Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9273

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/2714 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom; tweede toegangsvoorziening woonboot; naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd weerlegd; ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom, bij de afweging van alle betrokken belangen, in dit geval niet van handhavend optreden moet worden afgezien en voorts waarom er geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/2714 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.J.M.A. Poppelaars,

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.J.M. Pietersz.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 4 oktober 2007 aan eiser een last onder dwangsom opgelegd teneinde eiser te bewegen de tweede toegangsvoorziening voor zijn woonboot die eiser heeft aangelegd zonder dat daar een ontheffing voor is verleend te verwijderen.

Bij besluit van 5 juni 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

Eiser is sinds oktober 2006 de eigenaar van de 31 meter lange woonboot “[naam woonboot]” gelegen aan de [adres]. Eiser heeft aan de voorzijde van zijn woonboot een tweede toegangsvoorziening aangelegd.

Verweerder heeft geconstateerd dat de tweede toegangsvoorziening zonder ontheffing is aangelegd en heeft eiser op 12 september 2007 in kennis gesteld van zijn voornemen om handhavend op te treden. Bij brief van 2 oktober 2007 heeft eiser bij verweerder duidelijk gemaakt dat hij niet op de hoogte was van het feit dat een tweede toegangsvoorziening niet is toegestaan zonder ontheffing en heeft eiser alsnog een ontheffing aangevraagd.

Tot op heden heeft verweerder op deze aanvraag geen beslissing genomen.

Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft verweerder eiser gelast de tweede toegangsvoorziening aan de voorzijde van zijn boot binnen zes weken te verwijderen en daarna verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar aangetekend. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij tot het aanleggen van de tweede toegangsvoorziening is overgegaan naar aanleiding van adviezen van de brandweer en zijn verzekeringsmaatschappij. Beide instanties hebben geadviseerd bij een woonboot van meer dan 30 meter lang, om veiligheidsredenen een tweede toegangsvoorziening aanwezig te hebben. Dit met name met het oog op het beschikbaar zijn van voldoende vluchtroutes bij brand. Om die reden zijn er volgens eiser bijzondere omstandigheden waardoor hij voor een ontheffing in aanmerking komt.

Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Verweerder stelt dat een ontheffing daarom ook niet verleend zal worden. Volgens verweerder is geen concreet zicht op legalisatie en wordt niet afgezien van handhavend optreden.

Eiser heeft zich in beroep gemotiveerd tegen dit besluit gekeerd. Eiser heeft de tweede toegangsvoorziening inmiddels verwijderd.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder e, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: Vhb) wordt onder een object verstaan: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie.

Ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vhb is het verboden met een object ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.

Ingevolge artikel 2.5.2, tweede lid, van de Vhb kan het college van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

Ingevolge artikel 2.5.2, derde lid, van de Vhb kan het college categorieën objecten aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is.

Bij besluit van 25 april 2008 (Gemeenteblad, afd. 3B, nr. 47) heeft verweerder als categorieën van objecten waarop het verbod om met een object ligplaats in te nemen niet van toepassing is ondermeer aangewezen toegangsvoorzieningen van maximaal 2 meter lang en 2 meter breed voor een woonboot. Voorts is bepaald dat per boot slechts één toegangsvoorziening mag worden aangebracht.

Beoordeling van het geschil

Niet in geschil is dat de tweede toegangsvoorziening zonder ontheffing van verweerder en derhalve in strijd met artikel 2.5.2, eerste lid, van de VHB is geplaatst.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft daartoe foto’s overgelegd van een viertal woonboten in zijn directe omgeving die ook zijn voorzien van een tweede toegangsvoorziening waarbij verweerder niet handhavend heeft opgetreden. Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) blijkt dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid vergt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in rechtens vergelijkbare gevallen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BH5552. Tegen deze achtergrond dient verweerder te motiveren waarom de door eiser genoemde gevallen zodanig afwijken van het onderhavige geval dat in verband daarmee een andere behandeling is gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin onvoldoende geslaagd. Verweerder heeft van de woonboten gelegen aan [adres 2] en de [adres 3] niet inzichtelijk gemaakt waarom tegen de aanwezigheid van een tweede toegangsvoorziening bij die woonboten niet wordt opgetreden. Ten aanzien van de boot aan de [adres 2] is niet duidelijk geworden wanneer deze woonboot van een tweede toegangsvoorziening is voorzien. Daarom kan niet worden vastgesteld of het ter zitting door verweerder gestelde uitsterfbeleid ook voor deze woonboot geldt. Ten aanzien van de door eiser genoemde woonboot aan de [adres 3] heeft verweerder gesteld dat deze woonboot wordt bewoond door twee verschillende bewoners die ieder hun eigen toegang moeten hebben. Ter zitting is echter gebleken dat het daarbij gaat om de boot op nummer [nummer] in plaats van nummer [nummer adres 3]. Ten aanzien van de boot op nummer [nummer adres 3] heeft verweerder niet kunnen motiveren waarom in dat geval niet handhavend wordt opgetreden tegen de, blijkens de door eiser gemaakte foto’s, aanwezige tweede toegangsvoorziening. Daardoor heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd weerlegd.

