Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7577

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
14-09-2009
Zaaknummer
406388 / HA ZA 08.2399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Westermoskee

verwikkelingen rond de (te bouwen) Westermoskee te Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 406388 / HA ZA 08-2399

Vonnis van 15 juli 2009

in de zaak van

de vereniging

WONINGBOUWVERENIGING STADGENOOT,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

verweerster in reconventie

advocaat mr. B.T. Craemer,

tegen

[A],

wonende te --,

gedaagde,

eiser in reconventie

advocaat mr. R.P.M. Kocken.

Eiseres zal hierna worden aangeduid als Stadgenoot dan wel Het Oosten (zie nader rechtsoverweging 2.1), gedaagde zal [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van 9 maart 2009

- de akte van [A] met producties

- de akte van Stadgenoot.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Woningbouwvereniging Het Oosten (hierna: Het Oosten) en de Algemene Woningbouw Vereniging zijn op 1 juli 2008 gefuseerd onder de naam Stadgenoot. Stadgenoot is rechtsopvolger onder algemene titel van Het Oosten.

2.2. Het Oosten is samen met stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam hierna: de Gemeente) en Beleggingsmaatschappij Manderen B.V. (hierna: Manderen) partij bij verschillende overeenkomsten aangaande de ontwikkeling van het voormalig Riva-terrein in de Amsterdamse Baarsjes. De ontwikkeling van het Riva-terrein bestaat uit de bouw van 106 woningen, verschillende commerciële bedrijfsruimten en een ondergrondse parkeergarage met 238 parkeerplaatsen. Verder wordt in opdracht van Manderen een moskee (de Westermoskee) gebouwd voor gebruik door de Turkse organisatie Milli Görüs.

De woningen, de bedrijfsruimten en de parkeergarage worden voor eigen rekening en risico ontwikkeld door Het Oosten. De te ontwikkelen bedrijfsruimten en een deel van de te realiseren parkeerplaatsen heeft Het Oosten bij overeenkomst van 2 mei 2006 'turnkey' verkocht aan Manderen. Ten aanzien van de Westermoskee is de rol van Het Oosten beperkt gebleven tot het projectmanagement in opdracht van Manderen.

Het Oosten heeft tot op heden meer dan Euro 7,5 miljoen geïnvesteerd in (de voorbereiding van) de ontwikkeling van het Riva-terrein. Met de daadwerkelijke bouw van de projectdelen van Het Oosten (woningen, de bedrijfsruimten en de parkeergarage) is inmiddels begonnen.

2.3. In de op het Riva-terrein betrekking hebbende Ontwikkelingsovereenkomsten is een ontbindende voorwaarde opgenomen, die inhoudt dat de grondposities van de bij de ontwikkeling betrokken partijen zouden kunnen wijzigen wanneer niet uiterlijk op 31 december 2009 alle voor de realisatie van het gehele project (woningen, parkeergarage, bedrijfsruimte en Westermoskee) noodzakelijke bouwvergunningen aanwezig zouden zijn.

2.4. [A] heeft op 27 februari 2007 schriftelijk bezwaar gemaakt tegen afgifte van de bouwvergunning voor de Westermoskee door indiening van een zienswijze. Hij heeft daarin bezwaren van archeologische aard gemaakt

2.5. Op 6 maart 2007 is de laatste vereiste bouwvergunning door de Gemeente afgegeven; deze vergunning betrof de bouw van de Westermoskee en is afgegeven ten behoeve van Manderen. Alle overige voor de realisatie van het project benodigde vergunningen waren op dat moment wel al onherroepelijk voorhanden.

Door afgifte van de bouwvergunning op 6 maart 2007 heeft de Gemeente de zienswijze van (onder andere) [A] gepasseerd.

2.6. Tegen de beslissing op bezwaar en de verlening van de bouwvergunning met betrekking tot de Westermoskee zijn namens [A] vervolgens op 17 april 2007 twee beroepschriften ingediend, waarna op 16 mei 2007 de (nadere) gronden zijn ingediend.

2.7. Tussen Het Oosten en [B] is op 5 december 2007 een overeenkomst gesloten, die voor zover hier van belang als volgt luidt.

“OVEREENKOMST VAN OPDRACHT

De ondergetekenden

1) de vereniging WONINGBOUWVERENIGING HET OOSTEN, (…) hierna te noemen "Opdrachtgever" en

2) de heer [B], (…) hierna te noemen "Opdrachtnemer"

hierna gezamenlijk te noemen: partijen

overwegende dat:

- Opdrachtgever betrokken is bij de ontwikkeling van het Rivaterrein te Amsterdam (…);

- Opdrachtgever nog in onzekerheid verkeert over haar grondpositie op het Rivaterrein, tot het moment dat er een onherroepelijke bouwvergunning voor de moskee voorhanden is;

- Opdrachtgever derhalve belang heeft bij het voorhanden zijn van een onherroepelijke bouwvergunning voor de moskee;

- dat aan het definitief voorhanden zijn van deze onherroepelijke bouwvergunning evenwel in de weg staan de beroepschriften die op 17 april 2007 bij de Sector Bestuursrecht van de Rechtbank Amsterdam zijn ingediend namens de heer [A] (…)

- Opdrachtgever - zelf alsmede door bemiddeling van derden - heeft getracht tot een regeling te komen met de heer [A], strekkende tot intrekking van de beroepschriften, doch tot op heden evenwel zonder succes;

- Opdrachtnemer bij uitstek in staat is om deze regeling voor Opdrachtgever te bereiken;

- Opdrachtgever gebruik wil maken van de diensten van Opdrachtnemer teneinde te komen tot intrekking van de beroepschriften door de heer [A], zulks op no-cure-no-pay basis;

- Opdrachtnemer - op persoonlijke titel - bereid is deze diensten te verlenen op no-cure-no-pay basis;

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 Opdracht

a. Opdrachtnemer zal zich inspannen om een regeling tot stand te brengen tussen Opdrachtgever en de heer [A], strekkende tot intrekking van de beroepschriften, één en ander ten genoegen van Opdrachtgever, en op basis van de door Opdrachtgever aan Opdrachtnemer aan te leveren conceptdocumenten;

b. Opdrachtnemer zal hiertoe onderhandelen met (de vertegenwoordiger(s) van) de heer [A], en zal zijn kennis en (persoonlijke) invloed aanwenden om de onder a. bedoelde regeling tot stand te brengen.

