Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9655

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
437830 - KG ZA 09-1967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen, een advocatenkantoor en een vastgoedbedrijf, hebben ten laste van elkaar beslag laten leggen. Zij beschuldigen elkaar ervan in de media onrechtmatige uitlatingen te doen, als gevolg waarvan zij beide schade zouden hebben geleden.

Het advocatenkantoor vordert in kort geding opheffing van het door het vastgoedbedrijf gelegde beslag. Deze vordering wordt afgewezen omdat aannemelijk is dat het vastgoedbedrijf schade heeft geleden als gevolg van de uilatingen van het advocatenkantoor.

Het vastgoedbedrijf heeft een tegenvordering ingesteld. Gevorderd wordt opheffing van het door het advocatenkantoor gelegde beslag. Deze vordering wordt toegewezen omdat niet aannemelijk is dat het advocatenkantoor schade heeft geleden als gevolg van de uitlatingen van het vastgoedbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 437830 / KG ZA 09-1967 SP/MV

Vonnis in kort geding van 8 oktober 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. [voornaam] [X],

wonende te […],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. drs. K.S. Loilargosain, advocaat te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] SERVICES GROUP (EUROPE) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

[Y] N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] PARTICIPATIES B.V.,

gevestigd te Soest,

4. de vennootschap naar buitenlands recht

[Y] INVEST INC.,

gevestigd te Calgary, Alberta (Canada),

5. [voornaam] [Y],

wonende te […],

gedaagden in conventie,

gedaagde sub 5 in conventie tevens eiser in reconventie,

advocaat mr. G.T.J. Hoff te Amsterdam.

Eisers zullen hierna [X] Advocaten en [X] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ook gezamenlijk [Y] (in mannelijk enkelvoud) worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 25 september 2009 hebben [X] Advocaten en [X] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding met dien verstande dat zij ter zitting hun eis hebben aangepast zoals hierna onder 3.1 vermeld. [Y] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. [voornaam] [Y] heeft vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. [X] Advocaten en [X] hebben de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van [X] Advocaten en [X]: [X], die als advocaat optrad voor [X] Advocaten en zichzelf en mr. Loilargosain, die alleen het laatste gedeelte van de zitting heeft bijgewoond.

Aan de zijde van [Y]: […], cfo van [Y] N.V. en mr. Hoff.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. [X] Advocaten is een advocatenkantoor dat zich richt op het bijstaan van beleggers die hebben geïnvesteerd in beleggingsfondsen die hun verplichtingen niet (meer) nakomen. [X] is als advocaat werkzaam bij [X] Advocaten. Verder is hij middellijk aandeelhouder en bestuurder van [X] Advocaten.

2.2. [Y] N.V. is enig aandeelhouder van [Y] Services Group (Europe) B.V. die op haar beurt enig aandeelhouder is van [Y] Participaties B.V. [Y] Participaties B.V. coördineert de uitgave van, en is verantwoordelijk voor de verkoop en marketing van een obligatielening die door [Y] Invest Inc. wordt aangeboden. De desbetreffende obligatielening biedt een rente van 9,5%. [voornaam] [Y] is bestuurder van [Y] Invest Inc. en geeft leiding aan de [Y]-groep.

2.3. [X] is medio januari 2009 telefonisch benaderd door een journalist van het maandblad Vastgoedmarkt. De obligatielening van [Y] is hierbij ter sprake gekomen.

2.4. In het februarinummer van 2009 van Vastgoedmarkt is een artikel verschenen met de titel “[Y] Invest biedt forse rente”. In dit artikel wordt onder meer de mening van [X] over het door [Y] Invest Inc. geboden product weergegeven. Het artikel bevat de volgende passage:

