Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7584

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
14-09-2009
Zaaknummer
421336 / HA ZA 09.0702
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Italiaans recht, Weens Koopverdrag; schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid onder Italiaans recht; schending van exclusiviteitsafspraken in de modebranche; wezenlijke tekortkoming

Het toepasselijk recht is Italiaans recht en het Weens Koopverdrag.

Aan de orde is de vraag of partijen, bij de totstandkoming van de overeenkomst, exclusiviteit zijn overeengekomen ten aanzien van de verkoop van gedaagde van kleding van eiseres in het centrum van Amsterdam. Exclusiviteit zou mondeling zijn overeengekomen. Dit wordt betwist evenals de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon die dit zou zijn overeengekomen. Ter beoordeling staat onder meer of sprake was van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid onder Italiaans recht. Partijen zullen gelegenheid krijgen zich hierover nader bij akte uit te laten. Aan gedaagde wordt verder bewijs opgedragen van de volgens haar overeengekomen exclusiviteit, alsmede van de schending van die exclusiviteitsafspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 421336 / HA ZA 09-702

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

COSTUME NATIONAL DISTRIBUTION S.R.L.,

gevestigd te Milaan, Italië,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. van Hees,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VELVET UOMO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VELVET DONNA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M.V.J. Noordermeer.

Partijen zullen hierna Costume National en Velvet genoemd worden. Gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie zullen afzonderlijk Velvet Uomo en Velvet Donna genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 februari 2009,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie van 15 april 2009,

- het tussenvonnis van 29 april 2009,

- een brief van de zijde van Velvet van 2 juli 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 16 juli 2009, met de daarin genoemde conclusie en bewijsstukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 31 januari 2008 en 1 februari 2008 heeft Velvet kleding besteld bij Costume National. Tijdens de gesprekken over deze verkooporders werd Costume National vertegenwoordigd door mevrouw [A], de toenmalige commercieel directrice / sales area manager export voor Europa. Naar aanleiding van de door Velvet geplaatste verkooporders zijn koopovereenkomsten tot stand gekomen.

2.2. Op deze koopovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden van Costume National (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Artikel 11 van de algemene voorwaarden luidt:

“no right of exclusivity is hereby granted by the Seller with regard to the sale of the goods indicated in the Order Confirmation and of its goods in general. The Buyer, therefore, hereby acknowledges and accepts that even within a prolonged commercial relationship any circumstances that could de facto entail a situation of exclusivity will not grant it any right thereto”.

2.3. Na levering verkocht Velvet de kleding in Amsterdam. In september 2008 heeft Velvet er kennis van genomen dat een andere in Amsterdam gevestigd modewarenhuis, Senza B.V. (hierna: Senza) adverteerde met de verkoop van kleding van Costume National.

2.4. Costume National heeft aan Velvet Uomo een bedrag van € 48.408,00 in rekening gebracht en aan Velvet Donna een bedrag van € 38.474,00. Velvet heeft deze bedragen niet voldaan.

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1. Costume National vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair:

-Velvet Uomo te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan Costume National te voldoen bedragen ter hoogte van € 17.807,00, € 12.909,00, € 11.342,00, € 5.086,00 en € 1.264,00, te vermeerderen met een rente van 8 % per jaar, te berekenen vanaf verschillende vervaldata tot en met de dag der algehele voldoening;

-Velvet Donna te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan Costume National te voldoen bedragen ter hoogte van € 16.814,00, € 5.458,00, € 7.844,00,

€ 7.632,00 en € 726,00, te vermeerderen met een rente van 8 % per jaar, te berekenen vanaf verschillende vervaldata tot en met de dag der algehele voldoening;

II. Subsidiair:

-Velvet Uomo te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan Costume National te voldoen een bedrag van € 48.408,00, te vermeerderen met een rente van 8 % per jaar, te berekenen vanaf 8 januari 2009 tot en met de dag der algehele voldoening;

-Velvet Donna te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan Costume National te voldoen een bedrag van € 38.474,00, te vermeerderen met een rente van 8 % per jaar, te berekenen vanaf 8 januari 2009 tot en met de dag der algehele voldoening;

III.

-Velvet Uomo en Velvet Donna te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan Costume National beiden te voldoen een bedrag van € 1.000,-- aan buitengerechtelijke kosten;

IV

Velvet Uomo en Velvet Donna te veroordelen in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met veroordeling van Velvet Uomo en Velvet Donna in de nakosten, te weten een bedrag van € 131,00 dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,00 en de eventuele verdere executiekosten.

