Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ8471

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
13-993196-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV3008, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de bestuurder en enig aandelhouder van een NV veroordeeld tot een geldboete van 60.000 euro waarvan 20.000 euro voorwaardelijk omdat hij gedurende een lange periode stelselmatig opzettelijk artikel 2a van de Wmz 1996 heeft overtreden.

Verdachte heeft aandelen van zijn NV gekocht om zijn belang in de onderneming te vergroten, maar nagelaten dat tijdig bij de AFM te melden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door niet onverwijld maar eerst na aandringen door de AFM de transacties te melden, de transparantie en de werking van de Nederlandse effectenmarkt heeft verslechterd.

Wetsverwijzingen
Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996
Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 2a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2010, 22
JOR 2009/328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993196-06 (Promis)

Datum uitspraak: 16 september 2009

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], overigens zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 september 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E.C. Visser en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - tenlastegelegd dat hij, als bestuurder van [C] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2004, te Gouda en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, hierna te noemen wijziging(en) in het aantal aandelen in het kapitaal van [C], waarover hij (middels de door hem gehouden vennootschappen [D] en [E]) toen en daar beschikte, niet onverwijld aan de Minister van Financiën, althans aan de Autoriteit Financiële Markten, heeft/hebben gemeld, op door de Minister van Financiën, althans de Autoriteit Financiële Markten, bepaalde wijze, te weten;

- de toename van 1.000.000 aandelen op of omstreeks 6 juni 2003 (D-08-01)

- de toename van 568.000 aandelen op of omstreeks 19 juni 2003 (D-08-02)

- de toename van 150.000 aandelen op of omstreeks 1 juli 2003 (D-08-03)

- de toename van 322.743 aandelen op of omstreeks 11 juli 2003 (D-08-04)

- de toename van 33.200 aandelen op of omstreeks 16 september 2003 (D-08-06)

- de toename van 65.211 aandelen op of omstreeks 2 oktober 2003 (D-33 en D-05)

- de toename van 6.700 aandelen op of omstreeks 9 oktober 2003 (D-08-07)

- de toename van 10.000 aandelen op of omstreeks 21 oktober 2003 (D-08-08)

- de toename van 90.214 aandelen op of omstreeks 19 november 2003 (D34)

- de toename van 1.558.216 aandelen op of omstreeks 16 januari 2004 (D-23-01)

- de afname van 23.192 aandelen op of omstreeks 18 februari 2004 (D-23-02 en D-23-03)

- de toename van 173.445 aandelen op of omstreeks 18 maart 2004 (D-23-05).

2. Voorvragen

2.1 Geldigheid van de dagvaarding

2.1.1 De raadsman heeft betoogd dat de tenlastelegging moet worden nietig verklaard en daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De tenlastelegging vermeldt artikel 2a Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 (Wmz 1996). Dit is kennelijk het voorschrift dat het Openbaar Ministerie aan verdachte ten laste heeft willen leggen. Het vierde lid van artikel 2a Wmz 1996 bepaalt: ,,Iedere bestuurder en commissaris van een vennootschap meldt onverwijld aan de vennootschap en aan Onze Minister iedere wijziging in het aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap en in het kapitaal van de met de vennootschap gelieerde vennootschappen waarover hij beschikt.” Opvallend is dan, dat volgens de tenlastelegging verdachte wordt verweten dat hij niet onverwijld heeft gemeld “op de door de Minister van Financiën, althans de Autoriteit Financiële Markten, bepaalde wijze.” Deze laatste zin komt terug in artikel 6b Wmz 1996 waar staat dat melding als bedoeld in artikel 2a, vierde of vijfde lid, geschiedt op door Onze Minister te bepalen wijze (…). Overtreding van artikel 6b Wmz 1996 is volgens de Wet op de economische delicten ook een economisch delict. De conclusie is dan ook dat in de tenlastelegging twee onderscheiden voorschriften en dus twee onderscheiden en verschillende delictomschrijvingen door elkaar zijn gegooid. Zowel het voorschrift dat ziet op de termijn van de melding als ook het voorschrift dat ziet op de vorm waarin melding moet worden gedaan, is in de tenlastelegging vervat. Deze mix van voorschriften is niet zonder problemen. Uit het dossier blijkt dat namens verdachte een hele serie meldingen is gedaan voordat uiteindelijk (op 5 augustus 2003) een melding werd gedaan die de AFM als “voldoende” kwalificeerde. De eerdere meldingen zouden bijvoorbeeld wel onverwijld kunnen zijn gedaan, doch slechts niet gedaan “op de door de Minister van Financiën, althans de Autoriteit Financiële markten, bepaalde wijze” hetgeen niet een overtreding van artikel 2a Wmz 1996 zou opleveren, doch uitsluitend een overtreding van artikel 6b Wmz 1996. De tenlastelegging is daarom in juridische zin ontspoord, nu zij is toegesneden op twee delictsomschrijvingen. De conclusie is dan ook dat de tenlastelegging nietig moet worden verklaard. Subsidiair moet de dagvaarding wat betreft de zinsnede “op de door de Minister van Financiën, althans de Autoriteit Financiële markten, bepaalde wijze” (gedeeltelijk) nietig wordt verklaard.