Volgens vastgoedadvocaat [voornaam] [X] is de nieuwe obligatielening ‘simpelweg te mooi om waar te zijn’. ‘[Y] haalt geld op bij particulieren om daarmee zijn schulden af te lossen in Canada’, aldus [X]. Hij signaleert een ‘grote kennisasymmetrie’ tussen [Y] en zijn Nederlandse beleggers ‘die geen verstand hebben van Canadees vastgoed en de schommelingen van de Canadese dollar’. Zijn advocatenkantoor werkt aan een legal opinion over [Y], die binnenkort zal verschijnen. ‘De reden waarom [Y] niet in de Verenigde Staten investeert en wel in Canada is omdat er nog steeds een onderzoek loopt tegen hem door de Amerikaanse toezichthouder SEC’, licht [X] alvast een tipje van de sluier op. [X] vindt het een veeg teken dat [Y] als grote aanbieder niet is aangesloten bij STV of VVF. ‘[Y] heeft letterlijk tegen mij gezegd dat hij lak heeft aan deze organisaties.’ (…)

2.5. [Y] heeft [X] in kort geding gedagvaard te verschijnen voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht. Gevorderd is rectificatie van een vijftal door [X] gedane uitlatingen in het onder 2.4 opgenomen citaat. Tevens is een voorschot op schadevergoeding gevorderd.

2.6. De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht heeft op 1 april 2009 vonnis gewezen. Hierin is geoordeeld dat [X] één van de vijf uitlatingen (te weten de uitlating De reden waarom [Y] niet in de Verenigde Staten investeert en wel in Canada is omdat er nog steeds een onderzoek loopt tegen hem door de Amerikaanse toezichthouder SEC) op straffe van dwangsommen dient te rectificeren. De vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding is niet toegewezen. Onder rechtsoverweging 4.13 is over deze vordering het volgende opgenomen:

[Y] c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade van de gewraakte uitlating hebben, dan wel zullen ondervinden. Voor toewijzing van een voorschot op de schadevergoeding is echter geen plaats aangezien voldoende inzicht in de omvang van de schade ontbreekt.

Tot slot is [X] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [Y].

2.7. [X] is tegen het vonnis van 1 april 2009 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Het gerechtshof heeft nog geen arrest gewezen.

2.8. [X] Advocaten is op 5 augustus 2009 door de raadsman van [Y] per fax en per e-mail gesommeerd uitlatingen over [Y] van haar website te verwijderen omdat die uitlatingen naar de mening van [Y] een onrechtmatig karakter hebben. Binnen een kwartier na ontvangst van de sommatie zijn de uitlatingen van de website verwijderd.

2.9. Op 7 augustus 2009 heeft de redactie van het tijdschrift Miljonair [Y] verzocht te reageren op een tekstkader dat geplaatst zou worden bij een interview met [X]. In dit tekstkader waren – naar de mening van [Y] – een aantal onrechtmatige uitlatingen van [X] over [Y] opgenomen. [Y] heeft [X] gesommeerd deze uitlatingen terug te nemen, waaraan [X] heeft voldaan door de redactie van Miljonair te berichten dat hij het tekstkader niet accordeert. Aan deze kwestie is aandacht besteed in De Telegraaf van 31 augustus 2009.

2.10. Begin augustus 2009 heeft [X] een CD – volgens [X] de zogeheten “[Y]-tapes” – opgestuurd naar de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor nader onderzoek. De AFM stelt zich op het standpunt dat het haar op grond van haar geheimhoudingsplicht niet vrij staat een kopie van die CD aan [Y] te verschaffen. Op 12 en 13 augustus 2009 heeft [X] twee vragenlijsten gestuurd naar [Y]. Naar de mening van [Y] bevatten die vragenlijsten een aantal onjuiste beweringen. Op 13 augustus 2009 heeft [X] Advocaten conservatoir beslag gelegd ten laste van [Y] Participaties B.V. inzake een geschil met een medewerker van die vennootschap voor wie [X] Advocaten optrad. Het tijdschrift Quote en De Telegraaf hebben aandacht besteed aan deze kwestie. Op 14 augustus 2009 is een artikel in De Telegraaf verschenen waarin is opgenomen dat [Y] [X] zou laten achtervolgen.