(…)

Artikel 4

Vergoeding en betaling

a. Bij het behalen van het beoogde resultaat, te weten intrekking van de beroepschriften binnen de duur van de Opdracht, is Opdrachtgever aan Opdrachtnemer verschuldigd een vergoeding welke wordt berekend als volgt:

EUR 125.000,- verminderd met het bedrag dat Opdrachtgever ingevolge de regeling, en blijkend uit een schriftelijke overeenkomst tussen Het Oosten en de heer [A], rechtstreeks aan de heer [A] dient te betalen. (…)

Aldus overeengekomen in tweevoud te Amsterdam op 5 december 2007”

2.8. Tussen Het Oosten en [A] is op 16 januari 2008 een vaststellingsovereenkomst getekend (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Hierbij waren aanwezig [C] (namens het Oosten) en [D]. Tegelijk met de vaststellingsovereenkomst zijn tevens een intrekkingsbrief en een procesvolmacht getekend.

Genoemde vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“1. De heer [A] (…)

2. De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Woningbouwvereniging Het Oosten(…)

Overwegende:

A. dat namens [A] op 17 april 2007 twee beroepschriften zijn ingediend (…) (hierna: de beroepschriften);

B. dat als gevolg van de beroepschriften, en het eventueel daarop volgend hoger beroep, Het Oosten mogelijk lange tijd In onzekerheid zal (blijven) verkeren over een grondpositie in verband met de ontwikkeling van het voormalige Riva-terrein te Amsterdam en daardoor aanzienlijke vertragingsschade lijdt.

C. dat partijen in onderhandeling zijn getreden om te komen lot een regeling teneinde de bezwaren van [A] geuit ten aanzien van de ontwikkeling weg te nemen opdat Het Oosten zekerheid verkrijgt over de onder B bedoelde grondpositie;

D. dat partijen overeenstemming hebben bereikt terzake een regeling en die regeling in deze vaststellingsovereenkomst, hierna aangeduid als de "Vaststellingsovereenkomst" wensen vast te leggen;

Komen Overeen en stellen vast het volgende

1. [A] zal op de kortst mogelijke termijn de beroepschriften onvoorwaardelijk intrekken en op verzoek van Het Oosten meewerken aan directe beëindiging van de beroepschriften gestarte beroepsprocedures.

(…)

3. [A] zal zich - persoonlijk dan wel door tussenkomst van anderen, onthouden van elk handelen dat de ontwikkeling Van het Riva-terrein kan of zal vertragen en zal in de toekomst geen bezwaren meer uiten of bezwaarschriften en/of beroepschriften indienen tegen de ontwikkeling van het voormalige Riva-terrein.

4. Het Oosten zal [A] direct na het ondertekenen van de Vaststellingsovereenkomst op een door hem aangegeven, wettelijke toegestane en (fiscaal) transparante, wijze een bedrag betalen van EUR 20.000,-”

2.9. [C] en [A] zijn na ondertekening van de onder 2.8 aangehaalde overeenkomst gezamenlijk naar de griffie van de rechtbank Amsterdam gereden om uitvoering te geven aan de overeengekomen intrekking van de beroepschriften.

2.10. De griffier van de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam heeft Manderen, de Gemeente en Het Oosten op 17 januari 2008 laten weten dat de behandeling van de beroepschriften, gepland op 18 januari 2008, niet door ging. Door de intrekking van de beroepschriften is de bouwvergunning voor de Westermoskee onherroepelijk geworden.

2.11. [A] heeft zich bij brief van 21 april 2008 gewend tot de rechtbank Amsterdam. Hij heeft verklaard dat hij zijn beroepschriften onder bedreiging heeft ingetrokken en heeft de rechtbank verzocht om de zaak te heropenen. Het Oosten heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd.

2.12. De rechtbank heeft het genoemde verzoek op 13 november 2008 afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [A] beroep ingesteld bij de Raad van State. Hierop is tot op heden geen uitspraak gedaan.

2.13. Bij brief van 11 november 2008 heeft de raadsvrouw van [A] jegens Stadgenoot de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van bedreiging in de zin van artikel 3:44 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) ingeroepen.

2.14. [A] heeft op 19 april 2008 aangifte gedaan van bedreiging door [D]. Deze aangifte luidt voor zover hier van belang als volgt.

“Het verhaal begint in maart 2007. Ik heb indertijd bezwaar gemaakt tegen een bouwproject in de deelgemeente Baarsjes in Amsterdam. Ik heb een hobby en dat is archeologie. Ik vermoedde indertijd dat er in die grond oudheidkundige zaken zouden kunnen zitten.