2.1.2 De rechtbank overweegt ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding als volgt. De tenlastelegging, bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden in het tegen de verdachte opgemaakte strafdossier, is, hoewel zijdelings in het dossier het niet op de juiste wijze melden als bedoeld in artikel 6b Wmz 1996 wordt genoemd, onmiskenbaar toegesneden op de (opzettelijke) overtreding van artikel 2a van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 (Wmz 1996), naar welk artikel onder de tenlastelegging ook verwezen wordt. Gezien de redactie van de tenlastelegging, is het vermelden van de wijze van melden als uitleg en niet als beschuldiging bedoeld. Voldoende duidelijk is dat verdacht wordt verweten dat hij niet onverwijld heeft gemeld en niet dat hij niet op de juiste wijze heeft gemeld. Uit het verhoor bij de FIOD en het verhandelde ter terechtzitting is bovendien duidelijk geworden dat verdachte heeft begrepen waarvan hij wordt beschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat in zoverre de dagvaarding voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Ook overigens is sprake van een behoorlijke en voldoende duidelijke omschrijving van de tenlastelegging. De rechtbank verwerpt het verweer strekkende tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding en verklaart de dagvaarding geldig.

2.2 Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank heeft geconstateerd dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte wat betreft de overtredingen van artikel 2a Wmz 1996 voor zover deze opzettelijk zijn begaan. Zoals hierna onder punt 7 zal worden overwogen, kan de officier van justitie niet worden ontvangen in de vervolging van verdachte ten aanzien van overtredingen van artikel 2a Wmz 1996, die niet opzettelijk zijn begaan.

2.4. Geen schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft geconstateerd dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De feiten

3.1 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten af.

3.1.1. Verdachte is sinds 2001-2002 directeur en enig bestuurder van [C]i en sinds 2001 directeur van zowel [D] als [E]. Van beide laatstgenoemde vennootschappen is hij enig aandeelhouder en bestuurder.ii Als er aandelen gekocht worden dan wel verkocht worden, gebeurt dat op initiatief van verdachte. Op enig moment geeft verdachte opdracht om aandelen [C] te kopen om zijn belang in deze onderneming te vergroten. Hij laat de verdere uitvoering aan een ander in zijn onderneming over. Verdachte is eindverantwoordelijk en hij weet dat hij uiteindelijk de meldingsplichtige is.iii

3.1.2 Op 8 juli 2003 neemt de Autoriteit Financiële markten (AFM) naar aanleiding van een tip betreffende een vermeende aandelentransactie van verdachte, contact op met [groepsju[groepsjuriste], groepsjuriste van [C]. Laatstgenoemde laat weten dat [C] de correspondentie waarin de AFM informeert over de nieuwe meldingsplichten in artikel 2a Wmz 1996 heeft ontvangen. Een dag later neemt de AFM wederom contact op met [C]. De secretaresse van [groepsjuriste] laat dan weten dat men zich heeft gerealiseerd dat verdachte inderdaad een meldingsplicht heeft.iv

3.1.3 Op 10 juli 2003 faxt de AFM een brief naar het kantoor van verdachte in Gouda en stuurt deze per reguliere post aan verdachte. In deze brief verzoekt de AFM verdachte dringend per omgaande te voldoen aan zijn initiële meldingsplicht en aan andere meldingsplichten op grond van de Wmz 1996. v Verdachte ontvangt deze fax en geeft deze ter verdere afhandeling aan mevrouw [groepsjuriste].vi

3.1.4 Vanaf 5 augustus ontvangt de AFM per fax van [D] “Meldingsformulieren Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen (artikel 2a Wmz 1996)”. Het betreft telkens meldingen van [C] Verdachte wordt als meldingsplichtige genoemd. Het aantal aandelen voor en na de transactie wordt vermeld, alsmede de datum van de transactie en het aantal verkregen aandelen.

3.1.5 Op 5 augustus 2003 meldt verdachte de AFM de toename van 1.000.000 aandelen op 6 juni 2003vii, de toename van 568.000 aandelen op 19 juni 2003viii, de toename van 150.000 aandelen op 1 juli 2003ix en de toename van 322.743 aandelen op 11 juli 2003.x Op 2 oktober 2003 meldt verdachte de toename van 33.200 aandelen op 16 september 2003.xi De toename van 65.211 aandelen op 2 oktober 2003 die op 3 oktober 2003 op de rekening van [D] wordt geboekt wordt op 9 oktober 2003 gemeldxii. Op 21 oktober 2003 meldt hij de toename van 6.700 aandelen op 9 oktober 2003xiii en de toename van 10.000 aandelen op 21 oktober 2003 wordt gemeld op 7 november 2003.xiv De toename van 90.214 aandelen op 19 november 2003, de toename van 1.558.216 aandelen op 16 januari 2004, de afname van 23.192 aandelen op 18 februari 2004 en ten slotte de toename van 173.445 aandelen op 18 maart 2004 worden op respectievelijk 24 november 2003xv, 23 januari 2004xvi, 19 maart 2004xvii en 7 juni 2008 gemeld.xviii

4. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij zijn requisitoir onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht. Het tenlastegelegde, het niet onverwijld melden door verdachte van wijzigingen in aantal aandelen in het kapitaal van [C] waarover hij beschikte, kan worden bewezen. De meldingen die op de tenlastelegging staan zijn allemaal te laat gedaan. Verdachte had onverwijld moeten melden zodra hij wist of behoorde te weten dat de aandelen waren gekocht. De data waarop uiteindelijk is gemeld liggen vér na de transactiedata, maar ook vér na de boekdata. Verdachte zegt dat hij het aan zijn personeel heeft overgelaten, te weten aan mevrouw [groepsjuriste] en de heer [persoon 2]. [persoon 2] kocht de aandelen, [groepsjuriste] deed de meldingen. Verdachte blijft hiervoor echter aansprakelijk. Hij dient erop toe te zien dat de meldingen tijdig gedaan worden en kan zijn verantwoordelijkheden niet afschuiven naar zijn personeel. Hij ziet dat zelf ook wel in, gelet op zijn verklaring. [groepsjuriste] zegt dat er tot het telefoongesprek met de AFM van juli 2003 onduidelijkheid bestond over de vraag of er wel gemeld zou moeten worden, omdat verdachte niet zélf de aandelen kocht maar dit via vennootschappen gebeurde. [persoon 2] bevestigt dit min of meer en zegt dat er vanuit de AFM duidelijkheid had moeten komen over hun verplichtingen. Dit verweer kan niet opgaan. Uit de wet én uit de voorlichtingsbrochure blijkt dat een belang dat via een dochtermaatschappij wordt gehouden ook gemeld moet worden. Dit is ook vanuit het gezond boerenverstand geredeneerd erg logisch en het bevreemdt dan ook dat daar bij [groepsjuriste] onduidelijkheid over bestond. Het staat bovendien zelfs in het meldingsformulier, dat als bijlage bij de brief van 22 augustus 2002 is verzonden. Onverwijld is zo snel mogelijk. Dit is ook logisch, omdat de beurshandel drijft op informatie en een bestuurder die aandelen gaat inkopen of verkopen is acuut relevant voor de beurshandel, en met het verstrekken van die informatie kan dus geen dagen worden gewacht.