2.11. Op 17 augustus 2009 heeft [Y] een verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om ten laste van [X] Advocaten en [X] conservatoir (derden)beslag te leggen op roerende en onroerende zaken en op bankrekeningen van [X] Advocaten en [X]. Tevens is verzocht roerende goederen in gerechtelijke bewaring te nemen. Blijkens het verzoekschrift is de grondslag van de vordering van [Y] – kort gezegd – dat [X] Advocaten en [X] al enige tijd onrechtmatige uitlatingen doen over [Y] in de media en op de website van [X] Advocaten als gevolg waarvan [Y] schade lijdt. Inclusief rente en kosten heeft [Y] zijn vordering begroot op € 525.000,-. Dit bedrag bestaat – kort gezegd – uit de kosten die zijn gemaakt in verband met extra gewerkte uren door medewerkers van [Y], advocaatkosten, reputatieschade en vermogensschade als gevolg van verlies van investeerders, ongunstiger financieringsvoorwaarden en daling van de beurskoers van het aandeel [Y] Invest Inc.

2.12. Bij beschikking van 18 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend, met dien verstande dat geen verlof is verleend voor de verzochte gerechtelijke bewaring omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [X] en/of [X] Advocaten de roerende zaken onder het beslag zullen verduisteren. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [Y] begroot op

€ 520.800,- (inclusief rente en kosten).

2.13. Op 18 augustus 2009 heeft [Y] conservatoir (derden)beslag gelegd ten laste van [X] Advocaten onder de ING BANK N.V., de ABN AMRO BANK N.V., F. van Lanschot Bankiers N.V. en op een aantal roerende zaken (kantoorinventaris en Napoleon memorabilia) die zich bevinden in het kantoor van [X] Advocaten. Op dezelfde dag heeft [Y] ten laste van [X] conservatoir (derden)beslag gelegd op de woning van [X] aan de [adres], onder de ABN AMRO BANK N.V., de ING BANK N.V., F. van Lanschot Bankiers N.V. en op een aantal roerende zaken (Napoleon memorabilia) die zich bevinden in de woning van [X].

2.14. Op 19 augustus 2009 hebben [X] Advocaten en [X] een verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht om ten laste van [Y] Participaties B.V. , [Y] Invest Inc. en [voornaam] [Y] conservatoir (derden)beslag te leggen op bankrekeningen, onroerende zaken en aandelen. Blijkens het verzoekschrift is de grondslag van de vordering van [X] Advocaten en [X] – kort gezegd – dat [Y] onrechtmatige uitlatingen doet in de media over [X] Advocaten en [X] en dat zij hierdoor schade lijden. Zij hebben hun vordering, inclusief rente en kosten, begroot op € 1.000.000,-. Dit bedrag bestaat – kort gezegd – uit de kosten die zijn gemaakt in verband met extra gewerkte uren door medewerkers van [X] Advocaten, kosten voor externe adviseurs, reputatieschade en vermogensschade als gevolg van verlies van potentiële cliënten.

2.15. Bij beschikking van 19 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht het gevraagde verlof verleend. Op basis van dit verlof is door [X] Advocaten en [X] ten laste van [voornaam] [Y] conservatoir beslag gelegd op diverse stukken grond in Nederland. De door [X] Advocaten en [X] ten laste van [Y] Participaties B.V. en [Y] Invest Inc. gelegde beslagen hebben geen doel getroffen.

2.16. Op 21 augustus 2009 is naar aanleiding van een persbericht van [X] Advocaten op de website van Vastgoedmarkt een bericht geplaatst over het beslag dat [Y] ten laste van [X] Advocaten en [X] heeft gelegd. In dit bericht is onder meer het volgende opgenomen:

[X] Advocaten vindt het ‘zeer ongepast dat [Y] nu hijzelf blijkbaar niet meer in staat is al zijn eigen medewerkers te betalen ook tracht alle medewerkers van [X] Advocaten te raken’.

2.17. Op 15 september 2009 heeft [Y] een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Utrecht tegen [X] Advocaten en [X]. Gevorderd is – onder meer – een schadevergoeding van € 540.136,14.

2.18. Op 18 september 2009 hebben [X] Advocaten en [X] een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Utrecht tegen [Y] Participaties B.V., [Y] Invest Inc. en [voornaam] [Y]. Gevorderd is een schadevergoeding van € 910.200,-.