3.2. Costume National heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij kleding heeft geleverd aan Velvet, en daarvoor facturen heeft verzonden aan Velvet. Ondanks herhaalde sommaties heeft Velvet het verschuldigde bedrag niet betaald, aldus Costume National.

3.3. Velvet heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. Velvet vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I.

-Primair:

Voor recht te verklaren dat de overeenkomsten tot levering van 31 januari 2008 tussen Velvet Uomo en Costume National en de overeenkomst van 1 februari 2008 tussen Velvet Donna en Costume National bij (confraternele) brief d.d. 19 december 2008 (gedeeltelijk) buitenrechtelijk zijn ontbonden, voor zover het betreft het door Velvet Uomo en Velvet Donna nog niet verkochte deel van de collectie;

-Subsidiair:

De overeenkomsten tot levering van 31 januari 2008 tussen Velvet Uomo en Costume National en de overeenkomst van 1 februari 2008 tussen Velvet Donna en Costume National gedeeltelijk te ontbinden, voor zover het betreft het door Velvet Uomo en Velvet Donna nog niet verkochte deel van de collectie;

II. Costume National te veroordelen de goederen die zich thans nog bevinden bij Velvet Uomo en Velvet Donna krachtens de op Costume National rustende ongedaanmakingsverplichting binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis af te halen bij Velvet Uomo en Velvet Donna, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat Costume National daarmee nalatig is, tot een maximum van € 60.000,00;

III. Voor recht te verklaren dat Velvet aan haar ongedaanmakingsverbintenis heeft voldaan door Costume National in de gelegenheid te stellen de goederen die zich nog bevinden bij Velvet Uomo en Velvet Donna terug te nemen;

IV. Costume National te veroordelen tot betaling van door Velvet geleden en nog te lijden schade, thans begroot op een schadebedrag van € 49.022,00 voor Velvet Donna en een schadebedrag van € 75.767,00 voor Velvet Uomo, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.2. Velvet heeft aan de vordering in reconventie het volgende ten grondslag gelegd. Costume National en Velvet zijn bij de totstandkoming van de overeenkomsten mondeling exclusiviteit overeengekomen met betrekking tot de verkoop van kleding van Costume National in het centrum van Amsterdam. Costume National heeft dezelfde kleding echter behalve aan Velvet ook geleverd aan Senza. Ten gevolge hiervan is een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst ontstaan. Deze tekortkoming in de nakoming is aan te merken als een “wezenlijke tekortkoming” in de zin van artikel 49 van het Weens Koopverdrag zodat voor Velvet het recht is ontstaan om de overeenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden. Als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding zijn voor partijen over en weer verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties ontstaan, aldus Velvet.

5. Het verweer in reconventie

5.1. Costume National heeft aangevoerd dat zij met Velvet geen exclusieve verkoop voor Velvet voor het centrum van Amsterdam is overeengekomen. Nu Costume National geen kleding heeft geleverd aan Senza is een eventuele afspraak over exclusiviteit overigens ook niet geschonden, aldus Costume National.

6. De beoordeling

In conventie en in reconventie

6.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat in deze zaak het Italiaanse materiële recht toegepast dient te worden. De rechtbank constateert dat het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980 (hierna: Weens Koopverdrag) deel uitmaakt van het Italiaanse recht, zodat dit verdrag eveneens op de onderhavige situatie van toepassing is.

In reconventie

6.2. De vraag of de vordering in conventie voor toewijzing in aanmerking komt, is afhankelijk van het al dan niet slagen van de vordering in reconventie. De rechtbank zal dan ook in eerste instantie de vordering in reconventie beoordelen. In reconventie is de vraag aan de orde of partijen, bij de totstandkoming van de overeenkomsten, exclusiviteit zijn overeengekomen ten aanzien van de verkoop door Velvet van kleding van Costume National in het centrum van Amsterdam.

6.3. Op grond van artikel 11 van het Weens Koopverdrag behoeft een koopovereenkomst niet door middel van een geschrift te worden bewezen en is zij aan geen vormvereiste onderworpen. Een koopovereenkomst kan derhalve ook mondeling worden gesloten en door alle bewijsmiddelen worden bewezen.

6.4. Velvet heeft zich op het standpunt gesteld dat de exclusiviteit tijdens gesprekken in Milaan bij het tekenen van de verkooporders mondeling is overeengekomen met [A]. Costume National heeft echter betwist dat [A] deze afspraak met Velvet heeft gemaakt en heeft overigens aangevoerd dat [A] tot het maken van dergelijke afspraken namens Costume National niet bevoegd was.

