Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7581

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
14-09-2009
Zaaknummer
263301 / HA ZA 03.0918
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Begroting overlijdensschade na deskundigenbericht, beroep op matiging

Art. 6:108 en 6:109 BW

Gedaagde heeft de echtgenoot/vader van eiseressen een vuistslag gegeven, tengevolge waarvan deze is overleden. Begroting overlijdenschade ex 6:108 BW na deskundigenbericht. Het beroep op matiging ex artikel 6:109 BW wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 263301 / HA ZA 03-918

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

1. [A],

2. [B] en

3. [C],

allen wonende te --,

eiseressen,

advocaat mr. P.F. Keuchenius,

tegen

[D],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. S.A. van der Sluijs.

Partijen worden hierna [A] c.s. en [D] genoemd.

1. De verdere procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 juni 2006, aangevuld bij vonnis van 25 april 2007 en het proces-verbaal van comparitie d.d. 14 mei 2007,

- het deskundigenadvies van [E], werkzaam bij het NRL, d.d. 21 oktober 2008,

- het vonnis in het incident van 18 maart 2009,

- de conclusie na deskundigenbericht tevens akte vermeerdering van eis,

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht tevens antwoordakte vermeerdering van eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 21 juni 2006 is over de door [D] aan [A] c.s. te vergoeden schade geoordeeld:

- dat de kosten van lijkbezorging ten bedrage van EUR 13.990,38, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 oktober 2002, toewijsbaar zijn,

- dat de sommenverzekeringen tot een bedrag van EUR 18.151,21 niet in mindering strekken op de schade van [A],

- dat de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van totaal EUR 26.507,69, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2004 toewijsbaar zijn.

Aan [A] c.s. is in het kader van de begroting van de schade wegens het derven van hun levensonderhoud een nadere toelichting gevraagd over hun eventuele toekomstige behoeftebeperking in verband met een mogelijke nieuwe relatie van [A] en mogelijke eigen inkomsten van de kinderen, studiefinanciering en dergelijke. Ook is om een toelichting verzocht in verband met een uitkering van een ongevallenverzekering van EUR 266.000,-. Tot slot zijn [A] c.s. in de gelegenheid gesteld om te reageren op het beroep van [D] op matiging.

Voorts is [E] tot deskundige benoemd en bij mondelinge uitspraak van 14 mei 2007 is hem de vraag voorgelegd:

Wat is de schade wegens gederfd levensonderhoud van mevrouw [A] en haar twee dochters als gevolg van het overlijden van de heer [F]?

2.2. Ter zitting van 14 mei 2007 is namens [A] c.s. verklaard dat de situatie van [A] sinds het tweede rapport van Groot Expertisebureau d.d. 16 december 2003 niet was veranderd en dat haar dochters allebei aan een hogeschool studeerden.

Daarnaast is het beroep op matiging weersproken. Namens [A] c.s. is aangevoerd dat [D] niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, indien de rechtbank geen matiging zou toepassen, tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden voor hem.

Namens [D] is aangevoerd dat hij niet verzekerd is voor de schade en op bijstandsniveau leeft.

Verder zijn partijen het erover eens geworden dat de winst van de onderneming van [F] in de hypothetische situatie dat hij niet zou zijn overleden, dient te worden bepaald aan de hand van de situatie van de vijf jaren daarvoor, maar dat voor de verwachting op lange termijn mede dient te worden gekeken naar de situatie van dit moment. De schade van de kinderen wordt berekend tot en met hun 22ste en de rekenrente wordt vastgesteld op 3% voor alle jaren.

2.3. Na onderzoek heeft [E] op 21 oktober 2008 zijn rapport uitgebracht.

Daarin verzoekt hij de rechtbank om zich op een aantal onderdelen uit te spreken over de uitgangspunten, die voor de schadeberekening moeten worden gehanteerd. Voorts doet hij zelf voorstellen ten aanzien van die uitgangspunten en begroot hij de schade, waarvan naar zijn mening buiten redelijke twijfel mag worden uitgegaan, op totaal EUR 798.568,-.