2.19. In het tijdschrift Miljonair van september/oktober 2009 is een interview met [X] opgenomen. [X] heeft hierin onder meer de volgende uitlatingen gedaan:

“[X] Advocaten komt op voor de gedupeerden. En dat gaat soms hard, ja. Onze website is onze clusterbom. Mijn directe medewerkers zijn mijn officieren. Mijn leger bestaat uit mijn informanten, mijn verkenners, mijn spionnen – voormalige medewerkers met gewetenswroeging, ex-vrouwen, minnaressen van de vastgoedaanbieders. De media zijn onze stoottroepen. Gratis nota bene.”

(…)

“Mensen kunnen op onze site laten weten wie volgens hen de ‘Nederlandse Madoff’ is. (…) De drie meest genoemde namen tot nu toe zijn (…), [voornaam] [Y] en (…)”.

3. Het geschil in conventie

3.1. [X] Advocaten en [X] vorderen – op straffe van dwangsommen – opheffing van de op 18 augustus 2009 door [Y] gelegde beslagen (zie 2.13), subsidiair opheffing van de door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen beslagen. Ter zitting hebben zij hun eis aangepast in dier voege dat zij opheffing van de gelegde (derden)beslagen vorderen indien en zodra de derdenverklaring van

F. van Lanschot Bankiers N.V. ontvangen is inzake rekeningnummer […] (ten name van [X] Advocaten).

3.2. [X] Advocaten en [X] stellen hiertoe – samengevat weergegeven – allereerst dat uitlatingen die door [X] worden gedaan niet door hem in privé worden gedaan, maar als woordvoerder van [X] Advocaten. [X] is daarom hoe dan ook niet aansprakelijk voor door [Y] geleden schade. Het artikel in Vastgoedmarkt (zie 2.4) over [Y] is tot stand gekomen na hoor en wederhoor. Blijkbaar kon [Y] zich achteraf niet meer met de inhoud van het artikel verenigen en heeft hij een kort geding aanhangig gemaakt bij de rechtbank Utrecht. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis slechts één van de vijf gewraakte uitlatingen onrechtmatig geacht. [X] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, zodat het nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. De vordering waarvoor [Y] thans beslag heeft gelegd is ondeugdelijk in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Het staat geenszins vast dat [Y] schade heeft geleden als gevolg van de uitlatingen van [X] Advocaten en/of [X]. Advocaatkosten en gemiste manuren van medewerkers van [Y] komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze niet als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 BW kunnen worden aangemerkt. Een verband tussen de uitlatingen van [X] Advocaten en het verlies aan investeerders of een daling van de beurskoers is niet aannemelijk. Aannemelijk is dat dit een gevolg is van de wereldwijde crisis. [Y] heeft verder op geen enkele wijze aangetoond dat sprake is van ongunstiger financieringsvoorwaarden. Ook de hoogte van de vordering staat geenszins vast. Een urenspecificatie ontbreekt en de zogenaamde reputatieschade is op geen enkele wijze onderbouwd. Verder zijn de beslagen onnodig omdat [X] Advocaten een gerenommeerd advocatenkantoor is, zodat [Y] niet hoeft te vrezen dat te zijner tijd geen verhaal mogelijk is. Een belangenafweging dient in het voordeel van [X] en [X] Advocaten uit te vallen. De beslagen zijn diffamerend. Handhaving van de beslagen zal grote schade aan de zijde van [X] Advocaten tot gevolg hebben omdat het voor de voortzetting van haar onderneming noodzakelijk is te kunnen beschikken over de beslagen bankrekening en over de daarop door cliënten gestorte en nog te storten bedragen.

Het beslag op de woning van [X] treft geen doel omdat op de woning een hypotheekschuld rust die hoger is dan de waarde van de woning. De Napoleon-memorabilia zijn geen eigendom van [X], maar van Bromios B.V., een door [X] bestuurde vennootschap. Bovendien zijn reeds verplichtingen aangegaan om de Napoleon-memorabilia uit te lenen aan verschillende musea. [X] Advocaten en [X] onderhouden geen relatie met de ING BANK N.V. en met de ABN AMRO BANK N.V. zodat de beslagen onder deze banken geen doel hebben getroffen. [X] Advocaten houdt één rekening aan bij F. van Lanschot Bankiers N.V. (met nummer […]), maar op deze rekening stond ten tijde van het leggen van beslag slechts

€ 256,06. [X] houdt eveneens één rekening aan bij F. van Lanschot Bankiers N.V. (met nummer […]), maar deze rekening kende ten tijde van het leggen van beslag een negatief saldo. Ter zitting heeft [X] € 300,- contant aangeboden aan de raadsman van [Y] teneinde het beslag op de rekening van [X] Advocaten op te heffen. [Y] is wettelijk verplicht dit aanbod te aanvaarden, aldus [X] Advocaten en [X].

3.3. [Y] heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht reeds heeft geoordeeld dat [Y] schade heeft geleden. [X] heeft na het artikel in Vastgoedmarkt, dat onderwerp was van het eerdere kort geding, nog een hele reeks aan negatieve (onrechtmatige) uitlatingen gedaan over [Y]. Als dit gebeurt door een advocaat, die gewoonlijk meer gezag heeft dan een willekeurig iemand, veroorzaakt dit schade. [X] Advocaten en [X] zijn hiervoor hoofdelijk aansprakelijk, nu niet kan worden vastgesteld welke uitlating door wie wordt gedaan. Indien het beslag slechts € 256,06 heeft getroffen, kan de bedrijfsvoering van [X] Advocaten en [X] hiervan niet afhankelijk zijn. Eventuele later op de rekening bijgeschreven bedragen vallen immers niet onder het beslag. Met betrekking tot het beslag op de bankrekeningen bij F. van Lanschot Bankiers N.V. geldt dat van deze bank nog geen derdenverklaring is ontvangen. Niet duidelijk is dus wat onder deze beslagen valt. [Y] is daarom ook niet gehouden de € 300,- die ter zitting zijn aangeboden te accepteren en in ruil daarvoor de beslagen op te heffen. Bestreden wordt dat de Napoleon-memorabilia van Bromios B.V. zijn. Voor zover nodig roept [Y] op grond van artikel 3:45 BW (actio Pauliana) de vernietiging in van de pandakte waarin de goederen aan Bromios B.V. zouden zijn verpand. Tot slot bestrijdt [Y] dat de woning van [X] minder waard is dan de hypotheekschuld die op die woning rust.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [voornaam] [Y] vordert – kort gezegd – opheffing van de ten laste van hem namens [X] Advocaten en [X] gelegde beslagen (zie 2.15). Tevens vordert [voornaam] [Y] om [X] Advocaten en [X] te veroordelen – indien zij wederom ten laste van “eisers in reconventie” verlof tot beslaglegging verzoeken – dit vonnis ter kennis van de voorzieningenrechter te brengen.

4.2. [voornaam] [Y] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat het vorderingsrecht van [X] Advocaten en [X] ondeugdelijk is. [X] Advocaten en [X] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [Y] [X] zwart maakt in de media met als gevolg dat de reputatie van [X] Advocaten en [X] wordt aangetast. Daarbij hebben zij gewezen op een uitlating van [Y] dat hij [X] zou willen “slopen” (in De Telegraaf van 18 maart 2009). Het woord “slopen” is echter nooit door [Y] gebruikt; het is de desbetreffende journalist die deze kop heeft bedacht. In het artikel in De Telegraaf worden overigens geen uitlatingen van [Y] geciteerd maar van zijn advocaat, mr. Hoff. [X] zoekt zelf steeds de publiciteit en het staat [Y] vrij daar op gepaste wijze publiekelijk op te reageren. Zo moet ook de opmerking van [Y] worden gezien dat [X] een “terrorist” is (in Het Financieele Dagblad van 19 augustus 2009). [X] roept dit over zich af door bijvoorbeeld het interview met hem in het magazine Miljonair waarin [X] verklaart dat de website van [X] Advocaten een “clusterbom” is en waarin de suggestie wordt gewekt dat [voornaam] [Y] als een “Nederlandse Madoff” kan worden gezien. Verderop in het interview stelt hij nog dat het doel alle middelen heiligt. Waar van onrechtmatig handelen van [Y] geen sprake is, komt [X] Advocaten en [X] vanzelfsprekend geen recht op schadevergoeding toe, aldus [Y].

