Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ8736

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
13-467609-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor onder meer poging tot diefstal voorafgegaan van bedreiging met geweld in vereniging en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verwerping van verweren m.b.t. het doorladen van een vuurwapen en vrijwillige terugtred.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/467609-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 11 juni 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P.C. Velleman en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. H.J.G. Brander en

door verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 december 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) met een valse sleutel weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [persoon 1] (en zijn twee kinderen [kind 1] en [kind 2]), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met

een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met de (al eerder die maand verloren) huissleutel voornoemde woning is/zijn binnengekomen, in elk geval door middel van een valse sleutel en/of de slaapkamer van die [persoon 1] is/zijn binnengestapt en/of een mes en/of een vuurwapen heeft/hebben getoond en/of op die [persoon 1] gericht en/of voornoemd vuurwapen doorgeladen en/of voornoemde [persoon 1] gesommeerd op zijn buik op bed te gaan liggen met zijn handen op zijn rug en/of de kinderen van die [persoon 1] de badkamer in heeft/hebben gesommeerd

en/of

hij op of omstreeks 19 december 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [persoon 1] (en zijn twee kinderen [kind 1] en [kind 2]) wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en / of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en / of (een of meer) van zijn mededader(s) een mes en/of een vuurwapen getoond en/of op die [persoon 1] gericht en/of

voornoemd vuurwapen doorgeladen en/of voornoemde [persoon 1] gesommeerd op zijn buik op bed te gaan liggen met zijn handen op zijn rug en/of de kinderen van die [persoon 1] de badkamer in gesommeerd; in elk geval die [persoon 1] (en zijn twee kinderen) (telkens) belet te gaan waarheen zij wilden;

2.

hij op of omstreeks 19 december 2008 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een alarm/startpistool (opschrift Police, kaliber 8mm knal, kleur zwart), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 19 december 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft gedragen een keukenmes (zwart, 21 cm lang), in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, dan wel te dreigen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

op 19 december 2008 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) met een valse sleutel weg te nemen goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van bedreiging met geweld tegen die [persoon 1] en zijn twee kinderen [kind 1] en [kind 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, met zijn mededader, met de al eerder die maand verloren huissleutel voornoemde woning is binnengekomen, en de slaapkamer van die [persoon 1] is binnengestapt en een mes en een vuurwapen heeft getoond en op die [persoon 1] gericht en voornoemd vuurwapen doorgeladen en voornoemde [persoon 1] gesommeerd op zijn buik op bed te gaan liggen met zijn handen op zijn rug en de kinderen van die [persoon 1] de badkamer in heeft gesommeerd

en

op 19 december 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk twee kinderen [kind 1] en [kind 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader de kinderen van die [persoon 1] de badkamer in gesommeerd;

ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

op 19 december 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een alarm/startpistool, opschrift Police, kaliber 8mm knal, kleur zwart, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

op 19 december 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, heeft gedragen een keukenmes, zwart, 21 cm lang, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, dan wel te dreigen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat alle telastegelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard. Met betrekking tot het onder 1, eerste deel telastegelegde zijn de volgende bewijsmiddelen in het dossier voorhanden: de aangifte, getuigenverklaringen, de bevindingen van de politie, de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en daarnaast de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2009. Voor wat betreft het onder 1, tweede deel telastegelegde is er naast de verklaring van het slachtoffer [persoon 1], ook de verklaring van verdachte zelf, die voor het bewijs kan worden gebezigd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1, eerste deel telastegelegde aangevoerd dat, wanneer de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de telastegelegde overval, verdachte dient te worden vrijgesproken van het doorladen van het vuurwapen, nu er feitelijk geen sprake was van doorladen, maar van het spannen van de haan van het vuurwapen.

Voorts heeft de raadsman met betrekking tot de telastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer [persoon 1] aangevoerd dat deze weliswaar wettig en overtuigend kan worden bewezen, maar dat verdachte geen opzet heeft gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. Dit feit is gepleegd door de medeverdachte, zonder dat verdachte daarvan van te voren op de hoogte was, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het onder 2 telastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Wat feit 3 betreft, heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De beoordeling van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de feiten 1, eerste deel, 2 en 3:

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de bewijsmiddelen, zoals genoemd in de voetnoten i (feit 1, eerste deel), ii (feit 2), iii (feit 3) en iv (de bekennende verklaring van verdachte inzake de feiten 1, 2 en 3) en de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte.