Mijn bezwaar is door de deelgemeente in behandeling genomen. Wat daar de uiteindelijke uitslag van is geweest weet ik niet meer. De vermoedelijke reden van afwijzen was dat ik niet direct betrokkene was. Ik woonde namelijk een paar straten verder van het bouwproject. Begin juli 2007 werd ik benaderd door een man genaamd (fonetisch) [D]. Hij is onder de Turken in Amsterdam een bekende persoon uit de onderwereld. Ik weet dat hij altijd vergezeld is van een aantal personen. Ik dacht eerst dat het vrienden waren van [D]. Later begreep ik dat dit zijn bodyguards waren. In het begin waren onze contacten gemoedelijk en vriendschappelijk. (…) In september 2007 kwam [D] met een verhaal dat er Joegoslavische maffia was ingehuurd om mij af te maken. In verband met mijn ingediende bezwaar. [D] wilde mij een pistool geven. Hij zei daarbij dat ik mij met dit pistool zou kunnen beschermen tegen eventuele bedreigingen of aanslagen van de Joegoslavische maffia. Ik heb het pistool niet in ontvangst genomen. Ik vond dat niet nodig omdat ik tot op dat moment nog door niemand bedreigd was. Ik twijfelde aan het verhaal van [D]. (…) Ergens in oktober 2007 heb ik een ander telefoonnummer genomen. Ik wilde geen contact meer met [D], omdat ik dacht dat hij ook een belang in deze zaak had.

Eind november zat ik in een restaurant in Amsterdam en kwam een medewerker van [D] bij mij aan tafel. Hij vertelde mij dat ik mij de volgende dag bij het kantoor van [D] moest komen. Dit is gevestigd in de sportschool AL PAGU. Ik ben daar de volgende dag naar toe gegaan. Hij vertelde mij een verhaal dat er op neer kwam dat ik mijn bezwaar voor de volgende dag voor 08.00 uur ingetrokken moest hebben. [D] wilde mij daar bij helpen. Zijn toon was dwingend en bedreigend. Hij duldde geen tegenspraak meer.

Ik heb daarop niet gereageerd en ben weggegaan.

De volgende dag heb ik [D] een sms gestuurd. Ik heb hem verteld dat de afspraak niet doorging en ik heb hem ook verteld dat ik mijn bezwaar niet zou intrekken.

Ik kreeg een antwoord van [D]. Hij vroeg mij wat voor bezwaar bedoel jij? En kijk je goed uit.

In december 2007 ben ik een aantal keren achtervolgd door de mannen van [D]. Dit gebeurde soms wanneer ik in een restaurant zat. Ik ben ook een aantal keren achtervolgd toen ik met mijn auto door de binnenstad van Amsterdam reed.

Ook zijn er in die tijd mijn ruit van mijn auto ingeslagen en is er cementmixer van mij vernield. De daders van deze feiten zijn tot op heden niet bekend geworden, maar ik vermoed dat [D] hier ook mee te maken had. Ik ben door hen nimmer aangesproken. Zij hebben mij ook niet bedreigd. De hele situatie op zich kwam op mij bedreigend over.

Ik heb een vriend die heet [E]. Hij woont ook in Amsterdam.

Hij vertelde mij dat hij ook eens problemen had gehad met [D]. Wat het probleem was weet ik niet. [F] (fonetisch) woont in Utrecht. Volgens [E] zou [F] kunnen bemiddelen in het conflict tussen [D] en mij. Ik heb toen in het kantoor van [E] gesproken met [F]. Ik heb hem het probleem tussen [D] en mij uitgelegd.

[F] zou contact opnemen met [D].

Er gingen een paar weken overheen zonder bericht van [F]. Het was inmiddels begin januari 2008. Mijn vriend [G] is toen naar [D] gegaan, om te vragen hoe we dit probleem over het bezwaar konden oplossen. [D] had [G] gezegd dat hij iets persoonlijks met mij had en dat wanneer de tijd komt bij mij zou pakken. Hij had ook verteld dat hij daar zijn mensen voor had.

Een paar dagen later, het was geloof ik 15 januari 2008, werd ik gebeld door [F]. Hij zei mij dat wij moesten praten. Ik ben toen naar hem toe gegaan en wij ontmoetten elkaar in een cafe in Utrecht. [F] zei mij dat hij mij tijdelijk kon helpen maar niet voor lang. Even later kwam [D] met 6 personen binnen.

[D] kwam bij ons aan tafel zitten. De strekking van zijn verhaal kwam er op neer dat ik hem niet kon ontlopen. [D] zei mij dat hij mogen op mijn kantoor zou komen en dat dit de laatste kans was om het bezwaar in te trekken en dat te voorzien van mijn handtekening. Wanneer ik dit niet zou doen, zouden de gevolgen voor mij zijn.

Ik ben daarop zonder wat te zeggen weggegaan. ‘s-Nachts werd ik gebeld door [D]. [D] zei dat ik bij hem moest komen. Ik ben naar [D] gegaan. Wij ontmoetten elkaar achter het winkelcentrum in Geuzenveld. Hij vroeg mij mijn bankrekeningnummer. Ik vroeg hem wat hij met mijn rekeningnummer moest. [D] antwoordde daarop dat ik niet alles hoefde te weten. Ik gaf hem toen mijn rekeningnummer. Verder zei hij mij dat ik de volgende dag om 15.00 uur in mijn kantoor moest zijn. Ik ben toen weer naar huis gegaan.

Rond 15.00 uur was ik in mijn kantoor. Daar kwamen [D] en ene [C]. Hij stelde zich voor als juridisch medewerker van "van het Oosten", dit is een woningstichting in Amsterdam. Ik kreeg een aantal bescheiden in de Nederlandse taal onder mijn neus, die ik niet kon lezen. [D] zei mij, terwijl hij naast mij stond, dat ik moest tekenen. Ik zei [D] dat ik de stukken eerst wilde lezen. [D] zei mij dat dat niet nodig was want hij zei mij dat hij de stukken gelezen had en dat ik gewoon moest tekenen. Ik heb toen de bescheiden van mijn handtekening voorzien.

Een handtekening was om het bezwaar in te trekken en de tweede handtekening was een soort van afkoopsom, zodat ik geen procedures meer zou beginnen tegen de woningstichting.

[C] zei mij dat ik het stuk over het bezwaarschrift bij de rechtbank van Amsterdam moest inleveren.