5. Het standpunt van de verdediging

5.1 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat niet onverwijld is gemeld. Het startpunt voor de meldingstermijn is niet de datum waarop de aandelen zijn verworven. Het moment van wetenschap van verdachte dat een wijziging in zijn aandelenkapitaal is opgetreden, of het moment dat hij dit behoorde te weten is maatgevend voor beantwoording van de vraag of de melding van die wijziging onverwijld heeft plaatsgevonden. Verdachte hield zich niet bezig met de uitvoering van de aankoop van aandelen en hij was niet op de hoogte van de verschillende tranches waarin de aandelen werden aangekocht en op welke data dit exact plaatsvond. Hij behoorde dit ook niet te weten omdat de door hem verstrekte opdracht aan [persoon 2] aandelen te kopen onbeperkt was, in die zin dat er gedurende en periode onbeperkt aandelen tegen een bepaald bedrag moesten worden aangekocht. Verdachte werd niet tussentijds op de hoogte gesteld van elke tranche aandelen die werd aangekocht. Hij heeft de activiteiten aankoop en melding deugdelijk gedelegeerd en vertrouwde vervolgens op zijn werknemers. Een gang van zaken die, mede gelet op de omvang van zijn onderneming, niet meer dan gebruikelijk is. Op het moment dat bij hem de wetenschap aanwezig was betreffende de koop van aandelen heeft hij - via mevrouw [groepsjuriste] - melding gedaan van de wijzigingen.

5.2. Subsidiair kan niet worden bewezen dat verdachte opzettelijk niet onverwijld heeft gemeld. Verdachte heeft de opdracht tot de aankoop van aandelen en de vervulling van de daaropvolgende meldplicht aan de AFM gedelegeerd aan [persoon 2] en [groepsjuriste]. Het doen van de meldingen bij de AFM behoorde tot de werkzaamheden van [groepsjuriste], zij droeg hiervoor ook de verantwoordelijkheid. Verdachte vertrouwde op de kunde en de expertise van [groepsjuriste]. Zij was al geruime tijd verbonden aan de onderneming als jurist en heeft in het kader van haar functie onder meer de verantwoording gekregen over de meldingen aan de AFM. Zij heeft dientengevolge ook de contacten met de AFM onderhouden. [groepsjuriste] leefde - gelet op haar contacten met de AFM - in de veronderstelling dat de door haar gedane meldingen in orde waren. Verdachte heeft zelf geen contact met de AFM gehad. Hij heeft daarom van de AFM geen signalen gehad dat er problemen zouden zijn omtrent de meldingen. Ook van mevrouw [groepsjuriste] heeft hij geen signalen gekregen dat de meldingen niet geheel deugdelijk of niet geheel tijdig zouden worden verricht. Vanzelfsprekend, nu ook mevrouw [groepsjuriste] zelf die signalen niet had gekregen. Verdachte verkeerde kortom geheel in de veronderstelling dat alle noodzakelijke meldingen conform de wettelijke waren en werden gedaan. Met andere woorden er was geen bewustheid van een kans dat niet onverwijld zou worden gemeld. Op het moment dat verdachte op de hoogte raakte van een discussie tussen [groepsjuriste] en de AFM over de vraag of een bepaalde bandbreedte al of niet was overschreden, heeft hij [groepsjuriste] duidelijk te kennen gegeven dat zij “alles moest melden.” Aanvaarding van een kans dat niet onverwijld zou worden gemeld kan mede daarom evenmin worden bewezen. Op grond van het voorgaande kan het bestanddeel “ opzettelijk” niet bewezen verklaard worden en dient verdachte te worden vrijgesproken.

