Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9300

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
AWB 08-4235 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling arbeidsongeschiktheid. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Schattingsbesluit in strijd met de WAO zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/4235 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende in Servië,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.G. van Westrenen, advocaat te Hilversum,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: J.G. Kramer.

1. Procesverloop

Eiseres was werkzaam als verpleeghulp voor 32 uur per week tot zij op 18 september 2000 uitviel als gevolg van psychische klachten naar aanleiding van een ernstige ziekte van haar moeder. In verband hiermee is eiseres met ingang van 17 september 2001 door verweerder in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij primair besluit van 12 februari 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 18 april 2008 wordt gewijzigd in 35 tot 45% .

Bij besluit van 16 september 2008 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit tijdig beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer op 29 mei 2009.

Eiseres en haar voornoemde gemachtigde zijn - met kennisgeving - niet verschenen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Standpunten van partijen

2.1.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts zich kan vinden in de conclusies van de primaire verzekeringsarts, dat de psychische conditie van eiseres ten opzichte van 2001 is verbeterd en de fysieke conditie (mogelijk) is verslechterd. Voorts heeft verweerder overwogen dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) al in zijn uitspraak van 2 maart 2007 (LJN: AZ9652) heeft overwogen dat de maximeringbepalingen van het Schattingsbesluit onverbindend zijn en dat de grondslagen van artikel 18, eerste lid, van de WAO onaangetast moeten worden gelaten. Met het besluit van 29 augustus 2007 zijn de desbetreffende bepalingen uit het Schattingsbesluit met terugwerkende kracht tot

2 maart 2007 komen te vervallen. Ten tijde van de herbeoordeling van eiseres was dit al in werking getreden, aldus verweerder. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen argumenten of feiten heeft aangereikt, waaruit zou kunnen blijken dat het bestreden besluit op onjuiste gronden is genomen, dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.1.2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het aan het bestreden besluit voorafgaande onderzoek inhoudelijk gelijk is aan het onderzoek uit 2001, waarbij eiseres gezien de aard en ernst van haar beperkingen volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Naar de mening van eiseres is zij in materiële zin nog steeds volledig arbeidsongeschikt, nu zij fysiek en psychisch onveranderd is, zo niet achteruit is gegaan. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het Schattingsbesluit in strijd is met de WAO. Het Schattingsbesluit gaat uit van een fictief maatmanloon, terwijl de WAO uitgaat van de realiteit. Voor het recht op uitkering is niet bepalend in hoeverre een arbeidsongeschikte in theorie nog zou kunnen werken, maar in hoeverre die arbeidsongeschikte nog in staat zal zijn het eigen werk te doen. Volgens eiseres heeft verweerder haar bezwaar dan ook ten onrechte opgevat als gericht tegen de maximering van het aantal gewerkte uren.

2.2. Het wettelijk kader

2.2.1. De rechtbank moet beoordelen of verweerder op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres heeft vastgesteld op 35 tot 45%. Bij de beoordeling van de zaak is het volgende wettelijk kader van belang.

2.2.2. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, in de zin van de WAO is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde (gangbare) arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet buiten beschouwing worden gelaten of de werknemer de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

2.3. De medische beoordeling van het bestreden besluit

2.3.1. Eiseres is voor aanvullend onderzoek in Nederland opgeroepen en werd gezien op het spreekuur op 29 oktober 2007. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat eiseres kampt met psychische klachten, rugklachten, nekklachten, keelklachten en moeheidklachten. Verder is sprake van een chronische hepatitis C infectie. Voorts heeft de verzekeringsarts het volgende overwogen:

“Op dit moment staat nog niet vast dat cliënte een interferon behandeling zal ondergaan en kan ook niet worden geconcludeerd dat de medische toestand daardoor binnen drie maanden zal verslechteren. Mijn inschatting is dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden aangezien geen sprake is van ernstig persoonlijk of sociaal disfunctioneren, ADL afhankelijkheid, bedlegerigheid, of opname in een ziekenhuis. Cliënt is dus belastbaar. (…) Ondanks de psychische klachten is cliënte in staat geweest alleen haar dochter op te voeden en haar huishouding te voeren ondanks dat zij het moeilijk vindt zich tot deze taken te zetten. Zij moet daarom in staat zijn routinematige werkzaamheden te verrichten die vrij zijn van te hoge werkdruk. In verband met de snelle agitatie kan zij beperkt omgaan met conflicten. In verband met de kortdurende periode van ‘bewustzijnsdaling’ is zij niet geschikt voor werk met verhoogd persoonlijk risico. (…) Zij kan lang genoeg staan om het eten te koken. Zij kan lang genoeg zitten om te lezen of te schilderen of een gesprek te voeren. (…) Gezien de anamnese kan zij een trap op- en aflopen. (…) Wat betreft de nekklachten werden bij lichamelijk onderzoek geen opvallende bevindingen gedaan. Er is in Servië geen onderzoek gedaan naar deze klacht. Cliënte maakt van deze klacht geen melding bij de internist of psychiater. In verband met deze klacht worden geen belangrijke beperkingen in de FML opgenomen. (…) Gezien de activiteiten (dagverhaal) van cliënte bestaat er alleen om energetische reden geen reden voor een urenbeperking. Een lichte urenbeperking is wel aan de orde indien ook rekening wordt gehouden met het feit dat in het verleden is gebleken dat cliënte snel overbelast raakt, hetgeen op dit moment des te meer aannemelijk is gezien de combinatie van actuele stoornissen. (…) Belanghebbende kan de huidige mogelijkheden duurzaam benutten.”

