Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ8792

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
433147 kg za 09-1503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inbreuk handelsnaam en merkrecht. Dat onderneming A bij wijze van uitzondering het recht heeft gekregen om een handelsnaam te voeren die dicht aanzit tegen de veel langer gebruikte handelsnamen van onderneming B, maakt niet dat het onderneming B kan worden verboden om aan haar handelsnamen een beschrijvend element toe te voegen, ook niet als die handelsnaam daardoor nog meer gaat lijken op die van onderneming A. De vraag of een domeinnaam onder het begrip handelsnaam valt, moet worden uitgelegd aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het gebruik van een domeinnaam om mogelijke klanten door te leiden naar een website met een andere domeinnaam van dezelfde onderneming, wordt aangemerkt als een handelsnaam. Kostenveroordeling ex artikel 1019h Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 433147 / KG ZA 09-1503 P/EB

Vonnis in kort geding van 3 september 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende en zaak doende te [woonplaats],

eiser in conventie bij dagvaarding van 30 juli 2009,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. T.F.W. Overdijk te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A],

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J.S. Hofhuis te Amsterdam.

Eiser in conventie zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden in conventie zullen afzonderlijk [A] en [B] worden genoemd en gezamenlijk [A] en [B].

1. De procedure

Ter terechtzitting van 21 augustus 2009 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat hij zijn eis heeft vermeerderd als na te melden. [A] en [B] hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. [eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren aanwezig [eiser] met mr. Overdijk en mr. E.C. de Vries, en aan de zijde van [A] en [B]

[directeur van gedaagden], directeur van gedaagden, met mr. Hofhuis.

2. De feiten in conventie en reconventie

2.1. In 1937 heeft [vader eiser], de vader van [eiser], een adviespraktijk opgericht op het gebied van bedrijfspsychologie en bedrijfsorganisatie, school- en beroepskeuze, arbeidsbemiddeling alsmede het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, alles in de ruimste zin van het woord. Deze onderneming is in 1971 ondergebracht in een besloten vennootschap, gevestigd te [woonplaats], waarvan de statutaire en de handelsnaam luidde: [C] In 1993 is de onderneming overgenomen door [D] (verder te noemen [D]). De letter ‘L’ was al eerder uit de handelsnaam verdwenen.

2.2. [eiser] is in het verleden werkzaam geweest bij [D] In 1993 is hij bij [D] weggegaan en vennoot geworden van [E], gevestigd te [woonplaats], welke v.o.f. zich bezighield met het verrichten van psychologische diensten gericht op het begeleiden van werkzoekenden, het uitoefenen van een adviespraktijk op het terrein van de psychologie, het adviseren van bedrijven m.b.t. personeelszaken. De v.o.f. is in 1995 ontbonden en [eiser] heeft de onderneming als eenmanszaak voortgezet.

2.3. [D] heeft zich in kort geding verzet tegen het gebruik door [eiser] van de handelsnaam [E] en iedere andere handelsnaam die verwarring tussen beide ondernemingen schept. Bij vonnis van 29 mei 1995 heeft de voorzieningenrechter te Den Haag [eiser] op vordering van [D] in conventie verboden – kort gezegd – om als handelsnaam te voeren [E], dan wel een andere handelsnaam die van de handelsnaam ‘[D]’ niet of in slechts zo geringe maakte afwijkt dat bij het publiek verwarring tussen de beide ondernemingen te duchten valt. In reconventie heeft de voorzieningenrechter [D] bevolen te gehengen en te gedogen dat [eiser] als handelsnaam zal voeren ‘[F]’. Deze laatste beslissing is als volgt gemotiveerd:

“De duidelijke vermelding van een voornaam en de toevoeging van het beperkte werkterrein – een en ander in afwijking van de handelsnaam van [D] – zullen in voldoende mate het gevaar voor verwarring bij het publiek wegnemen.”

2.4. Sinds 29 mei 1995 voert [eiser] als handelsnaam ‘[F]’ en sinds 1997 mede de handelsnaam [G]. Hij maakt gebruik van de domeinnamen [domeinnaam 1], [domeinnaam 2], [domeinnaam 3] en [domeinnaam 4].

2.5. De onder 2.3 genoemde beslissing van de voorzieningenrechter is in hoger beroep bekrachtigd door het gerechtshof te Den Haag op 2 juli 1998. Het Hof heeft daarbij overwogen:

“Door de combinatie van de volledige voor- en achternaam “[eiser]” en “Outplacement” wordt ten opzichte van het relevante publiek het accent op de naam “[naam]” voldoende verminderd om het, nog bij “[E]” bestaande, verwarringsgevaar weg te nemen.”

2.6. [D] is op 25 mei 2007 overgegaan in [A]. In het handelsregister staan van [A] de volgende handelsnamen geregistreerd:

- [A] B.V.

- [A] Studie en Loopbaanadvisering

- [A] Outplacement (sinds 2001)

- [A] Organisatie Advies

- [A] Training en Coaching

- [A] Loopbaanbegeleiding

- [A] Management Coaching

- [A] Re-integratie

- [A] Replacement

2.7. [B] is bestuurder en enig aandeelhouder van [A]. In 2006 heeft zij de intellectuele eigendomsrechten van [D] overgedragen gekregen. Tevens is zij houdster van het Benelux woordmerk ‘[naam]’ voor verschillende waren en diensten, waaronder het uitoefenen van een adviespraktijk op het terrein van de bedrijfspsychologie en bedrijfsorganisatie; het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, arbeidsbemiddeling en advisering inzake personeel en personeelszaken; werving en selectie van personeel; loopbaanbegeleiding en

-advisering; outplacement; het trainen van werknemers en het verrichten van psychologische onderzoeken. Dit merk is gedeponeerd op 24 januari 1995.

2.8. [eiser] heeft [A] en [B] bij brief van 1 mei 2009 gesommeerd om het gebruik van de handelsnamen ‘[A]’ en ‘[G]’ met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en om deze namen per direct uit het handelsregister te verwijderen. [A] en [B] hebben geen gehoor gegeven aan deze sommatie.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser] vordert na wijziging van eis, kort gezegd:

1) [A] en [B] te verbieden een handelsnaam te voeren waarin de aanduiding ‘[A]’ dan wel ‘[H]’ voorkomt, dan wel een andere handelsnaam die op verwarringwekkende wijze gelijkt op een handelsnaam van [eiser];

2) [A] te bevelen om het Handelsregister te verzoeken om de inschrijving van de handelsnamen ‘[A]’ en ‘[H] door te halen, onder verzending van bewijsstukken van dat verzoek aan de advocaat van [eiser];

3) [A] te bevelen om haar statutaire handelsnaam dusdanig te wijzigen dat deze geen verwarring meer kan veroorzaken met de handelsnaam van [eiser];

4) al het voorgaande op straffe van dwangsommen;

5) [A] en [B] te veroordelen in de volledige proceskosten.

3.2. Daartoe stelt [eiser], samengevat, dat [A] en [B] inbreuk maken op zijn handelsnaamrechten door het zonder toestemming van [eiser] exploiteren van een bedrijf onder de naam ‘[H]’ en/of ‘[A]’.

3.3. [A] en [B] voeren tegen de vordering in conventie het verweer, kort gezegd, dat zij de handelsnaam ‘[H]’ niet gebruikt, en dat [eiser] de handelsnaam ‘[A]’ niet rechtmatig voert.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [A] en [B] vorderen, kort gezegd, [eiser] te verbieden om een handelsnaam (een domeinnaam daaronder begrepen) te voeren waarvan het bestanddeel ‘[naam]’ onderdeel uitmaakt, maar zonder dat zowel de toevoeging ‘[voornaam]’ als de omschrijving van een specifiek product of een specifieke dienst daarin voorkomt, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten, te vermeerderen met rente.