Ter terechtzitting van 28 mei 2009 heeft verdachte onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Het klopt dat ik op 19 december 2008 samen met een ander de woning aan de [adres] te Amsterdam ben binnengegaan. We hebben de voordeur met de huissleutel van de woning opengemaakt. We hebben rondgelopen in de kamer. De medeverdachte gaf mij een zak met daarin tie-wraps en een pistool. Ik stopte een paar tie-wraps bij me en in mijn tasje. Ik stopte ze op verschillende plekken. Wij gingen naar boven. De deur van de slaapkamer stond open. De man, die in bed lag, schrok. Ik heb de haan van mijn vuurwapen gespannen en ben op de man afgelopen. Ik zei tegen hem dat hij op zijn buik moest gaan liggen en ik zei tegen hem dat we voor spullen kwamen. Het slachtoffer zei dat er drie personen in huis waren. De medeverdachte sloot de kinderen op in de badkamer. We zijn daarna naar beneden gegaan en hebben de woning verlaten.

De tie-wraps waren ervoor bedoeld om de mensen vast te binden.

Ik moest juwelen en dure dingen verzamelen’.

Ten aanzien van feit 1, tweede deel:

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in het bewijsmiddel, zoals genoemd in voetnoot 1, zijn vervat en in het navolgende zijn uitgewerkt en de ter terechtzitting afgelegde, hierboven uitgewerkte verklaring van verdachte.

Aangever [persoon 1] heeft verklaard dat hij op 19 december 2008 in bed lag. Hij was thuis met zijn twee kinderen, [kind 1] en [kind 2].

Aangever zag dat NN2 zijn slaapkamer uitliep. Hij hoorde NN2 tegen zijn zoon [kind 1] zeggen: “Ga de badkamer in”. Even later hoorde aangever NN2 ook tegen [kind 2] zeggen dat zij de badkamer in moest. Ongeveer twee minuten nadat [kind 1] en [kind 2] naar de badkamer moesten, zag de aangever dat NN1 zijn slaapkamer uitliep. Aangever sprong uit bed en voegde zich bij zijn kinderen in de badkamer. Na ongeveer 3 à 4 minuten ging de aangever de badkamer uit en keek uit het raam naar buiten.

Aangever is daarna met [kind 1] en [kind 2] naar beneden gegaan.

4.4. Bespreking van verweren.

4.4.1.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij bewezenverklaring van het onder 1, eerste deel telastegelegde verdachte dient te worden vrijgesproken van het doorladen van het vuurwapen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Aangever heeft verklaard dat verdachte de slede van het pistool naar achteren heeft getrokken. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting van 28 mei 2009 verklaard dat hij niet heeft doorgeladen, maar de haan van het wapen heeft gespannen.

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat het doorladen van het vuurwapen, dat als zodanig in de telastelegging is opgenomen, objectief moet worden bezien. Het handelen van verdachte kon door het slachtoffer - en in diens plaats een ieder ander persoon - , die geen deskundigheid op het gebied van vuurwapens heeft, worden opgevat als het doorladen van het pistool. De rechtbank is van oordeel dat onder het doorladen niet alleen moet worden begrepen het daadwerkelijk plaatsen van een kogel in de kamer van de loop, doch in het hedendaags spraakgebruik onder het doorladen van een pistool evenzo dient te worden verstaan het naar achteren trekken van de slede, danwel het spannen van de haan. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging dan ook bewezen.