2.3.2. De bezwaarverzekeringsarts [bezwaarverzekeringsarts] heeft in haar rapportage van

1 september 2008 overwogen dat het standpunt van de verzekeringsarts ten aanzien van de aangenomen beperkingen kan worden gehandhaafd. Hiertoe merkt zij het volgende op:

“Het standpunt van de gemachtigde dat er ten opzichte van 2001 geen wijziging is in de psychische conditie, er zou zelfs sprake zijn van een verslechtering kan niet worden gevolgd. Gesteld moet worden dat er sprake is van een verbetering ten opzichte van 2001. Immers uit het onderzoek verricht door een psychiater in oktober 2007 blijkt dat er geen sprake meer is van een depressie en deze volledig in remissie is. Een depressie werd daarentegen in 2001 nog wel vastgesteld. Alhoewel er thans geen psychiatrisch ziektebeeld meer werd geconstateerd werden beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren wel gehandhaafd. Het standpunt van de gemachtigde dat er ten opzichte van 2001 geen wijziging is in de fysieke conditie, mogelijk zou er zelfs sprake zijn van een verslechtering kan worden gevolgd, maar een verslechtering werd ook al door de arts vastgesteld. (…) De arts heeft aangegeven dat betrokkene (…) aangewezen is op fysiek niet al te zware inspanningen door beperkingen aan te geven (…) en acht werktijdenbeperkingen aan de orde, met verdergaande beperkingen dan eerder in 2003 werd vastgesteld. Hierin wordt dus de claim van betrokkene dat zij fysiek ongewijzigd is, mogelijk zelfs verslechterd is door de arts al gevolgd.”

2.3.3. De rechtbank vindt in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiseres tijdens het spreekuur op 29 oktober 2007 door de verzekeringsarts is gezien. De verzekeringsarts heeft daarbij lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Daarnaast is eiseres op 29 oktober 2007 gezien door de psychiater [psychiater] en op 30 oktober 2007 door de internist dr. [internist]. Uit het dossier blijkt dat hun bevindingen vervolgens zijn meegenomen door de verzekeringsarts in zijn rapportage van

19 november 2007. De rechtbank stelt voorts vast, gelet op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 november 2007, dat door de verzekeringsarts een flink aantal beperkingen is aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat thans met de klachten van eiseres voldoende rekening is gehouden. Zo is een urenbeperking vastgesteld en zijn beperkingen geduid ten aanzien van onder meer omgaan met conflicten, trillingsbelasting, zitten, staan, werktijden en enkele dynamische handelingen.

2.3.4. Voorts is niet gebleken dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapportages inhoudelijk gelijk zijn aan die uit 2001, zoals eiseres heeft gesteld. De stelling van eiseres dat zij (in materiële zin) nog steeds volledig arbeidsongeschikt is en dat zij fysiek en psychisch onveranderd is, is niet met nadere (medische) gegevens onderbouwd.

2.3.5. Eiseres heeft voorts gesteld dat zij psychisch en fysiek onveranderd is gebleven dan wel achteruit is gegaan, maar dat zij door nieuwe regelgeving nu minder arbeidsongeschikt wordt geacht. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat de psychische conditie van eiseres ten opzichte van 2001 is verbeterd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in fysiek opzicht ongewijzigd is of mogelijk is verslechterd. Verweerder heeft hier dan ook rekening mee gehouden door werktijdenbeperkingen op te nemen. Voor zover met het beroep bedoeld is te stellen dat het besluit tot verlaging van de uitkering van eiseres uitsluitend het gevolg is van wijziging van het Schattingsbesluit overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Alkmaar van 29 mei 2008 (LJN: BD3008), dat deze stelling niet slaagt. Zelfs in geval van een onveranderde medische situatie kan de aanpassing van het Schattingsbesluit niet zonder meer als enige oorzaak van een verlaging van een WAO-uitkering worden aangewezen. Daar komt bij dat eiseres niet met feiten heeft onderbouwd dat de wijziging van de regelgeving niet valide zou zijn. Op grond van de feiten en ook anderszins ziet de rechtbank geen reden om aan de validiteit van de gewijzigde regelgeving te twijfelen.