Twee dagen later had ik een bedrag van 20.000 euro op mijn rekening gestort gekregen. Ik had dit bedrag ontvangen van de woningstichting.

Ik ben toen samen met de jurist van de woningstichting naar de rechtbank gereden. Al die tijd reed [D] achter ons aan. Dit stuk is toen door ons bij de rechtbank gedeponeerd.”

2.15. Op 28 april 2008 is [A] nogmaals door de politie gehoord en heeft hij onder andere het volgende verklaard.

“ enige tijd later was ik naar een restaurant gegaan in Osdorp Dit restaurant is genaamd Birbey en ik zag daar [D] eten met een vijftal anderen. Hij heeft mij aangesproken en zei dat hij met mij wilde praten. We gingen aan een andere tafel zitten en hij zei tegen mij: Jongen je bent met een hele gevaarlijke kwestie bezig, ik concludeerde uit zijn woorden dat hij inmiddels met [H] contact had gehad. Men heeft namelijk de Joegoslavische maffia ingeschakeld om mij te laten elimineren, maar ik zal het nodige ondernemen om jou uit deze hachelijke situatie te redden en ik zorg er voor dat je vrienden wordt met [H]. Ik zei tegen hem maak je niet druk er zal heus niets gebeuren ik ga gewoon door met mijn bezwaar en hij heeft mijn telefoonnummer genoteerd en geprobeerd mij toch vriendelijk te bejegenen. [D] heeft dit verzoek ongeveer vier keer herhaald (…)

Een van de keren werd ik gebeld door een medewerker van [D] in zijn sportschool. Deze medewerker is genaamd [I], deze medewerker zei mij kom maar naar de sportschool [D] wil jou spreken. Ik ben daar naar toegegaan maar [D] was niet daar. [I] heeft mij gevraagd om naar het vertrek erachter te komen en hij heeft een vuurwapen tevoorschijn gehaald, en gezegd van hier steek het bij je want jij schijnt in gevaar te verkeren je weet het maar nooit en als het nodig is zullen wij voor bewaking zorgen voor jouw huis. Ik heb gezegd dat dat helemaal niet nodig was dat ik helemaal geen vuurwapen nodig had en ben weer vertrokken.

Deze [I] heeft mij meerdere malen gebeld daarna met de mededeling dat [D] mij moet spreken en dezelfde trant werd ik benaderd van gevaar en wij moeten je helpen. Inmiddels heb ik vernomen dat [D] geen zuivere koffie was en dat hij iemand was die zich vrij standvastig aan dit soort zaken vastklampt en er van houdt om op een gemakkelijke manier geld te verdienen. Ik dacht kennelijk is hij van plan om mij niet los te laten en eerlijk gezegd schrok ik hier een beetje van. (…) In dezelfde periode kwam mij ter ore dat [D] her en der naar mij informeerde en probeerde mijn telefoonnummer te achterhalen. Het is hem kennelijk gelukt op een dag werd ik gebeld door hem en hij zei dat hij mij wilde spreken en hij vroeg mij om naar zijn kantoor te komen. Ik ben naar zijn kantoor toegegaan. Ik merkte al gauw dat ik met een hele andere [D] te maken had dan die ik tot dan toe had meegemaakt. Zijn gedragingen en zijn blik in zijn ogen waren gewijzigd in een hele strenge houding. Hij zei tegen mij morgen moet deze zaak geregeld zijn. Jij gaat je bezwaar morgen intrekken. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik niet van plan was om dat te doen. Hij zei dat hij helemaal geen boodschap had een deze loze mededeling van mij en dat ik niets te kiezen had. Dat hij bericht had gekregen uit Turkije dat dit zo moest geschieden. Ik vroeg waar deze boodschap dan van afkomstig was en hij zei dat mij niet aanging dat hij in ieder geval langdurige besprekingen had gevoerd op het consulaat van Turkije en dat men besloten had dat er op hele korte termijn tot een oplossing moest komen. [D] zei tegen mij dat ik om morgen om acht uur naar jouw kantoor en dan wordt de zaak opgelost.

(…)

Ik heb een goede vriend genaamd [G] (…) Hij is uit eigener beweging op een dag naar [D] toegegaan en tegen hem gezegd wat hij nou van mij wilde. [D] heeft hem duidelijk gemaakt dat er een probleem is tussen hem en mij en dat hij ieder ogenblik wanneer hij dat ook maar zou willen mij zou komen ophalen thuis met of zonder mijn kinderen, dat hij daartoe bij machte was en dat [G] zich daar buiten moest houden (…) Ik moet daarbij zeggen dat [D] tegen [G] gezegd heeft de oplossing van deze zaak kost mij hooguit 1 van mijn mannetjes en hieruit concludeer ik het volgende Ik elimineer jou en een van mijn mannetjes moet daarvoor gaan zitten, ik blijf buiten schot.

(…)

Een tijd later werd ik gebeld door [F] die zei dat hij met mij wilde praten. Hij vroeg mij naar Utrecht te komen. We hebben een ontmoeting gehad. Het was een Marokkaans cafetaria aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Ik ging bij hem aan de tafel zitten. Hij zei tegen mij dat [D] met mij wilde praten. Voor dat ik uitgesproken was dat ik het in principe niet bezwaarlijk vond kreeg hij een telefoontje en zei dat hij [D] aan de lijn had. Voordat hij zijn gesprek met [D] eindigde, daarmee bedoel ik voor ik het doorhad zag ik [D] binnenlopen. Hij kwam binnen met zes anderen, en hij kwam direct naar mij toelopen. Ik had echt de schrik van mijn leven. Hij zei tegen mij: ”Er is voor jou geen redden aan. Welke steen jij ook optilt zul je mij tegenkomen. Je zult niemand kunnen vertrouwen,wie je ook in de arm neemt zal direct of indirect weer bij mij uitkomen. En dit is het voorbeeld. Ik hoop dat het jou goed doorgedrongen is. Deze zaak moet morgen uiterlijk opgelost zijn. Ik kon niets anders reageren dan te melden dat dat zo moest geschieden. Hij zei tegen mij dat ik de volgende dag om een uur of twee of drie op mijn kantoor moest zijn. Dezelfde avond nog werd ik door hem ontboden ergens bij een winkelcentrum in Amsterdam-West te komen. Ik ben naar hem toegegaan en hij wilde mijn bankrekeningnummer noteren. Ik vroeg hem waarvoor dat was hij zei dat ik dat niet hoefde te weten, en dat ik er voor moest zorgen dat ik de volgende dag tussen twee en drie op kantoor moest zijn. Ik heb hem die avond mijn bankrekeningnummer opgenoemd.

