Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9954

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
AWB 09-579 BESTPL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsen van een weigering tot slopen van een pand te Blaricum. Verweerder heeft met de nadere rapportage onvoldoende onderbouwd dat renovatie van het pand mogelijk is; de rechter heeft de weigering niet geschorst maar wel een voorziening getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/579 BESTPL

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen:

[verzoeker],

verzoeker,

gemachtigde: mr. G.J.A.M. Bogaers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum,

verweerder,

gemachtigde: mr. I. M. van Gompel.

1. Procesverloop

De voorzieningenrechter heeft op 11 februari 2009 een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 4 maart 2009 en het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een contra-expertise te doen opstellen over de door verzoeker overgelegde deskundigenadviezen. Bij brief van 8 april 2009 heeft verweerder een deskundigenrapport van Van Doeveren buro voor architektuur (hierna: Van Doeveren) van 2 april 2009 overgelegd. Bij brief van 23 april 2009 heeft verzoeker op de door verweerder in geding gebrachte stukken gereageerd. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven om zonder een nadere zitting uitspraak te doen (artikel 8:57, van de Awb).

2. Overwegingen

2.1 Op 29 september 2008 heeft verzoeker een aanvraag tot het verkrijgen van een sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 van de bouwverordening van de gemeente Blaricum (hierna: de bouwverordening) ingediend voor het slopen van een pand gelegen op het perceel [het pand] (hierna: het pand) Verweerder heeft deze aanvraag tevens aangemerkt als een verzoek tot het verkrijgen van een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de geldende bestemmingsplanvoorschriften.

2.2 Bij aanvraag van 18 maart 2008 heeft verzoeker een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning eerste fase ingediend voor het geheel oprichten van een (nieuwe) woning op het perceel [het perceel] (hierna: het perceel).

2.3 Bij besluit van 29 september 2008 heeft verweerder de gevraagde sloopvergunning en het verzoek tot het verkrijgen van een aanlegvergunning geweigerd. Verweerder heeft daartoe overwogen, dat het pand is gelegen in een beschermd dorpsgezicht. De Monumentencommissie van Blaricum heeft negatief geadviseerd ten aanzien van de sloop van het pand, omdat de woning in zijn typologie, zijnde ligging, situering en detaillering en in zijn kleinschaligheid en terughoudendheid een onmisbaar onderdeel in de samenhang van het beschermde dorpsgezicht van Blaricum vormt.

2.4 Verzoeker heeft tegen het besluit van 29 september 2008 bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft bovendien bezwaar gemaakt tegen de impliciete weigering van verweerder om een beslissing te nemen op de aanvraag om bouwvergunning eerste fase van 18 maart 2008. Verzoeker heeft onderhavig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend en de voorzieningenrechter verzocht tot om het besluit van 29 september 2008 te schorsen en verweerder op te dragen om op het bezwaarschrift en op de sloop- en bouwvergunningaanvraag eerste fase te beslissen.

2.5 Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is het in een beschermd dorpsgezicht verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouder (sloopvergunning). Paragraaf 3.4.2 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 3.20, derde lid, aanhef en onder a van de Wro moet een sloopvergunning worden geweigerd indien ingevolge de Monumentenwet 1988 voor het slopen van een bouwwerk vergunning is vereist en deze niet is verleend.

2.6 Ter plaatse is van kracht het bestemmingsplan “Kom 1e herziening” (hierna: het bestemmingsplan). Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming ‘Woondoeleinden (W)’. Niet in geschil is dat de vervangende nieuwbouw in overeenstemming is met deze bestemming.

2.7 In artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), is bepaald dat het verboden is op de gronden, gelegen binnen het beschermde dorpsgezicht zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: het geheel of gedeeltelijk slopen van hoofdgebouwen. In het vijfde lid is – voor zover hier relevant – bepaald dat alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij de monumentendeskundige omtrent mogelijke aantasting van de waarden van het beschermde dorpsgezicht.

2.8 In artikel 8.1.6, onder e, van de bouwverordening, is bepaald dat een sloopvergunning moet worden geweigerd indien: een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

2.9 Verzoeker heeft allereerst gesteld dat er voor het slopen van het betrokken pand geen sloopvergunning nodig is omdat het pand geen beschermd monument is. De vervangende nieuwbouw is in overeenstemming met het bestemmingsplan, zodat de bouwvergunning niet geweigerd had mogen worden. Voor de sloop is een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het bestemmingsplan niet noodzakelijk, aldus verzoeker. De rechter overweegt hierover het volgende. Ter zitting is gebleken dat het pand niet is aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument maar wel is gelegen in een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Gelet op het bepaalde in artikel 37, van de Monumentenwet enerzijds en artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften anderzijds is mitsdien voor de sloop van een dergelijk pand een monumentensloopvergunning respectievelijk een aanlegvergunning benodigd. Deze stelling van verzoeker kan mitsdien niet slagen.