2.4. In het vonnis in incident van 18 maart 2009 is [D] bij wege van voorlopige voorziening veroordeeld tot betaling aan [A] c.s. van EUR 240.498,07, met rente en kosten.

2.5. [A] c.s. stellen dat uit het deskundigenbericht volgt dat sinds het overlijden van [F] op 3 maart 2002 in zijn onderneming geen inkomsten meer zijn verworven naast het nabestaandenpensioen en dat de liquide middelen geheel zijn verbruikt. Zij hebben geen bezwaar tegen de inhoud van het deskundigenbericht en zij menen dat de voorstellen van de deskundige kunnen worden gevolgd, behoudens ten aanzien van één hierna onder 2.9. te noemen onderdeel.

Zij wijzen er voorts op dat in het tussenvonnis van 21 juni 2006 verzuimd is om (nog) een bedrag van EUR 18.151,20 aan verzekeringsuitkeringen buiten beschouwing te laten.

Zij vorderen, bij vermeerdering van eis, om de deskundige nader te instrueren in overeenstemming met zijn rapport en zijn voorstellen en om vervolgens [D], uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van tenminste het bedrag van de door de deskundige vast te stellen schade.

2.6. [D] maakt bezwaar tegen de vermeerdering van eis. Hij voert daartoe aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om uitgebreid te reageren op de inhoud van het deskundigenrapport. De rechtbank kan hem daarin niet volgen nu hij een antwoordconclusie na deskundigenbericht heeft kunnen nemen.

Hij heeft een aantal bezwaren tegen het rapport naar voren gebracht en hij maakt op een aantal punten bezwaar tegen de voorstellen van de deskundige.

2.7. De rechtbank overweegt als volgt. In het tussenvonnis van 21 juni 2006 is onder 2.4. tot en met 2.4.5. uiteengezet hoe de schade van [A] c.s., die zij door het derven van levensonderhoud lijden, moet worden begroot.

De deskundige heeft met inachtneming van deze overwegingen zijn rapport uitgebracht. Hij heeft, op het terrein waarop hij bij uitstek deskundig is, op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet hoe hij tot de berekening van het door hem genoemde schadebedrag is gekomen. Daarbij heeft hij duidelijk omschreven op welke onderdelen hij nadere vragen aan de rechtbank heeft (blz. 9 en 10 van het rapport). Vooruitlopend daarop heeft hij zelf deze vragen zo beantwoord dat daarover naar zijn mening geen redelijke twijfel mogelijk is en de totale schade op basis daarvan berekend.

De rechtbank is van oordeel dat de deskundige de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij zijn berekening en volgt hem in zijn rapport.

Kort gezegd is de deskundige er voor de hypothetische situatie zonder overlijden van [F] ten aanzien van de inkomsten vanuit gegaan:

- dat [F] in zijn onderneming vanaf 2002 hetzelfde salaris zou hebben genoten als daarvoor, per jaar vermeerderd met 3%,

- dat de onderneming een jaarlijks resultaat vanaf 2002 zou genereren gelijk aan het gemiddelde concernresultaat in de jaren 1999 tot en met 2001, vermeerderd met de algemene inflatiecijfers volgens het CBS,

-dat [F] tot zijn 60e werkzaam zou zijn gebleven in de onderneming,

- dat de pensioenopbouw binnen de onderneming zou zijn geschied,

- dat [A] haar administratieve werkzaamheden in de onderneming zou zijn blijven uitoefenen totdat [F] 60 jaar zou zijn geworden en zijn werkzaamheden zou hebben gestaakt.

2.8. De bezwaren van [D] tegen het deskundigenrapport deelt de rechtbank om de volgende redenen niet.

2.8.1. Om te beginnen voert [D] aan dat de deskundige er ten onrechte vanuit is gegaan dat [F] tot zijn 60e jaar zou hebben gewerkt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien van welke andere leeftijd zou moeten worden uitgegaan.