4.4.2.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachtes opzet niet was gericht op de wederrechtelijke vrijheidsbeneming van de kinderen, zodat daarvan vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte is, tezamen met zijn mededader op de vrijdag voor de kerstdagen, rond 9.00 uur in de ochtend, de woning van [persoon 1] binnengegaan, met het doel waardevolle spullen te stelen. Op deze dag en dit tijdstip bestond naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid dat er mensen in de woning aanwezig waren. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte en zijn mededader met deze mogelijkheid rekening hebben gehouden. Verdachte en zijn mededader hadden immers hun hoofden bedekt met capuchons en een vuurwapen, een mes en tie-wraps bij zich. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de tie-wraps waren bestemd om de mensen vast te binden. Nu verdachte onder deze omstandigheden de woning heeft betreden, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de medeverdachte de in de woning aanwezige andere personen, in casu kinderen, wederrechtelijk van hun vrijheid zou beroven.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten onder 1, eerste en tweede gedeelte, en onder 2 zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde van oordeel dat nu de bewezenverklaring niet behelst de categorie van de Wet wapens en munitie, waarin het wapen valt (in casu categorie IV), de rechtbank het feit niet als een strafbaar feit kan kwalificeren. Verdachte zal dan ook voor dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. De strafbaarheid van verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2

6.1.

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat er bij feit 1, eerste gedeelte, sprake is geweest van vrijwillige terugtred. In casu is de diefstal niet voltooid ten gevolge van een omstandigheid van de wil van verdachte afhankelijk. Verdachte heeft verklaard dat hij is weggegaan vanwege de kinderen. Verdachte had een vuurwapen bij zich en ging als eerste de kamer in. De andere man haalde de kinderen uit hun kamer en sloot hen op in de badkamer. Kennelijk was dat de reden dat verdachte wegging. Verdachte dacht toen aan zijn dochtertje, waarvan hij heel veel houdt, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat er geen sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Verdachte rept met geen woord over het feit dat hij door de kinderen is weggegaan.

Daarnaast zijn er ook feiten en omstandigheden die niet op een vrijwillige terugtred wijzen. Als je een woning binnen treedt, maak je haast. Een getuige heeft verklaard dat de verdachten 20 minuten binnen zijn geweest. Toen zij binnen waren, is er twee keer aangebeld. Er waren vermoedens van onraad. Mogelijk zou de politie komen. De medeverdachte heeft uit het raam gekeken en zag mensen buiten staan. Ten slotte heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat verdachte tezamen met de medeverdachte is weggerend, hetgeen niet wijst op compassie met de kinderen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Wordt een misdrijf niet voltooid ten gevolge van een omstandigheid van de wil van de dader afhankelijk, dan is de poging tot een misdrijf niet strafbaar. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij is weggegaan ‘vanwege de kinderen’. Ter zitting heeft hij enkel verklaard dat hij is weggegaan, nadat de kinderen door de mededader in de badkamer waren gedirigeerd en niet dat dit de reden van zijn vertrek uit de woning zou zijn geweest. Wat hier ook van zij, het aantreffen van de kinderen in de woning kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een geslaagd beroep op de zogenaamde vrijwillige terugtred, nu de aanwezigheid van de kinderen in de woning een externe omstandigheid was en niet een omstandigheid van de wil van verdachte afhankelijk. Het verweer wordt derhalve verworpen.

6.2.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar voor de feiten 1, eerste en tweede gedeelte en feit 2.