(…)

De volgende dag had ik gewerkt tussen half drie en drie uur ging ik terug naar mijn kantoor. Ik zag twee auto's voor de deur staan. 1 daarvan was [D] en de tweede auto was die van [C] de jurist van woningbouwvereniging Het Oosten, die ik 1 keer daarvoor eerder had ontmoet. Zij stonden op mij te wachten. Wij zijn mijn kantoor binnen gelopen. [D] heeft de stukken van [C] in ontvangst genomen en op mijn bureau gelegd en gezegd dat ik de stukken moest ondertekenen. Ik heb tegen [D] gezegd dat mijn Nederlands niet toereikend was om de inhoud van die verklaring goed te begrijpen en dat ik het door iemand wilde laten lezen. Hij heeft tot twee keer toe herhaald dat ik die keuze niet had en dat hij dat namens mij reeds had gelezen. Ik hoefde alleen maar nog een handtekening te zetten. Zo gezegd zo gedaan. Vervolgens zei hij het moet vandaag nog bij de griffier van de rechtbank ingediend worden. Jij gaat bij [C] in de auto zitten en we rijden naar de rechtbank ik rijd achter jullie aan. Ik ben samen met [C] in [C] zijn auto naar de rechtbank gereden, we hebben daar de stukken ingediend. Ik had mijn paspoort niet bij mij maar wel mijn verblijfskaart en toen wij naar buiten kwamen was [D] er niet meer.

(…)

V: U heeft bezwaar gemaakt op archeologische gronden. Wat verwachtte u aan te treffen in de bodem van het voormalige Rivaterrein?

A: Ja dat klopt, Ik heb u duidelijk gemaakt dat ik kwaad was op het oude bestuur, kwaad was op het nieuwe bestuur dat zij er een zooitje van gemaakt hebben. Ik heb onderzoek gedaan en ben ik te weten gekomen dat archeologische gronden een goede reden is om in bezwaar te gaan. Ik moet u zeggen dat ik best wel geïnteresseerd ben in archeologie maar het leverde mij alleen een reden op. Het speelde geen rol om werkelijk te gaan graven.

(…)

V: Op de dag van tekenen zei je dat [C] en [D] er al waren en dat [D] je de contracten gaf?

A: [D] kreeg de contracten van [C] en ik zei dat ik het wilde lezen maar [D] had het al gelezen en ik had mijn handtekening gezet. [C] zei dat we nu dikke vrienden waren.

V: Waar stond [D] toen hij zei dat je de papieren moest tekenen?

A: [D] zat aan de overkant van mij

V: Heeft hij dreigende taal geuit daarbij?

A: Het enige wat hij zei: ik heb het al gelezen jij hoeft alleen een handtekening te zetten.

(…)

V: Je verklaart dat je bij het tekenen op 16 januari de contracten voor het eerst ziet. Hoe kan het dat [D] verklaard dat je de contracten al had gezien en laten lezen door een vriend in Hoorn of Alkmaar

A: Nee dat is niet waar. Ik zag ze daar voor het eerst. [D] liegt

V: Ken jij [B]?

A: Nee

V: Hoe kan het dan dat hij zegt dat hij onderhandelingen met jou heeft gedaan in deze zaak.

A: Ik ken hem niet ik wil hem graag zien dan.

(…)

V: Nu moet je toch een ding verklaren. [B] werkt op het Turkse consulaat. Hij verklaart dat hij jou via een tussenpersoon 50.000 euro heeft gegeven en later nog eens 40.000 euro. Ook [D] en [C] verklaren dat.

A: Het is niet waar. Het is heel simpel. Het is plausibel. Van het bestaan van [B] weet ik niets. Het zou een handlanger van [D] kunnen zijn. Het is zeer goed mogelijk dat deze mensen om de tafel zijn gaan zitten en bedacht hebben hoe zullen wij een identieke verklaringen af te stemmen.”

2.16. Op 24 april 2008 is [C] door de politie gehoord en heeft hij het volgende verklaard.

“Ik ben jurist voor het Oosten. Ik ben niet werkzaam bij het Oosten, maar ben als adviseur door Het Oosten ingehuurd per 1 maart 2008. (…) U vraagt mij naar de gang van zaken mbt het intrekken van het bezwaarschrift van de heer [A]. (…) Ik noem de heer [A] in deze verklaring verder [A]. Wij hebben omstreeks mei 2007 kontakt gezocht met [A] om een gesprek met hem te hebben over het eventueel intrekken van zijn bezwaarschrift. (…) We hebben hem gevraagd op welke manier we hem tegemoet konden komen en daarbij gezegd dat ook een financiële tegemoetkoming bespreekbaar was. Ik heb mijn telefoonnummer achtergelaten en we zijn toen weggegaan.