2.8.2. [D] voert aan dat de deskundige bij de bepaling van de resultaten van de onderneming van [F], zoals deze zich zouden hebben ontwikkeld indien het noodlottige incident in maart 2002 zich niet zou hebben voorgedaan, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met conjuncturele en andere economische omstandigheden, onderbouwd met cijfermatige rapportages. [D] voert dit bezwaar aan tegen de antwoorden van de deskundige op de door hem geformuleerde vragen 1, 3 tot en met 7, 8 en 10 tot en met 15.

De rechtbank wijst erop dat het bij de bepaling van de resultaten van de onderneming van [F] in de genoemde situatie aankomt op een redelijke verwachting omtrent de hypothetische ontwikkelingen (vgl. het tussenvonnis van 21 juni 2006 onder 2.4.). Daarbij moeten de goede en kwade kansen worden afgewogen. Dit heeft de deskundige gedaan door uit te gaan van stabilisatie van het gemiddelde concernresultaat in de jaren 1999 tot en met 2001 en de algemene inflatiecijfers volgens het CBS. De rechtbank acht dit, ook zonder cijfermatige onderbouwing van conjuncturele en andere economische tendensen, een redelijk en goed te verdedigen uitgangspunt, mede gelet op de toelichting van de deskundige op blz. 16 tot 39 en blz. 46 tot 49 van het rapport.

2.8.3. Verder voert [D] aan dat de deskundige geen onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van het feit dat er na het overlijden van [F] geen inkomsten meer zijn gegenereerd in zijn onderneming, terwijl [A] een schadebeperkingsplicht heeft, bijvoorbeeld door eigen inkomsten te verwerven in dienstbetrekking.

De rechtbank merkt op dat aan de deskundige niet is verzocht om het door [D] bedoelde onderzoek te doen. Voor zover [D] aanvoert dat [A] een andere dienstbetrekking had moeten nemen na het overlijden van [F], in plaats van de door haar verrichte administratieve werkzaamheden in de onderneming van [F] voort te zetten, volgt de rechtbank hem daarin niet. Ten tijde van het overlijden van [F] was [A] 45 jaar oud. Gelet op haar leeftijd kon in de gegeven omstandigheden, met name door het plotselinge overlijden van [F] en het feit dat zij achterbleef met twee kinderen van 14 en 15 jaar, niet van haar worden verlangd dat zij ter beperking van haar schade ander werk zou zoeken. Inmiddels is zij 53 jaar en kan in redelijkheid vanwege haar leeftijd niet meer worden verwacht dat zij ander passend werk zou kunnen vinden.

2.8.4. [D] betwist dat [F], in de hypothetische situatie zonder zijn overlijden, zijn auto minder dan 500 km per jaar voor privé doeleinden zou hebben gebruikt.

De rechtbank begrijpt dat [D] hiermee het voorstel van de deskundige ten aanzien van vraag 2 om geen rekening te houden met een voordeel wegens privégebruik van de auto (zie blz. 47 van het rapport) bestrijdt. De deskundige heeft echter onder 4.2.1. op blz. 18 en 19 van zijn rapport zijn voorstel inzichtelijk en consistent toegelicht. Dit voorstel houdt naar het oordeel van de rechtbank een redelijke toekomstverwachting in, zodat het wordt gevolgd.

2.8.5. [D] voert voorts aan dat het irreëel is om ervan uit te gaan dat [A] in de hypothetische situatie zonder overlijden van [F] na zijn pensionering nog werkzaamheden zou hebben verricht. De rechtbank constateert dat de deskundige dit ook niet voorstelt (zie vraag 9, blz. 49 van het rapport).

2.8.6. Ten aanzien van vraag 16 van de deskundige voert [D] aan dat bij het berekenen van het voordeel wegens verzekeringsuitkeringen, betaalde premie niet als schade kan worden aangemerkt indien het gaat om een verzekering die geen kapitaalverzekering is.