6. Het oordeel van de rechtbank

6.1 Onverwijld melden

6.1.1 Het vierde lid van artikel 2a Wmz 1996 schrijft onder meer voor dat iedere bestuurder van een vennootschap elke wijziging in het aantal aandelen in het kapitaal van de vennootschap en in het kapitaal van de met de vennootschap gelieerde vennootschappen waarover hij beschikt onverwijld aan de vennootschap en aan Onze Minister moet melden.

6.1.2 De meldingsplicht ontstaat, indien aan de verkrijging of het verliezen een overeenkomst ten grondslag ligt, bijvoorbeeld een koopovereenkomst, voor de verkrijger op het moment dat de obligatoire overeenkomst tot stand komt. Eventuele betalings- of leveringstermijnen zijn niet van invloed op het ontstaansmoment van de meldingsplicht omdat dit moment meestal na het zogeheten verbintenisrechtelijk moment ligt. (Zie ook paragraaf 6 van de Voorlichtingbrochure Wmz 1996)xix. De meldingsplicht ontstaat met andere woorden op het moment dat de koopovereenkomst wordt gesloten.

6.1.3. Ingevolge artikel 4, tweede lid Wmz 1996 wordt iemand geacht te beschikken over de aandelen en de stemmen waarover een dochtermaatschappij beschikt.

6.1.4 Met ‘onverwijld melden’ wordt in het kader van de Wmz 1996 bedoeld dat de tijd die ligt tussen het moment van weten of behoren te weten en het moment dat de melding wordt verzonden zo kort mogelijk dient te zijn.

6.1.5 In de onderhavige zaak heeft verdachte de opdracht gegeven aan een van zijn medewerkers aandelen te kopen. In de brief van de AFM van 21 juni 2002 staat dat een belangrijke consequentie van het overgaan van de meldingsplicht van artikel 46 Wte 1995 naar de Wmz 1996 is, dat bestuurders nu ook mutaties in de eigen vennootschap en de gelieerde vennootschap dienen te melden die voor hen zijn verricht door een derde. De meldingsplichtige blijft zelf verantwoordelijk voor de inhoud en de tijdigheid van de melding. De rechtbank is van oordeel dat verdachte maatregelen had dienen te nemen teneinde tijdig te kunnen melden, bijvoorbeeld door bij het geven van de opdracht tot het kopen van aandelen nadrukkelijk te bedingen dat hij onmiddellijk van elke transactie op de hoogte wordt gebracht, hetgeen met de huidige communicatiemiddelen eenvoudig moet zijn te realiseren. De rechtbank is van oordeel dat de transactiedatum het moment is waarop voor verdachte de plicht ontstond te melden en dat hij zich er niet achter kan verschuilen dat hij pas later op de hoogte is gebracht van de aankoop van aandelen.

6.2 Opzet

6.2.1 De rechtbank is van oordeel dat verdachte in de periode van 1 juni 2003 tot en met 9 juli 2003 wijzigingen in het aantal aandelen in het kapitaal van [C] weliswaar niet onverwijld heeft gemeld, maar niet dat hij dat opzettelijk heeft gedaan, zodat dat onderdeel van de tenlastelegging enkel in de schuldvariant bewezen verklaard kan worden. Verdachte had de aankoop van aandelen gedelegeerd en het melden van de wijzigingen in handen gelegd van de bedrijfsjurist. De rechtbank kan daaruit niet afleiden dat verdachte door die werkwijze welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat niet tijdig zou worden gemeld.