4.3. [X] Advocaten en [X] hebben tegen de vordering in reconventie – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat zij schade lijden als gevolg van de negatieve uitlatingen van [Y] in de media. (Potentiële) cliënten van [X] Advocaten haken hierdoor af. Bovendien lijden [X] Advocaten en [X] hierdoor reputatieschade.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Volgens artikel 705 lid 2 Rv kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

5.2. Vaststaat dat [X] zich door middel van het tijdschrift Vastgoedmarkt (zie 2.4) publiekelijk (negatief) heeft uitgelaten over [Y]. Nadien heeft [X] zich nog een aantal keren publiekelijk geuit over [Y], onder meer op de website van [X] Advocaten. [Y] en zijn raadsman hebben meerdere keren (publiekelijk) geprotesteerd tegen uitlatingen van [X] Advocaten en [X], vanwege het – naar de mening van [Y] – onrechtmatige karakter hiervan. Zo is [X] Advocaten bij fax/e-mail van 5 augustus 2009 (zie 2.8) van de raadsman van [Y] gesommeerd uitlatingen van haar website te verwijderen. Uiteindelijk hebben de acties van [X] Advocaten en [X] – door de raadsman van [Y] aangeduid als “corporate stalking” – geresulteerd in het leggen van beslag ten laste van [X] Advocaten en [X] en het aanhangig maken van een bodemprocedure bij de rechtbank Utrecht. Daaraan voorafgaand is over het artikel in het tijdschrift Vastgoedmarkt een kort geding gevoerd waarin de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht heeft geoordeeld dat één uitlating van [X] diende te worden gerectificeerd. Bovendien heeft de voorzieningenrechter in zijn vonnis geoordeeld dat [Y] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade lijdt of zal lijden als gevolg van de gewraakte uitlating (zie 2.6). Reeds hierom kan worden geoordeeld dat de vordering jegens [X] waarvoor [Y] beslag heeft gelegd niet summierlijk ondeugdelijk is in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht de hoogte van de schade in een kort geding niet kon vaststellen, doet hieraan niet af. Een kort geding leent zich immers niet voor een nader onderzoek naar de feiten. Evenmin doet hieraan af dat [X] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter nu op voorhand niet kan worden gezegd dat dit vonnis in hoger beroep geen stand zal houden. Ook ten aanzien van [X] Advocaten geldt dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van [Y] is gebleken. Vaststaat dat ook [X] Advocaten zich (onder meer op haar website) negatief over [Y] heeft uitgelaten. In de gegeven omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat een bodemrechter zal oordelen dat deze uitlatingen, in onderling verband en samenhang bezien, onrechtmatig zijn jegens [Y] en dat [Y] als gevolg van die uitlatingen schade heeft geleden. Bij het oordeel dat de vordering van [Y] niet summierlijk ondeugdelijk is, is van belang dat de uitlatingen over [Y] zijn gedaan door een advocaat (al dan niet via diens kantoor), die zich presenteert als deskundige op het gebied van vastgoedfraude, en dat aan de woorden van een advocaat in het algemeen meer waarde zal worden gehecht dan aan de woorden van een “gemiddelde” persoon. Daar komt bij dat [Y] investeert in vastgoed, een branche die het bij uitstek moet hebben van vertrouwen. Om die reden zal snel sprake zijn van reputatieschade.

5.3. Het door [Y] gelegde beslag is terecht gelegd ten laste van zowel [X] Advocaten als ten laste van [X]. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat een bodemrechter zowel [X] als [X] Advocaten aansprakelijk zal houden omdat niet duidelijk kan worden vastgesteld wanneer [X] voor zichzelf spreekt (bijvoorbeeld in interviews met de media) of namens [X] Advocaten (bijvoorbeeld op haar website). [X] Advocaten en [X] zijn daarom voorshands hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:102 lid 1 BW).