2.10 Het geschil spitst zich toe op de vraag of de staat van het pand zo slecht is en de met renovatie gemoeide kosten zo hoog zijn dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt kan stellen dat het pand moet worden gerenoveerd, doch dat sloop in de rede ligt.

2.11 Verzoeker heeft rapporten van Van Steennis B.V. van 2 maart 2009 (hierna: Van Steennis) en van Hilhorst Bouwkundig Adviesbureau van 7 november 2008 (hierna: Hilhorst) overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat het renoveren van het pand niet haalbaar is en dat sloop noodzakelijk is vanwege de slechte staat van het pand en de fundering daarvan.

Van Steennis geeft aan dat feitelijk alle constructieve onderdelen in slechte staat zijn. De buitenwanden zijn halfsteens en op diverse plaatsen gescheurd en de noordelijke kopgevel staat letterlijk bol. De muurankers zijn deels geoxideerd. De houten kapconstructie is ernstig aangetast door boktor en houtworm. Hierdoor is de draagkracht van de gehele kapconstructie ernstig verminderd en bestaat de kans dat bij renovatie het pand zal instorten. Renovatie zal feitelijk vrijwel geheel of helemaal gelijk staan aan nieuwbouw, aldus Van Steennis.

Hilhorst komt tot het oordeel dat de algehele staat van de woning slecht is en dat een zeer kostbare renovatie (begroot op bijna 100.000 Euro) dient te worden uitgevoerd. Hilhorst zegt voorts dat het de vraag is of de gevels overeind blijven staan als men begint met renoveren. Hilhorst adviseert het pand gezien de hoge renovatiekosten en de bouwkundige staat geheel te slopen.

Gelet op de slechte staat van het pand had verweerder de gevraagde sloop en aanlegvergunning niet mogen weigeren, aldus verzoeker.

2.12 Verweerder heeft de rapportage van Van Doeveren overgelegd, en stelt zich op het standpunt dat renovatie van het pand mogelijk is, zodat de sloop- en aanlegvergunning terecht zijn geweigerd. Van Doeveren, die op 26 maart 2009 een bouwtechnische opname heeft gemaakt van het pand, stelt het volgende:

“Het casco van de woning verkeert in een redelijke staat. Punt van enig zorg betreft de scheurvorming op de hoek van de achtergevel met de rechter zijgevel. Nader onderzoek moet uitwijzen waarom de scheurvorming en de daarmee gepaard gaand uitbuiging van de gevel heeft plaatsgevonden en wellicht nog steeds plaatsvindt. .. Meten over een wat langere periode kan uitwijzen of de vervorming nog toeneemt of dat er sprake is van een status quo. In dat laatste geval hoeft geen ingrijpende actie te worden ondernomen. Voor onderzoek naar de staat van de fundering is het noodzakelijk om delen van de keienbestrating rond het huis te verwijderen en de fundering op een aantal plaatsen op te graven. Dit vergt echter destructief onderzoek. Voor het overige wordt geadviseerd de gevels geheel opnieuw te voegen met een kalkhoudende mortel waaraan tras is toegevoegd om een grotere mate van waterkerendheid te verkrijgen. Indien wordt overgegaan tot restauratie van de woning verdient het aanbeveling de asbestbeplating van de kap te verwijderen en te vervangen door een nieuw isolerend beschot. Dit geeft tegelijkertijd de gelegenheid om aangetaste delen van de kapconstructie te vernieuwen. … Het vernieuwen van de dakgoot in samenhang met een goede afvoer via de hemelwaterafvoeren is op korte termijn noodzakelijk om een sluipende aantasting door vocht te stippen of te voorkomen. De staat van de kozijnen is redelijk tot matig, lokale reparaties zijn echter goed mogelijk. Bij noodzakelijke reparaties aan ramen en/of deuren verdient het aanbeveling deze –met behoud van een historische profilering- geheel te vernieuwen met de toepassing van monumentendubbelglas. Het interieur is in redelijke tot goede staat. Er zijn geen belemmeringen om het huidige gebruik voort te zetten.”