7. Motivering van de straf

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, eerste en tweede deel, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte, bij bewezenverklaring van de feiten, waarschijnlijk een lange gevangenisstraf tegemoet kan zien. Behandeling van verdachte is echter noodzakelijk. De raadsman heeft de rechtbank verzocht het advies van de reclassering te volgen, hetgeen inhoudt dat verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd met daaraan gekoppeld verplicht reclasseringscontact en behandeling bij De Waag. De raadsman heeft voorts verzocht om een groot voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Wat er ook zij van de verklaring van verdachte dat hij onder druk zou zijn gezet om de overval in de woning te plegen en dat hij vlak voor de aanvang van de overval een vuurwapen in handen gedrukt heeft gekregen, feit blijft dat verdachte bewust de keuze heeft gemaakt om met zijn mededader op slinkse wijze een woning binnen te dringen en daarbij een vuurwapen te gebruiken. Verdachte en zijn mededader hebben de deur geopend met de originele sleutel van de woning. Zij zijn de woning binnengegaan met de intentie waardevolle spullen mee te nemen. Naast wapens hebben zij tie-wraps meegenomen, bedoeld om daarmee mensen vast te binden. Op het moment dat zij de woning binnen gingen, lagen daar een man en zijn twee kinderen in hun bedden. Verdachte en de mededader hebben beneden in de kamer van de woning rondgekeken en zijn vervolgens naar boven gegaan waar zij [persoon 1] en zijn twee kinderen in hun bed aantroffen. Verdachte en de mededader hebben vervolgens [persoon 1] bedreigd met een vuurwapen en een mes. Verdachte heeft het vuurwapen op [persoon 1] gericht en doorgeladen. Hij heeft tegen het slachtoffer gezegd dat hij op zijn buik moest gaan liggen en zijn handen op zijn rug moest doen. De mededader heeft de kinderen de badkamer in gestuurd. De dochter heeft nog geroepen dat zij haar vader niets moesten aandoen. De kinderen hebben vervolgens enkele angstige minuten in de badkamer moeten doorbrengen. Dit moet een bijzonder traumatische ervaring voor de slachtoffers zijn geweest. Vooral voor de kinderen [kind 1] en [kind 2] van respectievelijk 8 en 11 jaar oud. Door het handelen van verdachte en de medeverdachte is hun veiligheidsgevoel zeer aangetast. Zij waanden zich veilig in hun woning. De kinderen waren na afloop van de gebeurtenis erg overstuur en hebben een kwartier onafgebroken gehuild, aldus [persoon 1]. Ze hebben tegen hun vader gezegd dat zij na school niet alleen thuis wilden komen.

De heer [persoon 1] heeft enige tijd na het gebeurde verklaard dat hij slecht slaapt en dat zijn kinderen angstig zijn. Hij heeft aangegeven zich kwetsbaar te voelen. De vrouw van [persoon 1] heeft daarop verklaard dat de kinderen niet goed alleen kunnen zijn en dat zij zich zo naar voelt dat zij het liefst zou gaan verhuizen, vooral voor de kinderen.

De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen als de onderhavige nog lange tijd te kampen hebben met de psychisch nadelige gevolgen daarvan. Hierom hebben verdachte en de medeverdachte, die kennelijk op spullen en juwelen belust waren, zich niet bekommerd.

Gelet op al hetgeen hiervoor is weergegeven is de rechtbank van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

De rechtbank heeft acht geslagen op het door de Reclassering over verdachte uitgebracht voorlichtingsrapport van 26 februari 2009, waarin wordt geadviseerd een voorwaardelijk strafdeel, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, op te leggen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, nu uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2008 blijkt verdachte meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld en daar ook forse vrijheidsbenemende straffen voor opgelegd heeft gekregen. Deze straffen hebben hem kennelijk niet weerhouden wederom soortgelijke feiten te begaan.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat mee dat hij ter terechtzitting aan [persoon 1] en zijn vrouw, die ter zitting aanwezig waren, spijt heeft betuigd.

Gelet op het vooroverwogene en gelet op het ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 3, komt de rechtbank tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten die voor feiten als de onderhavige gelden en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, eerste en tweede gedeelte, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde onder 1, eerste en tweede gedeelte, en 2 de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van het onder 1, eerste deel van het bewezenverklaarde:

poging tot diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 1, tweede deel van het bewezenverklaarde:

medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Verklaart dat het onder 3 bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt verdachte voor de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. C.E.M. Marsé en M.P.E. Oomens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.J.A. van der Velde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2009.

i Een proces-verbaal met nummer 2008350548-1 van 19 december 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1], brigadier van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, inhoudende de verklaring van aangever [[persoon 1] (doorgenummerde bladzijden 24 tot en met 28).

ii Een proces-verbaal met nummer 2008350548 van 21 december 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], brigadier-rechercheur van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, inhoudende een onderzoek naar het vuurwapen met bijlagen (doorgenummerde bladzijden 63 tot en met 66).

iii Een proces-verbaal met nummer 2008350548 van 21 december 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], brigadier-rechercheur en van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, inhoudende een onderzoek naar het mes met bijlagen (doorgenummerde bladzijden 59 tot en met 62).

iv Een proces-verbaal met nummer 2008350548-1 van 13 januari 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3], respectievelijk brigadier-rechercheur en hoofdagent-rechercheur van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte (doorgenummerde bladzijden 81 tot en met 86).

13/467609-08 [verdachte] (Promis)