6.5. De rechtbank overweegt als volgt. Nu [A], aldus Costume National, niet bevoegd was Costume National te vertegenwoordigen, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of wellicht de schijn is gewekt dat zij wel vertegenwoordigingsbevoegd was, zoals Velvet heeft gesteld. Velvet heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat zij ervan uitging dat [A] bevoegd was tot het aangaan van overeenkomsten, ook voor zover met deze overeenkomsten afwijkingen van de algemene voorwaarden gemoeid waren. Ook heeft Velvet opgemerkt dat [A] de indruk wekte dat zij bevoegd was om Costume National te vertegenwoordigen en dat zij meedeelde dat zij het hoofd verkoop van Europa was en uit dien hoofde eindverantwoordelijk was met betrekking tot het aangaan van de overeenkomsten. Costume National heeft hier tegenover aangevoerd dat [A] weliswaar bevoegd was tot het aangaan van overeenkomsten, maar dat zij in geval van afwijkingen van de daarbij behorende algemene voorwaarden contact op moest nemen met een binnen Costume National hoger in rang geplaatste. Dit heeft [A] nagelaten, aldus Costume National.

6.6. De rechtbank stelt vast dat omtrent het leerstuk van de (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid in het Weens Koopverdrag niets is geregeld. De vraag naar de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] dient dan ook te worden beantwoord op grond van het Italiaanse materiële recht, welk recht immers op de onderhavige situatie van toepassing is. Het Italiaanse recht bepaalt dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid in ieder geval is gewekt wanneer, kort gezegd, aan de volgende voorwaarden is voldaan: De persoon die geacht moet worden de principaal te zijn heeft door onachtzaam gedrag het vertrouwen bij de derde partij gewekt dat degene die zich als vertegenwoordiger presenteerde bevoegd was om voor de principaal op te treden, de derde partij is op dit gedrag in goed vertrouwen afgegaan en de derde partij mocht in redelijkheid ook op dit gedrag afgaan.

6.7. Toegepast op deze zaak betekent dit het navolgende. [A] was commercieel directrice/sales area manager voor Europa namens Costume National. Zij vertegenwoordigde Costume National bij het sluiten van overeenkomsten met nieuwe cliënten en was daartoe bevoegd. Onder dergelijke omstandigheden ligt het voor een wederpartij niet voor de hand nader te informeren naar de reikwijdte van de bevoegdheid bij het onderhandelen over de voorwaarden waaronder de overeenkomst tot stand zal komen. Men mag ervan uitgaan dat de persoon die wordt afgevaardigd om de onderhandelingen te voeren daartoe ook bevoegd zal zijn, tenzij anders is gebleken. Costume National heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit afgeleid kan worden dat zij op enige wijze Velvet heeft geïnformeerd dat [A] geen bevoegdheid bezat tot het aangaan van overeenkomsten onder voorwaarden afwijkend van de algemene voorwaarden. Onder die omstandigheden is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat – indien [A] al niet bevoegd was tot het overeenkomen van bepaalde voorwaarden – Costume National door onachtzaam gedrag het vertrouwen bij Velvet heeft gewekt dat [A] bevoegd was voor haar op te treden. Gelet op het voorgaande en op het feit dat het Italiaanse recht op dit punt overeenkomsten vertoont met het Nederlandse recht, is de rechtbank van oordeel dat op voorhand de conclusie niet kan worden uitgesloten dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] door Costume National is gewekt. Nu partijen zich over de eventueel gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid echter slechts hebben uitgelaten naar aanleiding van het Nederlandse recht, zal Velvet in de gelegenheid worden gesteld haar standpunten aangaande dit onderwerp aan te vullen. Costume National zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. Partijen dienen daarbij standpunten naar voren te brengen met betrekking tot de vraag of, op grond van Italiaans recht, de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid met betrekking tot [A] is gewekt.

6.8. Slechts voor zover zal worden geoordeeld dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bestond, is de vraag aan de orde of Costume National aan Velvet het exclusieve recht op verkoop van haar kleding heeft verschaft, met andere woorden, of tussen partijen exclusiviteit is overeengekomen en of deze afspraak is geschonden zoals Velvet heeft gesteld. Omdat gelet op het vorenoverwogene op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoedheid is gewekt, overweegt de rechtbank thans reeds het volgende.

6.9. Velvet heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat zij met Costume National exclusiviteit is overeengekomen, naar voren gebracht dat [A], in afwijking van de algemene voorwaarden, heeft toegezegd dat Velvet het recht op exclusieve verkoop van de kleding in het centrum van Amsterdam zou krijgen. Daarnaast heeft Velvet erop gewezen dat het maken van dergelijke exclusiviteitsafspraken in de branche zeer gebruikelijk is. Costume National heeft hier tegenover aangevoerd dat exclusiviteit niet is overeengekomen, en dat de algemene voorwaarden volledige gelding hebben op dit punt.