In de begeleidende brief van 2 april 2009 stelt Van Doeveren dat de conclusie van Hilhorst, inhoudende dat de algehele staat van de woning slecht is en sloop uit financieel oogpunt onontkoombaar is, te kort door de bocht is. Of de renovatie kostbaar is, is afhankelijk van het doel van de renovatie, aldus Van Doeveren. Voorts stelt Van Doeveren dat Van Steennis ten onrechte het rampscenario schetst dat het pand onbewoonbaar is en in feite op instorting staat. Er is weliswaar sprake van enige scheurvorming, maar deze is beperkt van omvang en rechtvaardigt niet de conclusie dat de fundering in zijn geheel in slechte staat zou zijn. Het rapport is vergezeld van foto’s van het pand, waaruit blijkt dat er diverse grotere en langere scheuren in de muren van het pand zitten, waarvan enkelen zijn dichtgesmeerd maar een andere grote scheur (blad 12) niet, en waaruit blijkt dat de rechter zijgevel “licht uitbuikt” (blad 14).

2.13 In zijn reactie op het rapport van Van Doeveren stelt verzoeker dat het rapport zijn deskundigen geen aanleiding geeft om op hun standpunt terug te komen. Verzoeker wijst op een onjuistheid in het rapport van Van Doeveren, waarin wordt gesproken van een kelder, die evenwel niet aanwezig is. De veronderstelling van Van Doeveren dat de scheurvorming verband houdt met de kelder is niet gefundeerd, aldus verzoeker. Bovendien gaat Van Doeveren uit van een onjuist kader waar hij aangeeft dat het pand bewoonbaar is. Dat was niet de vraag, aldus verzoeker.

2.14 Naar voorlopig oordeel van de rechter heeft verweerder met het rapport van Van Doeveren de conclusies uit de rapportage van Van Steennis en Hilhorst vooralsnog onvoldoende weerlegd. Uit het rapport van Van Doeveren blijkt immers dat zowel de muren als de kap vervangen moeten worden en wordt niet uitgesloten dat de fundering niet in orde is. In feite komt dit naar voorlopig oordeel van de rechter neer op algehele renovatie (die overigens een historiserend karakter kan hebben). Verzoeker heeft er voorts terecht op gewezen dat Van Doeveren aangeeft dat het huidige gebruik kan worden voortgezet, terwijl de in geschil zijnde vraag niet is of het pand nog enige tijd kan worden bewoond, maar of, gelet op de staat van het pand, een zowel technisch als financieel verantwoorde renovatie mogelijk is dan wel in redelijkheid tot sloop moet worden overgegaan.

Uit het advies van de Monumentencommissie van Blaricum van 29 oktober 2009 blijkt niet dat de commissie rekening heeft gehouden met de slechte bouwkundige toestand van het pand. Naar voorlopig oordeel van de rechter ligt het in de rede dat verweerder een nader advies vraagt aan de Monumentencommissie met overlegging van de over en weer uitgebrachte deskundigenadviezen, zodat het nadere advies van de Monumentencommissie kan worden betrokken bij de beslissing op bezwaar tegen de weigering van de sloop- en aanlegvergunning.

2.15 Naar voorlopig oordeel van de rechter bestaat er mitsdien twijfel over de vraag of het bestreden besluit in bezwaar zal standhouden. De rechter ziet geen aanleiding het besluit tot weigering van de sloopvergunning te schorsen maar ziet wel aanleiding tot het treffen van de navolgende voorlopige voorziening.

2.16 De rechter ziet aanleiding voor vergoeding van griffierecht en/of een proceskostenveroordeling. De proceskosten worden begroot op €724,50 (2 punten maal factor 1 x € 322,00 en 1 x kwart punt x € 322,00 voor niet tijdig beslissen op aanvraag om bouwvergunning eerste fase).

De rechter beslist als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- gelast verweerder een nader advies van de Monumentencommissie te vragen zoals aangegeven in de overwegingen;

- bepaalt dat verweerder uiterlijk op 15 september 2009 een beslissing neemt op de bezwaren tegen de weigering van de sloop- en aanlegvergunning alsmede op de aanvraag om bouwvergunning van verzoeker.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €724,50,-, te betalen door de gemeente Blaricum aan verzoeker;

- bepaalt dat de gemeente Blaricum aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. V.M. Behrens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2009.

De griffier, De rechter,

is buiten staat te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB