Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9275

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
AWB 09-1099 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Herziening van het recht op bijstand in verband met verzwegen inkomsten uit onderhuur. Herziening is een voor de betrokkene belastend besluit. Verweerder kon niet overgaan tot herziening nu hij nader onderzoek had moeten verrichten. Intrekking van het recht op bijstand in verband met verzwegen inkomsten uit arbeid. Verweerder kon het recht vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/1099 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. J. de Groot,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde mr. A.J. Tielbeke.

1. Procesverloop

Bij beslissing van 5 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 november 2008 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2009, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Achtergrond en standpunt van partijen

2.1.1. Aan eiseres is vanaf 29 mei 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder vermeerderd met een woonkostentoeslag van 20%. Daarnaast werkte eiseres parttime in de thuiszorg.

2.1.2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de uitkering van eiseres over de periode van 1 juni 2007 tot en met 30 september 2007 herzien in verband met de door eiseres verzwegen inkomsten uit onderhuur van de woning van haar ex-partner [ex-partner]. [ex-partner] was in de betreffende periode gedetineerd zodat hij niet in zijn woning verbleef. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de verklaring van [persoon 1], inhoudende dat zij aan eiseres tot september 2007 maandelijks € 800,- betaalde voor het gebruik van de woning. De huur bedroeg € 384,79, zodat het verschil, € 415,-, aan eiseres toekwam, aldus verweerder. Tevens heeft verweerder naar aanleiding van een anonieme tip en een aantal observaties de bijstand over de periode van 1 februari 2008 tot 1 juni 2008 ingetrokken in verband met door eiseres verzwegen genoten inkomsten uit werkzaamheden in eetcafé [eetcafé]. In verband met de herziening en intrekking heeft verweerder de kosten van bijstand over genoemde perioden van eiseres teruggevorderd tot een bedrag van € 4.454,88. Verweerder heeft aan het bestreden besluit een rapport van de sociale recherche van 1 juli 2008 ten grondslag gelegd.

2.1.3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de huurinkomsten van € 800,- niet voor haar bestemd waren maar voor de heer [ex-partner]. De huur van de woning bedroeg € 384,79 per maand. Het meerdere, dat wil zeggen wekelijks € 100,-, maakte zij bij haar wekelijkse bezoek aan de penitentiaire inrichting over aan de heer [ex-partner] via een stortingsapparaat dat zich in de inrichting bevond. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar betoog een verklaring overgelegd van de heer [ex-partner] van 15 maart 2009, inhoudende, kort weergegeven, dat hij eiseres heeft opgedragen het huurcontract en de huur ‘te regelen’ en daartoe de huur aan de verhuurder en het restant aan hem over te maken. Wat betreft de vermeende werkzaamheden in eetcafé [eetcafé], heeft eiseres betoogd dat zij slechts haar vriendin [vriendin], tevens eigenaresse van het eetcafé, heeft geholpen. Eiseres heeft in beroep een verklaring van [vriendin] overgelegd van 24 mei 2009 inhoudende dat eiseres in de periode februari tot mei 2008 enkele malen heeft geholpen en dat zij geen salaris heeft ontvangen maar slechts een onkostenvergoeding.

2.2. Herziening in verband met inkomsten uit onderhuur

2.2.1. Vaststaat dat eiseres op verzoek van de heer [ex-partner] gedurende de periode van 1 juni 2007 tot en met 30 september 2007 betalingen heeft ontvangen van [persoon 1] in verband met de onderhuur van de woning van de heer [ex-partner]. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres verweerder hiervan op de hoogte had behoren te stellen nu het hier een voor de toekenning van bijstand relevante omstandigheid betreft. Nu eiseres dat heeft nagelaten, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB.

2.2.2. Naar vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor herziening van de bijstand, indien als gevolg daarvan ten onrechte of te veel bijstand is verleend. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan hij recht op (aanvullende) bijstand had. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet meer beschikt over stortingsbewijzen die betrekking hebben op de periode in geding.

2.2.3. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat het hier gaat om de herziening van een eerder toegekend recht op bijstand, een voor eiseres belastend besluit. Dit brengt met zich dat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en op hem de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot, in dit geval, herziening van het recht op bijstand over te gaan.

2.2.4. De rechtbank heeft uit het rapport van 1 juli 2008 kunnen opmaken dat verweerder over schriftelijke informatie van de Justitiële Informatiedienst beschikt waaruit blijkt dat wekelijks ten behoeve van de heer [ex-partner] € 100,- werd gestort. De rechtbank stelt vast dat deze informatie in zoverre overeenkomt met de verklaring van eiseres. Uit het rapport komt verder naar voren dat de Justitiële Informatiedienst vooralsnog onbekend is met de identiteit van de degene die als bezoeker staat geregistreerd op de dagen dat er stortingen zijn gedaan en dat een (bij naam genoemde) medewerker van de dienst mogelijk nog met nadere informatie zou komen over de identiteit van deze persoon.

2.2.5. Verweerder had naar het oordeel van de rechtbank hierin aanleiding behoren te zien om bij de Justitiële Informatiedienst, bij het uitblijven van een nadere reactie, hier op terug te komen. Niet gebleken is dat verweerder dit heeft gedaan. De rechtbank kan zich voorts voorstellen dat de Justitiële Informatiedienst meer duidelijkheid kon verschaffen over de periode gedurende welke de stortingen zijn gedaan. Echter, ook op dit punt heeft verweerder geen nadere inlichtingen ingewonnen, althans wordt in het rapport van 1 juli 2008 daar niet op ingegaan.

2.2.6. Verweerder is gezien het voorgaande dan ook te voorbarig geweest in zijn conclusie dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of te veel bijstand is verleend.

2.2.7. Het bestreden besluit komt, voor zover daarbij de bijstand over de periode van 1 juni 2007 tot en met 30 september 2007 in verband met huurinkomsten tot een bedrag van € 415,- per maand is herzien, wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Intrekking in verband met inkomsten uit werkzaamheden

2.3.1. De rechtbank deelt de conclusie van verweerder dat eiseres op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in eetcafé [eetcafé]. Uit het rapport van 1 juli 2008 blijkt dat medewerkers van de sociale recherche eiseres op vrijdagmiddag 29 februari, zondagmiddag

16 maart, vrijdagavond 4 april, zondagmiddag 20 april, vrijdagmiddag 25 april, vrijdagavond

9 mei, vrijdagmiddag 16 mei en zondagavond 25 mei 2008 aldaar werkend hebben aangetroffen. Blijkens het rapport stond eiseres meerdere keren alleen in de zaak. Er is geen reden te twijfelen aan (de juistheid van) de waarnemingen van de betreffende medewerkers. Dat eiseres zelf een en ander heeft ervaren als het helpen van een vriendin maakt dit niet anders, nu het er om gaat of aan de werkzaamheden objectief bezien een economische waarde toekomt, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank het geval is.

2.3.2. De rechtbank is van oordeel dat eiseres door aan verweerder hiervan geen opgave te doen de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden.

2.3.3. Nu het hier evenwel gaat om een voor eiseres belastend besluit, de intrekking van een eerder toegekend recht op bijstand, brengt dit, zoals overwogen in 2.2.3., met zich dat op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot, in dit geval, intrekking van het recht over te gaan om reden dat dit recht niet is vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aan zijn bewijslast voldaan.

2.3.4. Verweerder had uitgaande van het aantal dagen (acht) waarop zij door medewerkers van de sociale recherche gedurende de aan de orde zijnde periode werkend is aangetroffen

- gegevens die grotendeels overeenkomen met de informatie uit de anonieme telefonische tip -

het recht op bijstand over die periode kunnen vaststellen, daarbij voorts in aanmerking nemend een aantal arbeidsuren per dag en een bepaald inkomen, een en ander zoals hieronder uiteen zal worden gezet.

2.3.5. Bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid wordt voor de toepassing van de WWB in beginsel uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen is onder meer ruimte, indien tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo’n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake is. Volgens de verklaring van eiseres ontving zij slechts een onkostenvergoeding. Eiseres heeft evenwel ter zake daarvan geen administratie bijgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesproken van een reële vergoeding, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat eiseres ook alleen in het eetcafé werkte.

2.3.6. Het komt de rechtbank onder deze omstandigheden dan ook niet onredelijk om voor de bepaling van het in aanmerking te nemen uurloon en aantal arbeidsuren per dag aan te knopen bij hetgeen in de horecabranche gebruikelijk is, nu eiseres ter zake geen administratie heeft bijgehouden. Dat de aldus in aanmerking te nemen gegevens mogelijk (in het nadeel van eiseres) niet overeenkomen met de werkelijkheid, dient voor risico van eiseres te komen. Overigens staat het aldus in aanmerking te nemen aantal arbeidsdagen niet op gespannen voet met de schriftelijke verklaring van [vriendin] van 24 mei 2009 dat eiseres haar ‘enkele malen’ heeft geholpen. Aanknopingspunten dat eiseres in de bedoelde periode op méér dagen in het eetcafé heeft gewerkt, bevatten de gedingstukken niet. Verweerder heeft daar geen onderzoek naar gedaan.

2.3.7. Gezien het bovenstaande is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig voorbereid zodat het wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

2.4. Terugvordering

2.4.1. Het voorgaande brengt met zich dat het besluit tot terugvordering geen stand kan houden.

2.5. Conclusie

2.5.1. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5.2. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

2.5.3. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van

eiseres die de rechtbank begroot op € 322,- voor het bijwonen van de zitting. Omdat eiseres heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, dient verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank te betalen.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 322,- (drie

honderd en tweeëntwintig euro) te betalen door de gemeente Amstelveen aan de griffier van deze rechtbank;

- draagt de gemeente Amstelveen op aan eiseres het griffierecht, € 41,-, (één en veertig euro) te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. van Dullemen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2009.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.:

DOC: C