Omstreeks juni ben ik gebeld door [J], die ik nog niet kende. Hij zei mij dat hij een vriend was van [A]. [J] meldde zich als bemiddelaar omdat [A] het moeilijk vond om dit zelf te doen. [J] kon er dan waarschijnlijk ook nog wat aan verdienen. Er is door mij een bedrag genoemd van vijf of tienduizend euro, [J] noemde een bedrag van honderdduizend. (…) We hadden toen intern besloten het te laten liggen en de beroepszaak uit te dienen. De drang was echter groot om het toch te regelen, daar het tussen de 30.000 en 40.000 per maand kost als er niet gestart wordt met de bouw.

Omstreeks september 2007 werd ik benaderd een meneer die zich voorstelde als [D]. Hij had iemand bij zich. Ik vroeg aan hem wie deze persoon was. Hij zei dat het een neef was. Ik had niet zo'n fijn gevoel bij de heer [D] en bij de andere heer. Ze gedroegen zich echter wel correct. Ik heb afzonderlijk met de heer [D] gesproken. Hij stelde zich voor en zei dat hij een vriend was van [A] en zei dat hij een bekende was van [K]. Ik maakte uit zijn woorden op dat hij niet actief betrokken was bij Milli Gorus. Hij gaf aan dat hij kon bemiddelen voor [A] mbt het intrekken van zijn bezwaar. Hij noemde volgens mij een bedrag honderdduizend of tweehonderdduizend euro. (…)

Iets later, eind november, begin december meldt zich een man genaamd [B]. Ik ben met hem in contact gekomen door [H]. (…) Ik ben samen met [H] naar het Turkse consulaat in Rotterdam gereden waar [B] werkt. Volgens mij is het een hogere ambtenaar. Dit was mijn eerste ontmoeting met [B]. Hij vertelde mij dat hij zijn invloed kon aanwenden om te bemiddelen. Ik heb hem toen gezegd dat dit prima was, maar dat het middels een overeenkomst ging. In deze bespreking zijn we overeengekomen dat [B] het voor 125.000 euro kon regelen. Het was op dat moment een principeovereenkomst. Volgens mij is het later door [H] bevestigd dat [B] het voor dit bedrag kon regelen. We hadden eerst een contract met [B] voor 125.000 euro op no-cure/no-pay basis. (…) Tijdens dit vooroverleg heeft [B] aangegeven dat [A] het geld grotendeel zwart wilde hebben. Uiteindelijk zijn we gekomen tot twee contracten, nl een contract met [B], waarin is opgenomen dat hij een bedrag ontvangt van 125.000 euro minus het bedrag dat aan [A] wordt uitgekeerd. Het andere contract is met [A] waarin uiteindelijk is opgenomen dat hij een bedrag van 20.000 euro ontvangt. [B] ontving derhalve 105.000 euro. [B] zou op zijn beurt dan weer afrekenen met [A]. [B] heeft tegen [L] verteld dat hij een bedrag van 100.000 euro in drie tranches contant heeft betaald aan [A], hetgeen ook de afspraak was. [B] heeft er dus een bedrag van 5.000 euro aan over gehouden.

U vraagt mij naar de ondertekening van het contract met [A] en de omstandigheden. [B] heeft met [A] afgesproken dat het contract op 16 januari 2008 op zijn kantoor ondertekend kon worden. Ik ben daar alleen heen gegaan. Ik had het bewuste contract bij me, een procesvolmacht en een intrekkingsbrief. Deze procesvolmacht diende ervoor, voor het geval [A] niet zelf zijn bezwaarschrift zou intrekken, hij hiermee mij machtigt om dit namens hem te doen. Omstreeks 14.00 uur arriveerde ik bij zijn kantoor aan de Nieuwzeelandweg. Nadat ik had aangebeld bij zijn kantoor bleek mij dat hij er niet was. Even later kwam er een auto aanrijden waar eerder genoemde [D] uitstapte. Ik was hierdoor verrast. Ik twijfelde op dat moment heel even of ik er wel verder mee moest gaan. Na enige afweging, [D] was tenslotte een vriend van [A], heb ik toch besloten maar te blijven en het door te zetten. [D] heeft me namelijk bij onze eerdere ontmoeting verteld dat hij een vriend van [A] was. We groetten elkaar en we hebben even kort gesproken en toen bleek mij dat we beiden voor [A] kwamen. Even later kwam [A] aanrijden. Nadat hij was uitgestapt hebben we gedrieën elkaar de hand geschud. Het was een ontspannen sfeer. [A] was zelfs een beetje joviaal.

Vervolgens zijn we het kantoor binnen gegaan. [D] liep ook mee naar boven. Eenmaal in het kantoor ben ik met [A] aan de tafel gaan zitten. [D] zat niet aan onze tafel, maar was wel in de buurt, maar weet niet meer precies waar hij nu zat. Hij zat in ieder geval niet aan onze tafel. Ik heb de stukken gepakt en heb het met hem zorgvuldig door genomen. Er was natuurlijk ook al eerder onderhandeld via [B], dus hij wist precies waar het over ging. Het ging hem kennelijk alleen om het geld. Dat had hij ook al eerder aangegeven. Nadat ik het met hem had doorgenomen heeft hij het contract ondertekend, de intrekkingbrief en de procesvolmacht. Daarnaast heeft hij op mijn verzoek op het contract geschreven, in het Turks, dat hij het gelezen en begrepen had. Hij heeft deze tekst overigens geschreven op de procesvolmacht. Het was eigenlijk de bedoeling dat dit op het contract zou komen, maar ik heb hier genoegen mee genomen. Hij wilde nog kopieën maken van de stukken maar zijn kopieerapparaat was defect. Ik heb toen voorgesteld dat we wel kopieën op de rechtbank konden maken, hetgeen we ook gedaan hebben. Bij de rechtbank hebben we de door [A] ondertekende intrekkingbrief ingediend, waarmee het bezwaarschrift werd ingetrokken. [D] is niet mee geweest naar de rechtbank, hij is volgens mij op het kantoor achtergebleven, maar dat weet ik niet zeker. Hij is niet in ieder geval niet met ons meegegaan. [D] heeft zich helemaal niet bemoeid met de ondertekening en heeft ook niets gezegd, of bijna niets gezegd. Ten tijde het moment dat [A] wilde kopiëren sprak [A] met [D] even waarbij volgens mij ook nog werd gelachen. Ik kon dit niet verstaan want zij spraken in het Turks. (…) Er was tijdens de ondertekening een redelijk ontspannen sfeer en er was zeker geen sprake van bedreiging. Ik heb alles rustig uitgelegd en [D] heeft zich er helemaal niet mee bemoeid. Ik ben na de ondertekening met [A] in mijn auto gestapt en hebben normaal met elkaar gesproken. Ook bij de rechtbank is er geen sprake geweest van bedreiging of wat voor dwang dan ook.