6.2.2 Op 10 juli 2003 heeft de AFM een brief aan verdachte gefaxt. De brief is gefaxt naar diens bedrijf in Gouda waar verdachte - naar eigen zeggen ter zitting - in tegenstelling tot het adres waarop hij staat ingeschreven wel dagelijks kwamxx. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze fax heeft ontvangen en aan mevrouw [groepsjuriste] heeft gegeven. In deze aan verdachte (persoonlijk) gerichte brief staat het volgende: ,,Per 1 september 2002 dienen bestuurders en commissarissen van de beursgenoteerde ondernemingen hun aandelenbezit en mutaties in aandelen in de eigen en daaraan gelieerde N.V.´s bij de AFM melden. Kortheidshalve verwijzen wij u naar onze brieven van 21 juni 2002 en 22 augustus 2002 die informeren over deze wetsaanpassing. Uit ons onderzoek is gebleken dat wij tot op heden geen initiële melding van uw aandelenbezit [C]. (“[C]”), noch meldingen van eventuele wijzigingen in dit bezit, hebben ontvangen. Naar aanleiding van een telefonisch gesprek op 8 juli jl. tussen mw. [groepsjuriste] van [C] en dhr. [persoon 3] van de AFM kwam mw. [groepsjuriste] tot de conclusie dat ten onrechte nog niet aan de meldingsplicht is voldaan. Helaas kon of wilde zij ook vandaag niet aangeven op welke termijn wij uw meldingen wel zullen ontvangen. Wij verzoeken u nu dringend per omgaande te voldoen aan uw initiële meldingsplicht en aan andere meldingsplichten op grond van de Wmz 1996 en/of de Wte 1995. Wellicht ten overvloede wijzen wij u erop dat de AFM sancties op kan leggen voor het niet voldoen aan meldingsplichten. Bij het opleggen van de toepasselijke sanctie weegt de tijd waarbinnen alsnog aan de plicht wordt voldaan meexxi.

6.2.3 De rechtbank is van oordeel dat verdachte na op 10 juli 2003 te hebben kennisgenomen van de inhoud van vorenbedoelde fax, die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, op de hoogte moet zijn geweest van de meldingsplicht en van het feit dat die tot op dat moment niet was nageleefd. Door er vervolgens niet op toe te zien dat vanaf die dag wijzigingen in het aantal aandelen in het kapitaal van [C] onverwijld zouden worden gemeld, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet aan de meldingsplicht zou worden voldaan.

7. Verjaring

De rechtbank is aldus van oordeel dat weliswaar bewezen kan worden dat verdachte de wijzigingen in het aantal aandelen op 6 juni 2003, 19 juni 2003 en 1 juli 2003 niet onverwijld heeft gemeld en daarmee artikel 2a van de Wmz 1996 heeft overtreden, maar niet dat hij dat opzettelijk heeft gedaan. Voor zover de officier van justitie (impliciet) subsidiair de overtredingsvariant van artikel 2a van de Wmz 1996 ten laste heeft gelegd, kan hij daarin niet worden ontvangen. Het recht tot strafvervolging ten aanzien van die overtredingen (op grond van artikel 70, eerste lid onder 1o van het Wetboek van Strafrecht) is verjaard. De eerste daad van vervolging is immers de dagvaarding van 27 september 2007 terwijl de overtredingen zijn begaan medio 2003.

8. Bewezenverklaring

Op grond van de wettige bewijsmiddelen zoals genoemd in de voetnoten, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden zoals zakelijk weergegeven onder 3 en 6, waarop de bewezenverklaring steunt, heeft de rechtbank de overtuiging gekregen en acht zij wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat verdachte, als bestuurder van [C], in de periode vanaf 9 juli 2003 tot en met 31 mei 2004, te Gouda en Amsterdam, telkens opzettelijk hierna te noemen wijzigingen in het aantal aandelen in het kapitaal van [C], waarover hij middels de door hem gehouden vennootschappen [D] en [E] toen en daar beschikte, niet onverwijld aan de Minister van Financiën, althans aan de Autoriteit Financiële Markten, heeft gemeld, op door de Minister van Financiën, althans de Autoriteit Financiële Markten, bepaalde wijze, te weten:

