Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9308

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
AWB 08-3973 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Termijn waarbinnen verweerder had moeten beslissen ruimschoots verstreken. Oplegging dwangsom wegens lange duur van de procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/3973 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende in Marokko,

eiser,

gemachtigde: mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Sluijs.

1. Procesverloop

Eiser ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 23 juni 2003 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiser met ingang van 29 december 2003 ingetrokken.

Op 2 juni 2005 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om terug te komen op het besluit van 23 juni 2003. Eiser heeft verweerder voorts - zo begrijpt de rechtbank - verzocht om hernieuwde toekenning van de WAO-uitkering en verzocht om een herbeoordeling in het kader van de Wet Amber (hierna: Amber beoordeling) te laten plaatsvinden. Eiser heeft de verzoeken herhaald bij brieven van 5 augustus 2005 en 8 februari 2007.

Eiser heeft bij brief van 12 oktober 2007 bezwaar gemaakt tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op zijn verzoek om terug te komen op het besluit van 23 juni 2003. Namens eiser is op 28 november 2007 voornoemd bezwaar herhaald en bezwaar gemaakt tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op zijn verzoek om - kort gezegd - een Amber beoordeling te laten plaatsvinden.

Bij beroepschrift van 9 oktober 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om terug te komen op het besluit van 23 juni 2003, toekenning en verhoging van de WAO-uitkering.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij primair besluit van 18 november 2008 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 23 juni 2003.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2009. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verweerder op 21 mei 2009 een primair besluit heeft genomen op het verzoek van eiser om een Amber beoordeling te laten plaatsvinden.

2. Overwegingen

2.1. Standpunt eiser

2.1.1. Eiser heeft aangevoerd dat de beslistermijn in bezwaar is overschreden. Hij heeft belang bij een spoedige afhandeling van het bezwaar. Als gevolg van de lange afhandelingsduur verkeert eiser in een onzekere en machteloze positie. Verweerder heeft volgens eiser geen enkele indicatie gegeven wanneer een besluit op bezwaar zal worden genomen. Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot immateriële schadevergoeding en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 december 2004 (LJN: AR7273).

Eiser heeft de rechtbank voorts verzocht te bepalen dat verweerder binnen veertien dagen na dagtekening van de uitspraak een besluit neemt op bezwaar en overgaat tot betaling van het tegoed aan uitkering. Dit op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag, waarover verweerder in gebreke is met de voldoening daarvan.

2.2. Wettelijk kader

2.2.1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift tegen een dergelijk besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

2.2.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient verweerder binnen zes weken of - indien een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift te beslissen. Deze termijn kan volgens het derde lid van artikel 7:10 van de Awb met ten hoogste vier weken worden verdaagd.

2.2.3. Ingevolge artikel 87c van de WAO beslist het UWV binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.

2.2.4. Ingevolge artikel 87d van de WAO beslist het UWV, indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, binnen zeventien weken of, indien zij advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen eenentwintig weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

2.3. Overwegingen van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 21 weken als bedoeld in artikel 87d van de WAO ruimschoots is verstreken. Verweerder heeft tot op heden niet op de bezwaarschriften van eiser beslist. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder niet tijdig een besluit heeft genomen op de bezwaren van eiser. Gelet hierop dient het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op de bezwaren van 12 oktober 2007 en 28 november 2007 gegrond te worden verklaard.

2.3.2. Verweerder heeft hangende deze beroepsprocedure meegedeeld dat zo spoedig mogelijk een besluit op bezwaar zal worden afgegeven. Daarnaast heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat op 18 november 2008 een primair besluit is genomen op het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 23 juni 2003. Voorts heeft verweerder meegedeeld dat op 21 mei 2009 een primair besluit is genomen op het verzoek van eiser om een Amber beoordeling te doen plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank doet het voorgaande niet af aan het gegeven dat nog altijd geen besluit is genomen op de bezwaarschriften van eiser van 12 oktober 2007 en 28 november 2007. Voorts overweegt de rechtbank dat door verweerder geen concreet zicht is geboden op een uiterste datum waarbinnen de besluitvorming afgerond zal zijn. Derhalve kan bepaald niet worden uitgesloten dat binnen de optiek van verweerder de te nemen beslissing op bezwaar nog enige tijd op zich laat wachten.

2.3.3. Nu op geen enkele wijze is gebleken dat de vertraging in de afhandeling van het bezwaar wordt veroorzaakt door eiser ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op te dragen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een besluit te nemen op de bezwaarschriften van eiser van 12 oktober 2007 en 28 november 2007. De rechtbank ziet hierbij aanleiding een dwangsom als bedoeld in artikel 8:72, zevende lid, van de Awb op te leggen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de lange duur van de procedure aan verweerder te wijten valt en dat verweerder zich ter zitting niet heeft verzet tegen het opleggen van een dwangsom.

2.3.4. Met betrekking tot het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot betaling van het tegoed aan uitkering, kan naar het oordeel van de rechtbank geen uitspraak worden gedaan, aangezien verweerder eerst een besluit op de gemaakte bezwaren zal moeten nemen en de uitkomst van deze besluitvorming nu nog niet vaststaat. Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van het verzoek van eiser om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De besluitvorming is immers nog niet afgerond.

2.3.5. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) x € 322,00 x factor 0,5 (gewicht van de zaak: licht) = € 322,00. Tevens dient het door eiser betaalde griffierecht van € 39,00 aan hem te worden vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren gegrond;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak alsnog een besluit op de bezwaarschriften van eiser van 12 oktober 2007 en 28 november 2007 neemt;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtspersoon aan eiser een dwangsom verbeurt van € 250,00 (zegge: tweehonderd en vijftig euro) voor elke dag dat de hiervoor bepaalde termijn wordt overschreden, tot en met de dag van bekendmaking van het besluit;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht van € 39,00 (zegge: negenendertig euro) aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderd en tweeëntwintig euro), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Reichert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van der Eijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB