaven aan de woning in dat licht uit te splitsen en de rechtbank daarvan mededeling te doen.

Tegelijkertijd wordt de vrouw verzocht haar visie hierop aan de rechtbank mee te delen.

Hypotheeklasten en gebruiksvergoeding

4.35. De man heeft gevorderd dat de vrouw haar aandeel in de door hem betaalde hypotheekrente aan hem vergoedt vanaf 6 november 2007. De hypotheekrente bedraagt € 2.199,20 zodat hij de bijdrageverplichting van de vrouw op € 1.099,- begroot. De vrouw heeft dit bedrag betwist, stellende dat dit een bruto bedrag is, en derhalve reeds daarom niet juist. Bovendien vordert de vrouw een gebruiksvergoeding, nu de man sinds 6 november 2007 alleen het genot van de gezamenlijke woning heeft. Zij begroot deze vergoeding op € 1.150,-, zijnde 4% van de door haar berekende overwaarde van het huis per jaar. In deze berekening is de vrouw nog uitgegaan van de aanvankelijk door haar geschatte waarde van het huis van € 825.000.-.

4.36. De rechtbank overweegt dat partijen gezamenlijk de hypotheeklasten moeten dragen, ongeacht wie de woning bewoont. Beide partijen dienen voor de helft bij te dragen in de maandelijkse lasten. Daartegenover staat evenwel dat de man sinds 6 november 2007 alleen het gebruiksgenot heeft. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat daarvoor een gebruiks¬ver¬goe¬ding betaald moet worden. Het door de vrouw berekende bedrag van € 1.150,- per maand is alleen al onjuist vanwege het feit dat hierbij uitgegaan is van een waarde van € 825.000,- waarvan de juistheid inmiddels ook de vrouw niet meer wordt aangenomen.

4.37. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval de gebruiksvergoeding redelijkerwijs worden bepaald op de volledige hypotheeklasten die reeds door de man worden gedragen. Dit brengt mee dat de vorderingen tegen elkaar weggestreept kunnen worden.

Kosten huishouding

4.38. Partijen menen over en weer een vordering op elkaar te hebben ter verrekening van bijdragen in kosten van huishouding. De vordering van de vrouw is naar haar zeggen geïntegreerd in de berekening van ACCON/AVM en is niet afzonderlijk gespecificeerd.

4.39. De man stelt dat het rapport van ACCON/AVM ten onrechte uitgaat van het bruto-inkomen uit arbeid en vermogen, nu het vermogen slechts een rol speelt wanneer de inkomens ontoereikend zouden zijn, hetgeen niet het geval was. Volgens de man hadden partijen naar verhouding van de inkomens respectievelijk 55% (de man) en 45% (de vrouw) moeten bijdragen in de huishoudelijke kosten. Nu de man stelt

€ 162.723,65 te hebben ingebracht en de vrouw slechts € 21.800,- heeft hij een vordering van € 61.235,- op de vrouw.

4.40. De rechtbank stelt allereerst vast dat in het ACCON/AVM rapport geen aandacht wordt besteed aan de evenredige verdeling van bijdragen in de kosten van de huishouding. Voor zover al wordt verwezen naar de bijdrage in de kosten van de huishouding lijkt het rapport ervan uit te gaan dat deze kosten bij helfte moeten worden gedragen. Het rapport ziet overigens slechts op verrekening van overgespaard inkomen. Mogelijk heeft de accountant aansluiting gezocht bij artikel 141 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dat een regeling geeft voor het geval geen uitvoering is gegeven aan periodieke verrekenbedingen in huwelijkse voorwaarden. De rechtbank stelt echter vast dat in deze zaak geen sprake is van huwelijkse voorwaarden, zodat dit artikel niet van toepassing is. Evenmin hebben partijen te kennen gegeven analoge toepassing van dat artikel voor te staan.

In zoverre is het rapport voor de rechtbank niet bruikbaar. De rechtbank zal dan ook niet zonder meer uitgaan van de conclusies in dit rapport en zelfstandig tot haar berekening komen, terwijl waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van gegevens uit het rapport.