- de toename van 322.743 aandelen op of omstreeks 11 juli 2003

- de toename van 33.200 aandelen op of omstreeks 16 september 2003

- de toename van 65.211 aandelen op of omstreeks 2 oktober 2003

- de toename van 6.700 aandelen op of omstreeks 9 oktober 2003

- de toename van 10.000 aandelen op of omstreeks 21 oktober 2003

- de toename van 90.214 aandelen op of omstreeks 19 november 2003

- de toename van 1.558.216 aandelen op of omstreeks 16 januari 2004

- de afname van 23.192 aandelen op of omstreeks 18 februari 2004

- de toename van 173.445 aandelen op of omstreeks 18 maart 2004.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

9. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

10. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

11. Motivering van de straf

11.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 100.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen. Die eis heeft hij als volgt onderbouwd. Een geldboete is de meest aangewezen straf. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is eerst gekeken naar de boetes die de AFM normaal gesproken kan opleggen in dit soort gevallen. De bestuurlijke boete bedraagt aldus € 21.781, per overtreding. De AFM zou in beginsel een geldboete van ruim € 260.000,00 kunnen opleggen voor de (opzettelijk begane) overtredingen. Een boete van deze omvang is in dit soort zaken ook niet vreemd. Als verdachte niet meldt en de beurs niet weet dat hij aandelen inkoopt, blijft de koers laag. Uit de aangifte van de AFM blijkt wat publicatie van de AFM op haar website voor gevolg heeft: de koers stijgt 20% en de handel verviervoudigt. Als verdachte eerder had gemeld, had hij tegen hogere bedragen moeten inkopen. Verdachte heeft hoogstwaarschijnlijk een fors financieel voordeel gehad door zijn handelswijze in 2003, omdat tussen de aankoopdatum en de melddatum weer nieuwe aankopen zijn gedaan, die, als hij wel goed had gemeld, tegen een hogere koers ingekocht hadden moeten worden. Uitgaande van de veronderstelling dat de koers van het aandeel bij melding van de eerste aankoop van 1.000.000 aandelen rond 6 juni 2003 al met 20% gestegen zou zijn, dan is het voordeel (568.000+150.000+322.743 * 20% * 0,5) voor verdachte ruim 100.000 euro (104.074,30). Het voordeel voor verdachte zit ook nog in de transacties van 65.211, 6.700 en 10.000 aandelen rond 2 oktober, 9 oktober en 21 oktober 2003, omdat de meldingsdatum van de voorgaande transactie in die gevallen ligt na of op de datum van de nieuwe aankoop. De wetgever heeft bij het bepalen van de hoogte van de straffen op economische delicten expliciet overwogen dat, indien niet daadwerkelijk zware straffen opgelegd kunnen worden en ook regelmatig opgelegd worden, het begaan van economische delicten, zakelijk beschouwd, voordeliger is dan het zorgvuldig nakomen van de voorschriften (MvT, Kamerstukken 1947/1948, 603, nr. 3, p. 11). Het wettelijk strafmaximum is volgens artikel 6 lid 1 onder 2 WED juncto artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zoals dat gold van 1 januari 2002 tot 31 januari 2006 een geldboete van € 11.250 per feit. Dit kan op grond van artikel 6 lid 1 onder 4 WED echter verhoogd worden tot een geldboete van de vijfde categorie, te weten € 45.000. Omdat er 12 keer een strafbaar feit is gepleegd is de maximale geldboete € 540.000. Een dergelijk hoge geldboete wordt niet geëist. Bij het bepalen van de geldboete wordt nog enigszins rekening gehouden met het tijdsverloop, hoewel dit voor een deel ook aan verdachte zelf te wijten is.

11.2. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden, mocht zij tot een veroordeling en een strafoplegging komen. Het gaat om relatief geringe feiten die ook nog eens dateren uit 2003 en 2004. Er is geen sprake geweest van het najagen van enig eigenbelang. Verdachte heeft een jurist met ruime ervaring in de persoon van mevrouw [groepsjuriste] de opdracht gegeven tot het doen van de meldingen. Hij vertrouwde erop dat de meldingen onverwijld zouden worden gedaan. De onderneming van verdachte verkeerde in zware financiële problemen na de fusie en dientengevolge had verdachte als enig bestuurder andere prioriteiten. Hij was dag en nacht bezig met het redden van de onderneming. Verdachte heeft geen recidive. Gelet op voornoemde omstandigheden zou moeten worden volstaan met een (voorwaardelijke) geldboete die aanzienlijk lager is dan door de officier van justitie gevorderd.