Naar het oordeel van de rechtbank dient echter, overeenkomstig het voorstel van de deskundige, wel rekening te worden gehouden met de waarde van de verzekering per overlijdensdatum, welke waarde bestaat uit de in totaal betaalde premies en de rentederving wegens de premiebetaling (zie blz. 44 en 52 van het rapport). Voor deze waarde geldt immers niet dat deze als gevolg van het overlijden van [F] een voordeel oplevert. Daarom moet deze waarde op het voordeel van de uitkering in mindering worden gebracht.

2.8.7. Tot slot voert [D] aan dat, anders dan de deskundige heeft gedaan, met de betaling van successiebelasting geen rekening moet worden gehouden omdat er ook successiebelasting zou moeten worden betaald indien [F] op enig moment op natuurlijke wijze zou zijn overleden.

De deskundige heeft op blz. 45 van zijn rapport ten aanzien van zijn vraag 18 voorgesteld om de betaalde successiebelasting in mindering te brengen op de te verrekenen voordelen.

De rechtbank is van oordeel dat [D] weliswaar terecht aanvoert dat ook zonder het noodlottige incident [F] op enig moment zou overlijden, waarna er successiebelasting zou moeten worden betaald, maar de omvang daarvan en het tijdstip van verschuldigdheid zijn onzeker. Dit is vergelijkbaar met bijvoorbeeld de kosten van lijkbezorging. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de betaalde successiebelasting moet worden aangemerkt als schade, die moet worden verrekend met het opgekomen voordeel uit de ongevallenverzekeringen. De deskundige heeft dit, voor zover het bedrag aan successiebelasting bij hem bekend was, gedaan (zie blz. 68 van het rapport).

2.9. [A] c.s. hebben ook een bezwaar tegen het deskundigenrapport naar voren gebracht. Zij stellen dat er voldoende reden is om ten aanzien van vraag 4 van de deskundige uit te gaan van scenario 1 in plaats van – het volgens de deskundige buiten redelijke twijfel toepasbare – scenario 3.

Het betreft hier de vraag hoe de resultaten van de onderneming van [F] zich zouden hebben ontwikkeld in de hypothetische situatie zonder zijn overlijden in maart 2002 (zie ook hiervoor onder 2.8.2.). De deskundige heeft voorgesteld om uit te gaan van het scenario waarin het gemiddelde concernresultaat in de jaren 1999 tot en met 2001 ook voor de jaren daarna als resultaat wordt beschouwd (scenario 3). [A] c.s. vinden dat bij het bepalen van het fictieve resultaat van de onderneming in de jaren 2002 en verder kan worden uitgegaan van continuering van de ten tijde van het overlijden van [F] begrote omzet- en resultatengroei met verdere stijging na het openen van (meer) buitenlandse markten, waaronder Amerika (scenario 1). Zoals hiervoor onder 2.8.2. al is overwogen moeten de goede en kwade kansen worden ingeschat om tot een redelijke verwachting te komen. Gelet op het feit dat enerzijds uit het deskundigenrapport blijkt dat de onderneming van [F] ten tijde van zijn overlijden een gunstige concurrentiepositie had en sinds 1998 een forse groei had doorgemaakt, terwijl anderzijds de economische ontwikkelingen sinds 2002 en de te verwachten ontwikkelingen in de toekomst niet onverdeeld gunstig zijn, acht de rechtbank het redelijk om met de deskundige uit te gaan van het scenario waarin het gemiddelde concernresultaat in de jaren 1999 tot en met 2001 ook voor de jaren daarna als (fictief) resultaat wordt beschouwd.

2.10. Volgens [A] c.s. moet er, naast het door de rechtbank in het tussenvonnis van 21 juni 2006 onder 2.4. genoemde bedrag van EUR 18.151,21 nog een bedrag van (2 x EUR 9.075,60 =) EUR 18.151,20 in mindering gebracht worden op het opgekomen voordeel uit de verzekeringsuitkeringen.