6.10. De rechtbank is van oordeel dat Velvet haar stelling dat zij met [A] is overeengekomen dat Velvet het exclusieve recht op verkoop van de kleding van Costume National zou verkrijgen, voldoende feitelijk heeft onderbouwd. Nu Velvet zich op de rechtsgevolgen van die exclusiviteitsclausule beroept, zal de rechtbank haar om proceseconomische redenen reeds nu in de gelegenheid stellen haar stelling te bewijzen.

6.11. De rechtbank merkt hieromtrent ook thans reeds op dat Velvet voldoende duidelijk heeft gemaakt dat een schending van een dergelijke exclusiviteitsclausule (voor zover deze is overeengekomen) voor haar een wezenlijke tekortkoming in de zin van het Weens Koopverdrag oplevert, terwijl Costume National deze stelling van Velvet onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat, voor zover een schending van de exclusiviteitsclausule zou komen vast te staan, deze schending voor Velvet een wezenlijke tekortkoming in de zin van het Weens Koopverdrag behelst.

6.12. Vervolgens is de vraag aan de orde of, voor zover Velvet mocht verwachten dat [A] vertegenwoordigingsbevoegd was, en voor zover bewezen wordt dat exclusiviteit is overeengekomen zoals door Velvet is gesteld, door Costume National een inbreuk is gemaakt op de exclusiviteitsclausule, met andere woorden, of Costume National toerekenbaar tekort is gekomen in haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomsten, zoals Velvet heeft gesteld. Velvet heeft hiertoe primair aangevoerd dat Costume National kleding heeft geleverd aan Senza. Velvet heeft naar voren gebracht dat haar medewerkers ervan op de hoogte waren dat de kleding van Costume National door Senza werd verkocht, en dat klanten in de winkel van Velvet zijn geweest met kleding die kort daarvoor was gekocht bij Senza. Velvet heeft voorts benadrukt dat zij de bewuste “lijn” van Costume National kan herkennen ten opzichte van andere kledinglijnen van dit merk. Costume National heeft de stelling betwist dat zij kleding zou hebben geleverd aan Senza betwist.

6.13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Velvet haar primaire stelling zoals hiervoor omschreven voldoende met feiten onderbouwd. Velvet zal worden opgedragen om haar stelling dat Costume National de kleding heeft geleverd aan Senza te bewijzen.

6.14. Subsidiair heeft Velvet nog gesteld dat Costume National haar exclusiviteitsafspraak ook zou hebben geschonden indien niet zal komen vast te staan dat zij de kleding aan Senza heeft geleverd. In de modebranche is het immers gebruikelijk, aldus Velvet, dat tegen mogelijke inbreuken op merkenrecht actief wordt opgetreden. De rechtbank deelt dit standpunt van Velvet niet. Het moge dan zo zijn dat in de modebranche actief wordt opgetreden ter handhaving van eigen rechten, dit betekent niet automatisch dat een derde partij daaraan eveneens rechten kan ontlenen. De rechtbank is van oordeel dat de verwachtingen die aan een exclusiviteitsafspraak kunnen worden ontleend, niet zodanig ver kunnen strekken dat van de wederpartij uit hoofde van deze afspraak ook verlangd kan worden dat deze optreedt richting derden. Feiten of omstandigheden die dit in deze zaak anders zouden kunnen doen zijn, heeft Velvet niet gesteld.

In conventie en in reconventie

6.15. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank alle overige beslissingen in conventie en in reconventie aanhouden.

7. De beslissing

De rechtbank

in reconventie

7.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 september 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van Velvet zoals omschreven in rechtsoverweging 6.7, waarna Costume National in de gelegenheid zal worden gesteld hierop te reageren;

7.2. draagt Velvet op te bewijzen:

-dat zij met [A] is overeengekomen dat Velvet exclusief voor het centrum van Amsterdam het recht verkreeg kleding van de eerste lijn van Costume National te verkopen;

-dat Costume National (in strijd met deze afspraak) kleding van de eerste lijn van Costume National aan Senza heeft geleverd;

7.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 september 2009 voor uitlating door Velvet of zij het bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel;

7.4. bepaalt dat Velvet, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen;

7.5. bepaalt dat Velvet, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, partijen en advocaten in de eerstvolgende drie maanden moet opgeven, waarna een dag voor de getuigenverhoren zal worden bepaald;

7.6. bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. C.H. Rombouts in het gerechtsgebouw van de rechtbank te Amsterdam;

7.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

in conventie en in reconventie

7.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009.?