11.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de hierna te noemen strafoplegging in overeenstemming is met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een geldboete en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode stelselmatig opzettelijk artikel 2a van de Wmz 1996 overtreden. Doel van de Wmz 1996 was de bevordering van de transparantie van de effectenmarkt. Potentiële beleggers dienen in het algemeen tijdig te worden geïnformeerd. De openbaarmaking van de Wmz 1996-meldingen dient ter bevordering van de doorzichtigheid van de (Nederlandse) effectenmarkt, zodat beleggers in staat zijn om beter geïnformeerd en onderbouwd een beoordeling te maken van de effecten waarin zij mogelijk transacties willen verrichten. Op deze wijze draagt de vergrote transparantie bij aan een verbetering van de werking van de effectenmarkten. Door niet onverwijld maar eerst na aandringen door de AFM te melden, heeft verdachte de transparantie en de werking van de Nederlandse effectenmarkt verslechterd.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte meewegen dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en de omstandigheid dat de onderhavige zaak uit 2004 dateert.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2a van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 8 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van de (impliciet subsidiair) tenlastegelegde overtredingen gepleegd op 6 juni 2003, 19 juni 2003 en 1 juli 2003.

Het bewezenverklaarde levert op: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2a van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 60.000,00 (zestigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 318 (driehonderdachttien) dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze geldboete, groot € 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 135 (honderdvijfendertig) dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. A.E.J.M. Gielen en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2009.

De voorzitter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.

i Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam van 19 december 2003 (bijlage D-07.02 van het dossier).

ii Geschriften, zijnde uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam van 7 november 2003 (bijlage D-07.03 en D-07.04 van het dossier).

iii Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 29 juli 2008 met nummer 31674, opgemaakt in de wettige vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2].

iv Een geschrift, zijnde een aangifte door de AFM ter zake van stafbare feiten als bedoeld in artikel 1 sub 2 Wet economische delicten juncto artikel 2 en 2a Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen van 30 december 2003 (bijlage Aan-02 van het dossier).

v Een geschrift, zijnde een brief van de AFM van 8 juli 2003 aan [verdachte] betreffende De Wmz 1996 (bijlage D-10 van het dossier)

vi De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 september 2009.

vii Een geschrift, zijnde een kopie van een op 5 augustus 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 gedateerd 5 augustus 2003 (bijlage D-8.01 van het dossier).

viii Een geschrift, zijnde een kopie van een op 5 augustus 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-08.02 van het dossier)

ix Een geschrift, zijnde een kopie van een op 5 augustus 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-08.03 van het dossier)

x Een geschrift, zijnde een kopie van een op 5 augustus 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 gedateerd 5 augustus 2003 (D-08.04)

xi Een geschrift, zijnde een op 2 oktober 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-08.06 van het dossier).

xii Een geschrift, zijnde een op 9 oktober 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-33 van het dossier).

xiii Een geschrift, zijnde een op 21 oktober 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-08.07van het dossier).

xiv Een geschrift, zijnde een op 7 november 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-08.08 van het dossier).

xv Een geschrift, zijnde een op 24 november 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-34 van het dossier).

xvi Een geschrift, zijnde een op 23 januari 2004 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 (bijlage D-23.01 van het dossier).

xvii Een geschrift, zijnde een op 30 maart 2003 gefaxt Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 gedateerd 5 augustus 2003 (bijlage D-23.03 van het dossier).

xviii Een geschrift, zijnde een op 8 juni 2003 binnengekomen Meldingsformulier Effectentransacties voor Bestuurders en Commissarissen artikel 2a Wmz 1996 gedateerd 7 juni 2004 (bijlage D-23.05 van het dossier).

xix Zie bijlage D-26.

xx Zie noot 6.

xxi Zie noot 5.

Vonnis inzake: [verdachte]

Parketnummer: 13/993196-06