4.41. De rechtbank overweegt dat ingevolge de samenlevingsovereenkomst de huishoudelijke kosten naar evenredigheid van het bruto-inkomen van ieder van partijen worden gedragen, waarbij bruto-inkomen wordt gedefinieerd als het bruto-inkomen uit arbeid en vermogen. Dit brengt mee dat voor de vaststelling van de onderlinge draagplicht niet alleen het inkomen uit arbeid meetelt, maar eveneens het inkomen uit vermogen. Voor zover de man bedoeld heeft te stellen dat het vermogen zelf daarbij niet mag worden betrokken, is dat juist.

4.42. De man heeft op verzoek van de rechtbank gegevens overgelegd over zijn inkomsten in de periode van 30 juni 2006 tot 6 november 2007.Uit de door hem overgelegde jaaropgaven blijkt dat zijn bruto loon in 2006 € 58.207,- bedroeg en in 2007 € 60.815,-. Uit de gedingstukken maakt de rechtbank op dat de man aan de vrouw een uitgedraaide belastingaangifte heeft verstrekt. Deze bevindt zich evenwel niet bij de gedingstukken. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man daarmee niet kan volstaan, en een definitieve belastingaanslag zou moeten overleggen. De rechtbank is met de vrouw eens dat een dergelijke aanslag, indien voorhanden, de voorkeur zou hebben en verzoekt de man de belastingaangiften over de jaren 2006 en 2007 in het geding te brengen en voor zover mogelijk de definitieve belastingaanslagen over diezelfde jaren.

4.43. De vrouw beklaagt zich er voorts over dat de man geen opgave doet van inkomsten uit beleggingen, terwijl die er wel zijn. De rechtbank overweegt daaromtrent dat inkomsten uit beleggingen uit de belastingaangiften/-aanslagen zouden moeten blijken. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat de man in zijn opgave aan de Belastingdienst - die de vrouw kennelijk kent - onvolledig is geweest bij het opgeven van zijn inkomsten uit beleggingen, dan had het op haar weg gelegen concreet aan te geven op welke belegging zij doelt. Nu zij dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

4.44. Van de vrouw heeft de rechtbank geen stukken ontvangen waaruit haar bruto-inkomen over deze periode zou kunnen blijken. Wel heeft de vrouw een aangepast rapport van ACCON/AVM in het geding gebracht. Hierin staan voor beide partijen bedragen aan netto inkomen vermeld zonder dat duidelijk is hoe deze bedragen berekend zijn. In het oorspronkelijk rapport worden ten aanzien van de vrouw twee gelijke bedragen genoemd aan bruto-inkomen over 2006 en 2007, hetgeen doet vermoeden dat daarbij -net als ten aanzien van de man- gemakshalve is uitgegaan van de gegevens over één enkel jaar. Ook heeft de rechtbank geen stukken ontvangen, betrekking hebbend op haar eventuele inkomsten uit vermogen.

De raadsvrouwe van de vrouw heeft ter comparitie toegezegd de man gegevens te zullen verschaffen over het inkomen van de vrouw in de periode van 30 juni 2006 tot 6 november 2007, maar de rechtbank beschikt niet over deze gegevens. Teneinde de onderlinge draagplicht te kunnen vaststellen heeft de rechtbank derhalve alsnog behoefte aan stukken ter onderbouwing van het bruto inkomen (uit arbeid èn uit vermogen) van de vrouw in de periode van 30 juni 2006 tot en met 6 november 2007. Derhalve wordt ook de vrouw verzocht deze gegevens in het geding te brengen.

4.45. Nadat ieders procentuele bijdrageplicht is vastgesteld, dient beoordeeld te worden welk bedrag ieder van partijen heeft bijgedragen en welke gevolgen dat heeft voor de vermeende vorderingen gebaseerd op artikel 3 van de samenle¬vings¬overeen¬komst.

4.46. Zoals de rechtbank reeds ten aanzien van de investeringen in de woning heeft overwogen, verlangt zij van de man een overzicht van de kosten die hij –per jaar- heeft bijgedragen aan de huishoudelijke kosten.