[D] heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het standpunt van [A] c.s. aannemelijk. De deskundige heeft met dit bedrag nog geen rekening gehouden (zie blz. 68 van het rapport).

2.11. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de schade wegens gederfd levensonderhoud thans kan vaststellen en wel op het door de deskundige berekende bedrag van EUR 798.568,- vermeerderd met het hiervoor onder 2.10 genoemde bedrag van EUR 18.151,20, totaal EUR 816.719,20.

2.12. [D] heeft een beroep op matiging, als bedoeld in artikel 6:109 van het Burgerlijk Wetboek (BW), gedaan.

Bij de beoordeling daarvan neemt de rechtbank in aanmerking dat [F] is overleden als gevolg van het feit dat [D] hem bewust een vuistslag in zijn gezicht heeft gegeven, hij door deze klap achterover is gevallen en daardoor letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen. Zoals het gerechtshof in het arrest van 26 januari 2006 onder 4.5. heeft overwogen was dit gepleegde geweld niet gerechtvaardigd en heeft [D] er het risico mee genomen dat [F] zou vallen, met fatale gevolgen. Het overlijden van [F] heeft ernstige gevolgen gehad voor [A] c.s. en haar dochters, zowel in emotionele als in financiële zin. Daar staat tegenover dat [D] voor zijn gedraging strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld en dat hij gedetineerd is geweest. Zijn draagkracht is, naar hij aanvoert, zeer gering maar hij heeft dat niet met bewijsstukken onderbouwd.

Ook echter indien van zijn zeer geringe draagkracht wordt uitgegaan leggen zijn strafrechtelijke vervolging, detentie en zeer geringe draagkracht onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de ernst van zijn gedraging en de gevolgen daarvan voor [A] c.s. Daarom wordt het beroep van [D] op matiging afgewezen.

2.13. De totale schade bestaat uit de kosten van lijkbezorging (zie het tussenvonnis van 21 juni 2006 onder 2.3.), de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (zie het tussenvonnis van 21 juni 2006 onder 2.5.) en de hiervoor onder 2.11. genoemde schade wegens gederfd levensonderhoud.

Op de hierna uit te spreken veroordeling tot betaling van deze schadeposten strekt in mindering hetgeen [D] als voorschot heeft betaald uit hoofde van het vonnis in incident van 18 maart 2009.

[D] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten, waaronder de kosten van het deskundigenbericht ten bedrage van EUR 19.649,50, die door de griffier in debet zijn gesteld.

De proceskosten aan de zijde van [A] c.s., waaronder de beslagkosten, worden begroot als volgt:

- EUR 81,16 voor het dagvaardingsexploot,

- EUR 3.863,- aan vast recht inclusief beslagrekest,

- EUR 14.190,- aan salaris van de advocaat, mede voor het beslagrekest,

- EUR 325,37 aan beslagexploten,

totaal EUR 18.459,53.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart voor recht dat [D] aansprakelijk is voor de door [A] c.s. geleden en nog te lijden schade als gevolg van het overlijden van [F],

3.2. veroordeelt [D] om aan [A] c.s. te betalen:

- een bedrag van EUR 13.990,38, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 oktober 2002 tot de dag van volledige betaling,

- een bedrag van EUR 26.507,69, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2004 tot de dag van volledige betaling,

- een bedrag van EUR 816.719,20,

waarop in mindering strekt hetgeen als voorschot reeds is betaald of verhaald uit hoofde van het vonnis in het incident van 18 maart 2009,

3.3. veroordeelt [D] om aan [A] c.s. de proceskosten, waaronder de beslagkosten, te betalen, tot op heden aan hun zijde begroot op EUR 18.459,53,

3.4. veroordeelt [D] om het ter zake van het deskundigenbericht ten behoeve van hem in debet gestelde bedrag van EUR 19.649,50 aan de griffier van deze rechtbank te betalen, door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van “kosten deskundige” en het zaak- en rolnummer,

3.5. verklaart deze betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009.?