2.3.6. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Niet is gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen volgt dat de beperkingen van eiseres niet dusdanig zijn dat zij niet in staat kan worden geacht om passende arbeid te verrichten. Nu eiseres zowel in bezwaar als in beroep geen medische stukken heeft overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen, ziet de rechtbank geen aanleiding de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.

2.4. De arbeidskundige beoordeling van het bestreden besluit

2.4.1. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit voor onjuist te houden en overweegt daartoe als volgt.

2.4.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres alleen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit. Gelet hierop dient de rechtbank de toetsing van het bestreden besluit te beperken tot die medische grondslag en de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn (zie de uitspraak van de CRvB van 17 april 2007, LJN: BA2955).

2.4.3. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat de geduide functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor eiseres.

2.5. Ten aanzien van het Schattingsbesluit

2.5.1. Eiseres heeft - in bezwaar waarnaar zij in beroep heeft verwezen - aangevoerd dat

“het ASB (Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, rb) in strijd is met de WAO, nu het uitgaat van een fictief maatmanloon, terwijl de WAO uitgaat van de realiteit (artikel 18, eerste lid: het reële verlies aan verdiencapaciteit). Nu bovendien het ASB een algemene maatregel van bestuur is en de WAO een wet in formele zin, is er geen grond voor de bestreden beslissing die daarmee ongemotiveerd is”. En voorts in beroep: “(…) Het bezwaar richt zich echter niet tegen maximering van het aantal gewerkte uren (…) doch stelt aan de orde dat het Schattingsbesluit moet wijken voor de WAO. Ofwel er voor het recht op uitkering is niet bepalend in hoeverre een arbeidsongeschikte in theorie nog zou kunnen werken, doch in hoeverre die arbeidsongeschikte nog in staat zal zijn zijn eigen werk te doen (…)”.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 18, eerste lid, van de WAO, is er sprake van arbeidsongeschiktheid, indien de belanghebbende als gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met zogenaamde algemeen geaccepteerde arbeid het inkomen te verdienen dat een met hem vergelijkbare gezonde persoon, de zogenaamde maatman of maatvrouw, kan verdienen. Arbeidsongeschiktheid is aldus een economisch begrip wat een vermindering van of een verlies van verdiencapaciteit inhoudt. Het wettelijke arbeidsongeschiktheidsbegrip is uitgewerkt in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Voor het antwoord op de vraag wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, is behalve het restinkomen dat met algemeen geaccepteerde arbeid kan worden verdiend ook het maatmaninkomen van belang. Dat is het inkomen dat betrokkene geacht wordt te hebben kunnen verdienen, indien zij niet arbeidsongeschikt was geworden. In beginsel is dit dezelfde functie als de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid uitoefende. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vervolgens berekend door een vergelijking tussen het maatmaninkomen en het restinkomen gedeeld door het maatmaninkomen (zie Socialezekerheidsrecht, prof. mr. F.M. Noordam).

Zoals gezegd wordt het maatmaninkomen in beginsel gebaseerd op het laatst verdiende inkomen. Dat dit maatmaninkomen fictief zou zijn, zoals eiseres heeft betoogd, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Vervolgens wordt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid voornoemde vergelijking gemaakt. De stelling van eiseres biedt, bij gebrek aan verdere feitelijke onderbouwing, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Schattingsbesluit op dit punt dan wel anderszins in strijd met de WAO zou zijn.

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat moet worden beoordeeld in hoeverre zij in staat is haar eigen werk te doen kan de rechtbank haar evenmin volgen. Dit criterium is immers slechts in het kader van de Ziektewet en niet in het kader van de WAO relevant.

2.5.2. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder haar in bezwaar naar voren gebrachte stelling aanvankelijk ten onrechte heeft opgevat als gericht tegen de maximering van het aantal gewerkte uren. Aan eiseres moet worden toegegeven dat dit inderdaad het geval is geweest, maar naar het oordeel van de rechtbank leidt dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Zoals hiervoor is overwogen is de stelling van eiseres niet met feiten onderbouwd. Dat verweerder deze stelling aanvankelijk onjuist heeft geïnterpreteerd, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen. Ook de beroepsgrond van eiseres dat verweerder op onduidelijke wijze heeft verwezen naar het besluit van 29 augustus 2007 kan niet leiden tot een ander oordeel, nu verweerder in het bestreden besluit de vindplaats van voornoemd besluit heeft vermeld.

2.6. Conclusie

De rechtbank oordeelt gelet op het voorgaande dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van eiseres zal dan ook ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Reichert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van der Eijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB