Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9963

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
AWB 09-2498 en 09-2454 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bijstand; artikel 40 lid 1 WWB; Anders dan verweerder kan de rechter aan de genoemde feiten niet de conclusie verbinden dat verzoekster met ingang van 27 februari 2009 haar woonstede in Amsterdam heeft prijs gegeven dan wel daartoe de bedoeling heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/2498 en 09/2454 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. S.H.R. van Heeks,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

1. Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 12 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 juli 2009. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

2.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2.3. De voorzieningenrechter (hierna: rechter) is van oordeel, zoals ook met partijen ter zitting is besproken, dat nader onderzoek redelijkerwijs niet verder kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De rechter zal daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.4. Verzoekster heeft sinds 7 oktober 2005 bijstand ontvangen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een telefonische melding dat verzoekster werkzaamheden zou verrichten, heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek zijn onder meer waarnemingen verricht, heeft verzoekster een verklaring afgelegd en is een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres [adres]. De bevindingen en conclusies van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen met afsluitdatum 4 februari 2009.

2.5. Bij primair besluit van 3 maart 2009 heeft verweerder verzoeksters recht op bijstand ingetrokken met ingang van 27 januari 2009. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

2.6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoekster niet woont op het uitkeringsadres [adres] maar verblijf houdt buiten de gemeente [A]. Volgens verweerder is gezien de duur van verzoeksters verblijf buiten de gemeente [A] geen sprake meer van een tijdelijk verblijf elders, dat niet tot wijziging van de woonplaats in de zin van artikel 40 van de WWB leidt. Daaraan doet volgens verweerder niet af dat verzoekster te kennen heeft gegeven te willen terugkeren naar haar woning in [A] zodra de gas- en elektriciteitsmeters weer zijn geplaatst.

2.7. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.8. Verzoekster heeft betoogd dat zij wel degelijk op het uitkeringsadres woont, omdat zij daar dagelijks heeft verbleven, zij daar haar zaken regelt en haar meubels en kleding heeft. Verzoekster is in april 2008 tijdelijk bij familie in [Z] en (later ook) bij een vriend in [D] gaan logeren omdat zij door haar ex-partner werd belaagd. Daarna raakte zij in de zomer van 2008 in verwachting. Daarbij kwam dat haar woning was afgesloten van energie wegens een betalingsachterstand bij energieleverancier Liander. Om zichzelf, haar 10-jarige zoon en haar toekomstige kind warmte, eten en veiligheid te kunnen bieden kon zij niet permanent in haar woning verblijven. Verzoekster heeft een afbetalingsregling getroffen met Liander en verwacht in september 2009 terug te kunnen keren naar haar woning.

2.9. De rechter komt tot de volgende beoordeling.

2.10. In artikel 40, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.11. In artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het BW is bepaald dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede bevindt, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

2.12. In artikel 11, eerste lid, van Boek 1 van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

2.13. De rechter stelt vast dat verweerder de bijstand heeft ingetrokken met ingang van 27 februari 2009 en de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Dat betekent dat in dit geval de door de rechter te beoordelen periode loopt van 27 februari 2009 tot en met 3 maart 2009, de datum van het primaire besluit.

2.14. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft te worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden (zie onder andere CRvB 23 januari 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AZ7064).

2.15. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechter gaat ervan uit dat verzoekster omstreeks 4 april 2008 aan verweerder heeft gemeld dat zij door haar ex-vriend wordt belaagd en dat zij daarom tijdelijk bij haar familie in [Z] gaat logeren. Sindsdien heeft zij bijna elke nacht met haar 11-jarige zoon bij haar moeder in [Z] geslapen en af en toe bij een vriend in [D]. In juni 2008 is verzoekster zwanger geworden. Voorts staat vast dat het uitkeringsadres na geconstateerde energiefraude sinds medio januari 2008 is afgesloten van gas en elektra. Blijkens een brief van energieleverancier Liander van 17 december 2008 is verzoekster een betalingsregeling overeengekomen en dient zij de openstaande schuld van € 5.738,02 vanaf januari 2009 in 17 maandelijkse termijnen af te lossen. Nadat de 9e termijn zal zijn betaald zal er weer een elektriciteitsmeter op het uitkeringsadres worden geplaatst.

2.14. Anders dan verweerder kan de rechter aan voornoemde feiten echter niet de conclusie verbinden dat verzoekster met ingang van 27 februari 2009 haar woonstede in [A] heeft prijs gegeven dan wel daartoe de bedoeling heeft gehad. Weliswaar verbleef eiseres ten tijde in geding al bijna tien maanden in ieder geval gedurende de nachtelijke uren buiten de gemeente [A]. Verzoekster heeft in april 2008 haar woning echter verlaten met de intentie daar weer zo spoedig mogelijk terug te keren. Daarna is zij evenwel zwanger geworden en is zij met haar zoon bij haar moeder blijven slapen, omdat het uitkeringsadres nog steeds was afgesloten van gas en elektriciteit. Verzoekster heeft aangegeven naar haar woning terug te willen keren zodra daar weer gas en elektriciteit beschikbaar is. Uit de door verzoekster getroffen betalingsregeling met Liander blijkt dat er bij correcte betaling na september 2009 weer energie zal worden geleverd op het uitkeringsadres, zodat er ook reëel uitzicht bestaat dat verzoekster daadwerkelijk naar haar woning in [A] terug zal keren. De rechter acht verder van belang dat de zoon van verzoekster nog in [A] naar school gaat, dat de tijdens het huisbezoek op 27 februari 2009 door DWI in de woning van verzoekster waargenomen woon- en leefsituatie overeenstemde met de situatie zoals die door verzoekster bij het even daarvoor bij de DWI gehouden gesprek was beschreven, dat er geen tekenen van onderverhuur zijn geconstateerd en dat verzoekster haar post nog immer op het uitkeringsadres ontvangt.

2.15. Op grond van het voorgaande is de rechter van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster met ingang van 27 februari 2009 geen aanspraak kon maken op bijstand jegens verweerder. De rechter zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet.

2.16. De rechter ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van verzoekster gegrond te verklaren en het primaire besluit van 3 maart 2009 te herroepen. Dit betekent dat het recht op bijstand van verzoekster per 27 januari 2009 herleeft. Gelet hierop bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.17. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, dient verweerder het griffierecht aan verzoekster te vergoeden. Voorts ziet de rechter aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster, die forfaitair worden begroot op € 966,-.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit van 3 maart 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster, begroot op € 966,-;

- draagt verweerder op aan verzoekster het betaalde griffierecht ten bedrage van € 82,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2009.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover het betreft een oordeel in de hoofdzaak (AWB 09/2454 WWB), een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Verzonden op:

DOC: B

SBA