4.2. Daartoe stellen zij, samengevat, dat [eiser], door het gebruik van handelsnamen waaraan niet zijn toegevoegd de voornaam ‘[voornaam]’ en de omschrijving van een specifiek product of een specifieke dienst, inbreuk maakt op de handelsnamen van [naam]. Tevens maakt [eiser] met het gebruik van dergelijke handelsnamen inbreuk op het woordmerk van [B].

4.3. [eiser] voert verweer, waarop voor zover van belang hierna wordt ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Het is verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is.

5.2. Vast staat dat de geleverde diensten en het geografische werkterrein van beide ondernemingen elkaar overlappen. Partijen zijn het er ook over eens dat hun klanten beide ondernemingen met elkaar verwarren. Deze verwarring wordt versterkt doordat beide ondernemingen met hun tijd zijn meegegaan en tot onderdeel van hun handelsnamen hebben gemaakt de Engelse benaming van de specifieke activiteit die binnen de onderneming wordt ontplooid, waardoor de nadruk is komen te liggen op de namen ‘[eiser]’ en ‘[naam]’, die erg dicht bij elkaar liggen. Beide partijen hebben er dan ook spoedeisend belang bij dat duidelijkheid wordt geschapen over de vraag of de door hen gebruikte handelsnamen toelaatbaar zijn.

5.3. [A] heeft ter zitting toegezegd dat zij – zonder te erkennen dat zij daartoe rechtens gehouden is – het Handelsregister zal verzoeken om haar handelsnamen ‘[A]’ en ‘[G]’ door te halen en dat zij haar statutaire naam zal wijzigen, omdat zij geen plannen heeft om zich onder deze namen te profileren. Zij heeft eveneens toegezegd dat zij bewijsstukken van het verzoek aan het Handelsregister aan de advocaat van [eiser] zal sturen. Gelet op deze toezeggingen heeft [eiser] geen belang bij toewijzing van de vordering met betrekking tot deze namen en bij toewijzing van de vordering tot overlegging van bewijsstukken, zodat deze onderdelen van de vordering reeds op die grond zullen worden afgewezen.

5.4. Met betrekking tot het gevorderde verbod op het voeren van andere handelsnamen dan onder 5.3 genoemd, die op verwarringwekkende wijze overeenstemmen met die van [eiser], dient te worden beoordeeld of [eiser] de handelsnamen ‘[G]’ en ‘[A]’ rechtmatig voerde voordat [A] onder daarop gelijkende namen naar buiten trad. Partijen zijn het er over eens dat bij die beoordeling het vonnis van de voorzieningenrechter te Den Haag en het arrest van het gerechtshof te Den Haag als uitgangspunt moeten worden genomen. Partijen zijn het er voorts over eens dat uit die uitspraken volgt dat [eiser] slechts gebruik mag maken van de naam ‘[naam]’ in zijn handelsnamen, indien die naam wordt voorafgegaan door de naam ‘[voornaam]’ en gevolgd door een omschrijving van het werkterrein. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het gebruik door [eiser] van handelsnamen zonder toevoeging van zowel de naam ‘[voornaam]’ als een omschrijving van de activiteit niet geoorloofd is. Voorzover [A] het woord ‘[naam]’ in haar handelsnaam wil laten volgen door een woord dat de gebruikelijke omschrijving van haar werkgebied is, kan haar dat recht niet worden ontzegd. Dat dit verwarring kan veroorzaken met de door [eiser] gevoerde handelsnamen (‘[naam]’, voorafgegaan door ‘[voornaam]’ en gevolgd door een omschrijving van het werkterrein), is uitsluitend het gevolg van de keuze van [eiser] om met zijn handelsnamen zo dicht aan te gaan zitten tegen de reeds veel langer gebruikte handelsnamen van (de rechtsvoorganger van) [A]. Dit verwarringsgevaar kan dan ook niet leiden tot een verbod aan [A] om in haar handelsnamen het beschrijvende element op te nemen. Het gevorderde verbod op het gebruik van andere, op de handelsnaam van [eiser] gelijkende handelsnamen wordt daarom afgewezen.

5.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [A] en [B] hebben veroordeling van [eiser] gevorderd in de volledige (proces)kosten, op grond van artikel 1019h Rv. Zij vordert een bedrag van EUR 11.780,85 aan advocaatkosten. [eiser] heeft hiertegen geen verweer gevoerd en deze kosten komen redelijk voor. De gevorderde kosten zullen derhalve worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 11.780,85

Totaal EUR 12.042,85

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Ter zitting heeft [eiser] toegezegd de domeinnamen [domeinnaam 3] en [domeinnaam 2] “dood” te zullen maken. Voor zover de vordering ziet op deze domeinnamen hebben gedaagden, gelet op deze toezegging, geen belang meer bij toewijzing daarvan. In zoverre zal de vordering dan ook worden afgewezen.

6.2. Derhalve resteert de vordering om [eiser] te verbieden een andere handelsnaam (een domeinnaam daaronder begrepen) te voeren waarvan het bestanddeel ‘[naam]’ onderdeel uitmaakt, zonder dat daaraan de naam ‘[voornaam]’ en de omschrijving van een specifiek product of een specifieke dienst zijn toegevoegd.

6.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of het gebruik van een domeinnaam moet worden aangemerkt als het gebruik van een handelsnaam. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. [eiser] gebruikt de domeinnamen [domeinnaam 3] en [domeinnaam 2] om mogelijke klanten die op zoek zijn naar een onderneming die onder de naam ‘[naam]’ deze diensten aanbiedt, naar zijn site te leiden. Hij treedt onder deze namen dus naar buiten, zodat het gebruik van deze namen als gebruik van handelsnamen moet worden aangemerkt. Omdat de handelsnamen van partijen zo dicht bij elkaar liggen, rust op [eiser] de plicht om verwarring zoveel mogelijk te voorkomen. Nu zijn recht op gebruik van de naam ‘[naam]’ – zoals hiervoor onder 5.4 is overwogen – is beperkt door de eis dat die naam moet zijn voorzien van de hiervoor genoemde toevoegingen en nu het gebruik van de domeinnamen [domeinnaam 3] en [domeinnaam 2] de verwarring nog groter maakt, maakt [eiser] door het gebruik van die domeinnamen inbreuk op de (handelsnaam- en merk)rechten van [A] en [B]. Dit geldt niet voor de domeinnaam [domeinnaam 4], nu deze domeinnaam duidelijk verwijst naar [eiser]. Dat [eiser] heeft toegezegd om de domeinnamen [domeinnaam 3] en [domeinnaam 2] “dood” te zullen maken, ontneemt [A] en [B] niet hun belang bij het gevorderde verbod om andere inbreukmakende handelsnamen te voeren. De slotsom is dat het gevorderde verbod op het gebruik van de domeinnamen [domeinnaam 3], [domeinnaam 2] en [domeinnaam 4] zal worden afgewezen, maar dat vordering voor het overige zal worden toegewezen, waarbij de dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

6.4. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden wegens samenhang met de conventie begroot op nihil.

6.5. De termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv zal worden gesteld op drie maanden, gerekend vanaf de datum van dit vonnis.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

7.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [A] en [B] tot op heden begroot op EUR 12.042,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.5. verbiedt [eiser] om langer dan dertig dagen na betekening van dit vonnis een handelsnaam (waaronder mede wordt verstaan een domeinnaam) te voeren waarvan de naam ‘[naam]’ onderdeel uitmaakt, zonder dat deze naam wordt voorafgegaan door de naam ‘[voornaam]’ en zonder dat daaraan is toegevoegd de omschrijving van een specifiek product of een specifieke dienst, met uitzondering van de domeinnaam [domeinnaam 4],

7.6. bepaalt dat [eiser] voor iedere dag of gedeelte daarvan

dat hij in strijd handelt met het onder 7.5 bepaalde, aan [A] en [B] een dwangsom verbeurt van EUR 2.500,00, tot een maximum van EUR 100.000,00,

7.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die wegens samenhang met de conventie worden begroot op nihil,

7.9. Stelt de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op drie maanden, gerekend vanaf de datum van dit vonnis,

7.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2009.