5.4. De overige stellingen van [X] Advocaten en [X] kunnen evenmin leiden tot opheffing van de door [Y] gelegde beslagen. In dit verband wordt vooropgesteld dat de vordering van [X] Advocaten en [X] tot opheffing van de door [Y] gelegde beslagen op twee gedachten hinkt. Onder A.2 van de dagvaarding is opgenomen dat de beslagen hoofdzakelijk geen doel treffen omdat de bankrekeningen van [X] Advocaten en [X] een gering saldo respectievelijk een negatief saldo kennen, omdat de kantoorinventaris en de Napoleon-memorabilia geen eigendom zijn van [X] Advocaten en [X] en omdat de woning van [X] een “onderwaarde” kent. Onder D.2 van de dagvaarding is daarentegen opgenomen dat [X] Advocaten en [X] grote schade lijden als gevolg van de beslagen omdat zij lonen en rekeningen van leveranciers moeten kunnen betalen alsmede omdat zij verplicht zijn tot afdracht van loonbelasting, omzetbelasting en premies sociale verzekering.

Ten aanzien van de afzonderlijke stellingen van [X] Advocaten en [X] wordt voorts het volgende overwogen:

(1) De enkele stelling dat [X] Advocaten een gerenommeerd advocatenkantoor is, vormt geen grond voor opheffing van het beslag. Hetzelfde geldt voor het enkele feit dat beslagen diffamerend (kunnen) zijn.

(2) Niet aannemelijk is dat [X] Advocaten en [X] door het niet kunnen beschikken over hun bankrekeningen grote schade lijden. Naar eigen zeggen heeft het beslag op die bankrekeningen amper doel getroffen. Indien na het leggen van het beslag gelden op die bankrekeningen worden gestort, kunnen [X] Advocaten en [X] daar vrijelijk over beschikken. Een afweging van belangen valt daarom niet in het voordeel uit van [X] Advocaten en [X].

(3) Indien [X] Advocaten en [X] worden gevolgd in hun stelling dat de kantoorinventaris en de Napoleon-memorabilia eigendom zijn van derden, dan heeft het beslag geen doel getroffen.

(4) Het conservatoire beslag op de Napoleon-memorabilia – ook als deze wel aan [X] of [X] Advocaten zouden toebehoren – staat niet per definitie in de weg aan het uitlenen daarvan aan musea. Voorstelbaar is dat een beslaglegger, mits onder bepaalde garanties, toestemming verleent voor het tentoonstellen van de memorabilia in bepaalde musea.

(5) Al zou sprake zijn van een “onderwaarde” van de woning van [X], hetgeen [Y] gemotiveerd heeft betwist, dan maakt dit niet dat het beslag onrechtmatig zou zijn. Onder omstandigheden mag beslag op onroerend goed ook als een drukmiddel worden aangewend. Daarnaast heeft [X] ter zitting kenbaar gemaakt geen verkoopplannen te hebben met betrekking tot zijn woning.

(6) Ook het aanbod ter zitting van [X] om € 300,- te betalen, maakt niet dat de beslagen moeten worden opgeheven. [X] Advocaten en [X] hebben niet bestreden dat van F. van Lanschot Bankiers N.V. nog geen zogenaamde derdenverklaring is ontvangen, zodat thans nog niet bekend is op welk saldo het beslag is gelegd. Daarnaast bepaalt artikel 705 lid 2 Rv dat een conservatoir beslag dat is gelegd voor een geldvordering moet worden opgeheven indien voor die vordering (in dit geval € 520.800,-, zie 2.12) voldoende zekerheid wordt gesteld, niet indien zekerheid wordt gesteld voor zover het beslag doel heeft getroffen.

5.5. Ook de ter zitting aangepaste eis van [X] Advocaten en [X] is niet toewijsbaar. Weliswaar heeft [X] Advocaten gesteld dat op haar beslagen bankrekening “slechts” een bedrag van € 256,06 stond, maar zolang de derdenverklaring van F. van Lanschot Bankiers N.V. niet is ontvangen, kan hier niet zonder meer van worden uitgegaan.

5.6. De slotsom is dat de vorderingen zullen worden afgewezen. [X] Advocaten en [X] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Y] worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.078,00

6. De beoordeling in reconventie

6.1. De vordering in reconventie ziet eveneens op opheffing van conservatoire beslagen, zodat ook hier het onder 5.1 weergegeven criterium geldt.

6.2. Partijen hebben thans over en weer beslag gelegd op basis van de stelling dat zij (publiekelijk) onrechtmatige uitlatingen over elkaar hebben gedaan. [X] Advocaten en [X] hebben echter niet, zoals [Y] dit heeft gedaan, een “dossier” opgebouwd. Zo is [Y], voorafgaand aan de beslaglegging, niet gesommeerd (beweerde) onrechtmatige uitlatingen over [X] Advocaten en [X] te staken. [X] heeft ter zitting zelf verklaard dat het enkele feit dat [Y] op 18 augustus 2009 conservatoir beslag heeft gelegd ten laste van [X] Advocaten en [X] reden is geweest om “zijn mensen een nachtje te laten doorwerken” zodat een dag later ten laste van [Y] eveneens beslag kon worden gelegd. Deze verklaring vormt reeds een aanwijzing voor de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering van [X] Advocaten en [X] op [voornaam] [Y].

6.3. Daarnaast dient [voornaam] [Y] te worden gevolgd in zijn stelling dat de uitlatingen die hij publiekelijk heeft gedaan over [X] niet meer zijn dan een gepaste reactie op de uitlatingen van [X] over [Y], waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat [X] zelf steeds de publiciteit zoekt. Op voorhand kan daarom niet worden gezegd dat de uitlatingen van [Y] onrechtmatig zijn. De uitlatingen van [X] dat zijn website als “clusterbom” fungeert, dat [voornaam] [Y] als een “Nederlandse Madoff” kan worden gezien en dat het doel de middelen heiligt, geeft de uitlating van [Y] dat [X] als “terrorist” kan worden aangemerkt of dat hij [X] Advocaten wil “slopen” (als dit al de eigen woorden van [voornaam] [Y] zijn geweest) voorshands geen onrechtmatig karakter, nog daargelaten de vraag of [X] Advocaten en [X] als gevolg daarvan schade als door hen gesteld hebben geleden. De vordering van [X] Advocaten en [X] op [Y] is dan ook summierlijk ondeugdelijk als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. De ten laste van [voornaam] [Y] gelegde beslagen zullen dan ook worden opgeheven.

6.4. [voornaam] [Y] heeft eveneens gevorderd om [X] Advocaten en [X] te gebieden een kopie van dit vonnis te overleggen aan de voorzieningenrechter indien zij opnieuw verlof vragen om ten laste van “eisers in reconventie” beslag te leggen. Hetgeen onder 6.2 en 6.3 is overwogen rechtvaardigt toewijzing van deze vordering, met dien verstande dat deze veroordeling alleen zal gelden indien ten laste van [voornaam] [Y] opnieuw beslagverlof wordt gevraagd. Andere eisers in reconventie zijn er immers niet. De dwangsom die aan deze veroordeling zal worden verbonden zal worden gematigd als hierna te melden.

6.5. [X] Advocaten en [X] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [voornaam] [Y] worden echter – gezien de samenhang met het geding in conventie – begroot op nihil.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

7.2. veroordeelt [X] Advocaten en [X] in de proceskosten, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op EUR 1.078,00,

7.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4. heft op de door [X] Advocaten en [X] ten laste van [voornaam] [Y] op basis van het verlof van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2009 gelegde beslagen,

7.5. veroordeelt [X] Advocaten en [X] om – indien zij opnieuw verlof vragen aan de voorzieningenrechter om ten laste van [voornaam] [Y] beslag te leggen – een kopie van dit vonnis te overleggen, op straffe van een dwangsom van

€ 10.000,- per overtreding van deze veroordeling,

7.6. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.7. veroordeelt [X] Advocaten en [X] in de proceskosten, aan de zijde van [voornaam] [Y] tot op heden begroot op hihil,

7.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2009.?