4.47. Voorts verzoekt de rechtbank de vrouw om een inzichtelijk overzicht in het geding te brengen van de bedragen die zij heeft ingebracht ten behoeve van de huishoudelijke kosten, en waarvoor zij niet gecompenseerd is van de en/of rekening.

4.48. Voorts is in het rapport van ACCON/AMV een opsomming opgenomen van geldopnamen van de gezamenlijke rekening door de man. De vrouw stelt dat de man deze bedragen heeft aangewend voor privédoeleinden. De man betwist dat en stelt dat het hier het terugstorten van kosten betreft, die ten behoeve van het huishouden dan wel ten behoeve van werkzaamheden in het huis van de privérekening van de man zijn voldaan. De man somt daartoe een groot aantal werkzaamheden op die aan het huis zijn verricht. Volgens de man hebben partijen juist geprobeerd de verhoudingen zuiver te houden door betalingen ten behoeve van hen beiden die van de privérekening werden gedaan, te compenseren via de en/of rekening.

De vrouw heeft deze werkzaamheden op zichzelf niet betwist. Zij stelt evenwel dat de man moet bewijzen dat hij de opgenomen bijdragen niet privé heeft aangewend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de stellingen van de man onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal dan ook de opnamen door de man buiten beschouwing laten, ervan uitgaande dat de opgenomen bedragen beide partijen ten goede zijn gekomen, zoals de man heeft gesteld.

Overgespaarde inkomsten

4.49. De samenlevingsovereenkomst schrijft voor dat jaarlijks binnen tien maanden na ieder kalenderjaar verrekening plaatsvindt van overgespaard inkomen. Daartoe moet worden samengevoegd hetgeen van hun bruto-inkomen niet is besteed ter dekking van de kosten voor de gemeenschappelijke huishouding als in de overeenkomst bepaald. Partijen hebben voorts ieder recht op de helft van dat bedrag. Alvorens vast te kunnen stellen welk bedrag van ieders bruto-inkomen niet is besteed aan de kosten voor gemeenschappelijke huishouding zal de rechtbank eerst de vordering gebaseerd op artikel 3 van de overeenkomst moeten behandelen.

De rechtbank zal daarbij uitgaan van de bedragen aan bruto inkomsten uit arbeid en bruto inkomsten uit vermogen als hierboven bedoeld. Voorts zal voor iedere partij worden vastgesteld wat zij aan huishoudelijke kosten hebben bijgedragen, of -beter gezegd- hadden moeten bijdragen. Het eventueel resterend bedrag zal als overgespaard inkomen aan partijen ieder voor de helft toekomen.

5. De beslissing

De rechtbank:

In conventie en reconventie

5.1. laat de vrouw toe te bewijzen dat de auto, Peugeot 307 CC met kenteken 15-NT-GP, door de man omstreeks 1 april 2006 aan haar ten titel van schenking in eigendom is overgedragen;

5.2. bepaalt dat, indien bewijs door getuigen wordt verlangd, de getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van de rechter mr. J.F. Aalders;

5.3. bepaalt voorts dat de advocaat van de vrouw zich ter rolle van woensdag 30 september 2009 zal uitlaten over de vraag of en zo ja, hoeveel getuigen zullen worden voorgebracht met vermelding van de verhinderdata van beide partijen, hun raadslieden en mogelijk de getuigen in de maanden oktober tot en met december 2009.

5.4. bepaalt voorts dat de advocaten van beide partijen zich ter rolle van woensdag 30 september 2009 –bij voorkeurig eenparig- zullen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige, als bedoeld in rechtsoverweging 4.30 alsmede over de hoogte van het voorschot;

5.5. bepaalt voorts dat de man ter rolle van woensdag 30 september 2009 van akte zal dienen en stukken in het geding zal brengen met inachtneming van hetgeen is vermeld onder rechtsoverwegingen 4:15, 4:16, 4:33, 4:34, 4:42 en 4:46 en de vrouw op diezelfde roldatum van akte zal dienen en stukken in het geding zal brengen met inachtneming van hetgeen is vermeld onder rechtsoverwegingen 4:15, 4:16, 4:33, 4:34, 4:44 en 4:47;

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Aalders en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.?