Eiser heeft voorts betoogd dat verweerder van handhavend optreden had moeten afzien omdat concreet zicht bestaat op legalisatie. Eiser voert hiertoe aan dat zijn woonboot met 31 meter erg lang is in vergelijking met andere woonboten. Bovendien ligt de boot ruim 1.80 meter van de kade. Daarnaast beschikt de boot over twee in- en uitgangen. In verband met de brandveiligheid en de toegankelijkheid van zijn woonboot is een tweede toegangsvoorziening daarom noodzakelijk. Eiser stelt dat om die reden sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hij op grond van de Vhb in aanmerking komt voor een ontheffing. Verweerder voert in het bestreden besluit aan dat van de mogelijkheid voor een ontheffing, gelet op de schaarste van de ruimte van het openbare water, alleen in bijzondere omstandigheden gebruik wordt gemaakt. Verweerder meent dat daarvan in het geval van eiser geen sprake is.

Vast staat dat eiser een ontheffing heeft aangevraagd voor de tweede toegangsvoorziening. Gezien de afmetingen van de woonboot en wijze waarop deze is afgemeerd is het naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk dat een tweede toegangsvoorziening uit oogpunt van brandveiligheid noodzakelijk is. Eiser heeft dit reeds in zijn verzoek om ontheffing en in bezwaar aangevoerd. Daarnaast heeft de brandweer naar eisers zeggen tot tweemaal toe geadviseerd een tweede toegangsvoorziening aan te leggen ten behoeve van de brandveiligheid. De rechtbank acht verder van belang dat de Handreiking Brandveiligheid van woonschepen en woonschepenhavens van het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra een maximale loopafstand van 15 meter tussen de verblijfsruimte en de loopplank aanbeveelt. Hieraan voldoet de woonboot van eiser niet. Verweerder stelt van deze handreiking geen gebruik te maken omdat het slechts gaat om een adviserend document. Nu verweerder echter geen enkele regelgeving hanteert met betrekking tot brandveiligheid voor woonschepen en aan het aanwijzingsbesluit van 25 april 2008 ook geen advies van de brandweer ten grondslag heeft gelegen - zoals verweerder zelf ter zitting heeft gesteld - acht de rechtbank de bepalingen uit de handreiking, afkomstig van een deskundige instelling, niet zonder belang. Ten aanzien van de suggestie in het bestreden besluit dat eiser voor noodgevallen een losse plank kan neerleggen in zijn gangboord heeft verweerder ter zitting erkend dat eiser daarmee in strijd zou handelen met de voorschriften van de Brandveiligheidsverordening.

Tegenover het door eiser gemotiveerd gestelde belang van brandveiligheid heeft verweerder gesteld belang te hebben bij strikte handhaving van de regelgeving en het voorkomen van precedentwerking. Daarnaast heeft verweerder gewezen op het belang bij het voorkomen dat onnodig beslag wordt gelegd op de openbare ruimte. Ter zitting heeft eiser aan de hand van foto’s echter aangetoond dat op de plaats waar de tweede toegangsvoorziening was aangebracht ook al een afmeervoorziening is gelegen. Het extra beslag op de openbare ruimte dat door de tweede toegangsvoorziening wordt gelegd is derhalve gering te achten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, bij de afweging van alle betrokken belangen, in dit geval niet van handhavend optreden moet worden afgezien en voorts waarom er geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

De rechtbank zal om die reden het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal opnieuw dienen te beslissen op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten forfaitair op € 644, - .

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 145, - (honderd vijfenveertig euro) aan eiser dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van € 644, - (zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door verweerder aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Gort, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2009.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB