Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ8498

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08/1957 REINR
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanslag reinigingsrecht, honorering beroep op vertrouwensbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1496
FutD 2009-2066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 08/1957 REINR

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaats],

eiser,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij beschikking gedateerd 28 februari 2007 heeft verweerder eiser voor het belastingjaar 2007 onder meer een aanslag reinigingsrecht van € 332,87 opgelegd voor zijn atelier aan de [adres] te [plaats].

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 16 juni 2008 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser beroep ingesteld bij brief van 27 juni 2008.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2009, waar voor eiser zijn echtgenote, [naam1], is verschenen en waar verweerder is verschenen in de persoon van mr. W.A.H. Bänziger.

Motivering

1. In geschil is alleen de vraag of verweerder eiser deze aanslag reinigingsrecht mocht opleggen.

2. Eiser heeft in beroep, kort weergegeven, aangevoerd dat de aanslag reinigingsrecht erg hoog is in verhouding tot zijn daadwerkelijk geproduceerde afval. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de aanslag voor 2004 na bezwaar is verlaagd naar € 0. In 2005 en 2006 is hij, na bezwaar, vrijgesteld van de verplichting reinigingsrecht te betalen. Zijn omstandigheden zijn in 2007 niet anders dan in de voorgaande jaren, aldus eiser.

3. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar gesteld dat eiser, aangezien hij weinig afval aanbiedt, in aanmerking komt voor het verlaagde tarief en dat de aanslag op dit lagere tarief is vastgesteld.

4. Ingevolge artikel 11 van de Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsvuil stadsdeel Amsterdam-Centrum 2007 (de Verordening) is belastingplichtig voor het reinigingsrecht bedrijfsvuil degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Verordening bedraagt het recht voor het periodiek inzamelen van bedrijfsafvalstoffen, voor zover dit kan geschieden tijdens het periodiek inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, bij de afgifte van ten hoogste 176 liter per week, overeenkomend met maximaal vier huisvuilzakken van 44 liter, indien de belastingplicht op 1 januari aanvangt of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, € 279,72 exclusief btw.

Ingevolge artikel 17 van de Verordening wordt van het reinigingsrecht geen kwijtschelding verleend.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser ingevolge de Verordening reinigingsrecht verschuldigd is. Hij heeft immers erkend dat hij - zij het weinig - bedrijfsafvalstoffen heeft aangeboden ter inzameling.

6. Uit de door eiser overgelegde uitspraak op zijn bezwaar tegen de aanslag reinigingsrecht voor 2004 blijkt dat de aanvankelijke aanslag van € 613,33 op advies van het stadsdeel Amsterdam-Centrum is vernietigd en dat het nieuw vastgestelde bedrag nihil is.

Uit de door eiser overgelegde uitspraak op zijn bezwaar tegen de aanslag reinigingsrecht voor 2005 van € 304,88, blijkt dat hij op advies van zijn stadsdeel is vrijgesteld voor de jaren 2005 en 2006.

7. Verweerder heeft verklaard dat ook in de jaren 2004, 2005 en 2006 kwijtschelding volgens de regels niet mogelijk was. Verweerder heeft ook erkend dat de persoonlijke omstandigheden van eiser in 2007 niet anders waren dan in de jaren ervoor. Wel is volgens verweerder in 2007, anders dan in de jaren ervoor, een verlaagd tarief mogelijk voor de kleine aanbieders van bedrijfsafval.

8. De rechtbank kan slechts vaststellen dat eiser het verschuldigde reinigingsrecht drie opeenvolgende jaren - hoewel de regels daarin niet voorzagen - feitelijk is kwijtgescholden. Verweerder heeft de redenen daarvoor indertijd niet benoemd en heeft dat nu ook niet meer kunnen doen. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn, naar niet in geschil is, in 2007 niet anders dan in 2005 en 2006. Hoewel verweerder heeft verklaard dat het lage tarief pas in 2007 is ingevoerd, blijkt uit de uitspraak op bezwaar over de aanslag voor 2005 dat eiser in dat jaar aanvankelijk voor een vergelijkbaar laag tarief is aangeslagen. Een tarief dat ongeveer de helft bedroeg van de aanvankelijk opgelegde aanslag voor 2004. De rechtbank gaat er daarom van uit dat ook in 2005 en 2006 al een laag tarief gold voor kleine aanbieders van bedrijfsafval, dat er toen niet aan in de weg heeft gestaan eiser vrij te stellen van de verplichting reinigingsrecht te betalen.

9. In deze omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanslag voor 2007 niet mogen opleggen zonder ofwel deze te stoelen op een (relevante) wijziging van omstandigheden ofwel tijdig en tevoren een gewijzigde benadering van eisers belastingplicht aan hem bekend te maken. Nu gesteld noch gebleken is dat zo’n wijziging zich heeft voorgedaan of zo’n bekendmaking is gedaan, moet de opgelegde aanslag in strijd worden geacht met het beginsel dat gewekte verwachtingen moeten worden gehonoreerd. Deze strijd met het vertrouwensbeginsel vindt de rechtbank van groter gewicht dan de strijd met het legaliteitsbeginsel die kwijtschelding - in strijd met de Verordening - van eisers belastingplicht oplevert.

10. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het beroep gegrond is en de bestreden uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd. De rechtbank zal zelf een nieuwe uitspraak op bezwaar doen, nu die naar haar oordeel in de gegeven omstandigheden slechts een verlaging van het door eiser voor 2007 verschuldigde reinigingsrecht tot nihil kan inhouden. Verweerder hoeft dus geen nieuwe uitspraak op bezwaar meer te doen.

11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding nu niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die, gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder eiser het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar van 16 juni 2008;

- vermindert de aanslag reinigingsrecht voor 2007 tot nihil;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder eiser het betaalde griffierecht van € 39,- moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2009 door mr. M. Kraefft, rechter, in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.