(…)

De aangifte is onder hele bedenkelijk omstandigheden tot stand gekomen en ik twijfel aan de oprechtheid van [A]. Ik was heel boos toen ik de aangifte onder ogen kreeg. Ik denk dat Milli Gorus hier achter zit. Voor hun ligt hier een miljoenen belang, nl de teruglevering van de grond, die inmiddels heel veel waard is geworden. Ook bestaat er zelfs een mogelijkheid dat Manderen én de grond terugkrijgt en het depot van 3 miljoen.

( …)

Ik wil nog even het volgende toevoegen. Wij willen [A] geen strobreed in de weg leggen om hem zijn archeologische hobby uit te oefenen. Volgens mij kunnen wij zijn belang ook dienen zonder deze procedure. Als [A] zegt dat hij al maanden lang bedreigd wordt, zoals hij in de aangifte vermeld, dan had hij dat ons eerder moeten vertellen.

Ik heb gehoord dat de imam van Milli Gorus, [M] problemen heeft met zijn verblijfsvergunning en dat [A] hem als werknemer bij zijn bedrijf heeft ingeschreven. Hieruit kan de relatie van [A] met Milli Gorus blijken.”

2.17. Op 28 april 2008 is [D] door de politie als verdachte gehoord. Hij heeft voor zover hier van belang het volgende verklaard.

“Ik ken [A] zo ongeveer vijf jaar. Ik heb hem leren kennen in een koffiehuis, via zijn zwager denk ik. Ik had een goede relatie met hem. Ongeveer 7-8 maanden, volgens mij september 2007, heb ik met [A] voor de Mesccidi-Aksa moskee gesproken en hij vertelde mij dat hij tussen twee vuren zat, nl tussen [H] en het huidige bestuur van Milli Gorus. Hij was door [H] benaderd met het verzoek om zijn bezwaarschrift in te trekken tegen de bouw van de moskee. De andere kant, Milli Gorus, wilde juist dat hij zijn bezwaarschrift zou handhaven. Hij wist niet wat hij moest doen.

(…)

Later, ook ergens in september 2007, maar ik weet het niet precies meer, kwam [A] bij me in de sportschool. Hij vertelde me dat hij onderhandelingen voerde met Het Oosten over het intrekken van zijn bezwaarschrift. Hij wilde een miljoen euro hebben voor het intrekken van zijn bezwaarschrift. Ik moest toen lachen. Hij vertelde me ook over [K] die hem had verteld dat hij zijn bezwaarschrift moest handhaven en dat ze uiteindelijk 10 miljoen konden eisen zodat Het Oosten dan uiteindelijk kon gaan bouwen. Ik heb dit van [A] zelf gehoord. De onderhandelingen werden op dat moment door ene [J] gedaan, niet zijnde [K], maar [J] van de meubelwinkel. [A] wilde niet zelf de onderhandelingen voeren want hij was bang dat gefilmd zou worden of dat de gesprekken werden opgenomen. De onderhandelingen door [J] zijn uiteindelijk op niets uitgelopen, zo heeft [A] mij verteld. Het ging [A] puur om het geld.

Na de onderhandelingen door [J], heeft [A] een brief gehad van Het Oosten. Ik heb deze brief zelf gezien. Hier stond in dat hij een bedrag van 5.000 euro kon krijgen als een soort onkostenvergoeding. [A] vertelde mij dat hij grote financiële problemen had. (…)

Hij heeft mij toen gevraagd de onderhandelingen met Het Oosten te doen. Ik heb hem toen gevraagd wat hij wilde. Hij verzocht mij als bemiddelaar op te treden tussen Het Oosten en hem ([A]). [A] gaf toen aan dat hij 150.000 euro wilde hebben voor het intrekken van zijn bezwaarschrift. (…)

Een paar dagen later heeft [A] mij een telefoonnummer van Het Oosten gegeven. Ik heb toen gebeld en heb mijn telefoonnummer achtergelaten. Ik ben toen teruggebeld, naar later bleek door [C]. Hij vroeg mij waar het over ging en wie ik was. Ik heb toen gezegd dat ik wilde bemiddelen tussen [A] en Het Oosten. We hebben toen een afspraak gemaakt in het kantoor van Het Oosten. Dit was een kantoor in de buurt bij het WFC.

Ik heb [C] daar voor het eerst gesproken, volgens mij ook in september 2007. Ik kende hem nog niet. Ik heb hem toen voorgelegd wat [A] wilde. [A] wilde zijn bezwaarschrift wel intrekken maar wilde hier geld voor hebben. Ik heb toen het bedrag genoemd dat [A] wilde hebben, nl 150.000 euro. [C] moest hierom lachen en zei dat dit niet mogelijk was. Hij vertelde toen over de brief die ze aan [A] hebben gestuurd, met daarin het aangeboden bedrag van 5.000 euro. [C] heeft toen geen nieuw aanbod gedaan. Ik zei hem dat ik opnieuw met [A] zou praten.

Diezelfde avond kwam [A] bij me op de sportschool. Ik heb hem uitgelegd dat Het Oosten niet zoveel wilde geven. Ik heb toen gezegd dat hij wat minder vragen zodat ze mogelijk wel akkoord zouden gaan. (…)

We hebben toen een afspraak gemaakt in een hotel in Osdorp (…) Ik heb toen het aanbod van [A] neergelegd. [A] eiste 120.000 euro (…) Twintigduizend moest op zijn rekening en 100.000 euro zwart. De reden hiervan was dat bang was voor Milli Gorus. Hij wilde niet dat Milli Gorus er achter zou komen dat hij 120.000 euro gehad zou hebben.

(…)

Nog voordat [C] mij belde voor een nieuwe afspraak werd ik gebeld door [B]. (…) Ik ben toen samen met [B] naar het hotel gereden. Daar zaten [C] en [H] al. [C] zei dat Het Oosten bereid was 120.000 euro te betalen. [C] en [H] kwamen toen met het volgende voorstel: Twintigduizend zou via de rekening van [A] worden betaald. De overige 100.000 euro zou worden betaald aan [B] en [B] zou de honderdduizend euro op zijn beurt weer aan mij betalen. En ik zou het geld weer aan [A] geven. Ik had sterk de indruk dat [B] al eerder bij de onderhandelingen was betrokken.

Ik heb kort daarna met [A] gesproken en hem verteld dat alles in orde was. [A] wilde een voorbeeld van de brieven / contracten. Daarnaast wilde hij ook een brief van Het Oosten hebben met een verklaring dat Het Oosten nooit een proces in deze zaak tegen hem zou beginnen. [C] heeft dezelfde dag een voorbeeld brief/contact naar mijn sportschool gebracht. Dit was in de avond. Ik heb dit aan [A] gegeven. (…) dat hij het een vriend in Alkmaar zou laten lezen. Een paar dagen / week later kwam [A] bij mij op de sportschool en deelde mij mede dat hij alles had gelezen en hij vond alles prima. Ik heb toen een nieuwe afspraak gemaakt met [B], [H] en [C] in het hotel. (…) Ik heb toen gezegd dat [A] om 15.00 uur in zijn kantoor aanwezig zou zijn om de stukken te tekenen. (…) We waren daar ongeveer 14.30 uur. (…) Even later arriveerde hij en zijn we zijn kantoor binnen gegaan. Hij vroeg toen of we de stukken bij ons hadden. [C] heeft de stukken toen aan hem overhandigd en hij zou meteen tekenen. Voor de zekerheid heb ik hem gevraagd of hij het goed gelezen had. Toen zei hij dat hij de stukken al goed had lezen aan zijn vriend. Hij heeft ze overigens zelf ook nogmaals goed bekeken en heeft ze toen getekend. (…) Vervolgens zijn we naar de Rechtbank aan de Parnassusweg gegaan. [A] wilde niet in zijn eigen auto en ook niet in mijn auto omdat hij bang was dat hij dan herkend zou worden. Ik heb hem zelfs nog een muts gegeven om te voorkomen dat hij door iemand van Milli Gorus herkend zou worden. Ik weet niet of hij de muts heeft opgezet. Hij is met [C] in zijn auto meegereden, Ik ben met mijn eigen auto meegereden en heb gewacht op de parkeerplaats omdat ik hem terug zou brengen. Dit is uiteindelijk niet gebeurd omdat er een elektrische storing op mijn sportschool was. Ik heb [C] toen gebeld dat ik weg moest. [C] zou hem terugbrengen.”

2.18. Bij brief van 13 juni 2008 heeft [B] aan [L], algemeen directeur van Het Oosten, onder andere het volgende geschreven:

“In aanvulling op mijn eerdere verklaringen geef ik onderstaande informatie over de betalingen die zijn verricht aan de heer [A] in aansluiting op onze bemiddelingsovereenkomst:

Betaling 1 Bedrag EUR 50.000 (…) Dit is gebeurd op 5 februari 2008 omstreeks 22.00 uur. Opgenomen van mijn bank (zie kopie bankafschrift) op 05 februari 2008.

Betaling 2 Bedrag EUR 50.000 (…) op 14 maart 2008 tussen 21.00 en 22.00 uur. Opgenomen van mijn bank (zie kopie bankafschrift) op 12 maart 2008.”

Bij deze brief zijn kopieën van dagafschriften gevoegd van een rekening die op naam staat van [B] bij de Demir Halk Bank Nederland, waaruit blijkt dat er op 5 februari 2008 een kasopname van EUR 50.000 heeft plaatsgevonden en op 11 februari 2008 een bedrag van EUR 50.000 op een maanddeposito is gestort, welk bedrag met rente op 12 maart 2008 weer van dit deposito is opgenomen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Stadgenoot vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair

A. [A] te veroordelen om binnen een termijn van vijf werkdagen na betekening van het vonnis, alsnog over te gaan tot behoorlijke nakoming van zijn verplichting uit de vaststellingsovereenkomst, waarbij onder nakoming in ieder geval wordt begrepen:

i. het intrekken - en ingetrokken laten - van de namens hem op 17 april 2007 bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam ingediende beroepschriften met nummers 07/1705 WRO G298 en 07/1702 WRO G298;

ii. het met onmiddellijke ingang staken van de namens hem op 21 april 2008 bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam gestarte procedure althans het staken van enige poging tot aantasting en/of ongedaanmaking van de intrekking d.d. 16 januari 2008 van de ingediende beroepschriften;

iii. het zich onthouden van elk handelen dat de ontwikkeling van het Riva-terrein kan of zal vertragen althans het uiten van bezwaren en/of verrichten van rechtshandelingen strekkend tot vernietiging en/of aantasting van enige (bouw)vergunning betrekking hebbend op de ontwikkeling van het zogenaamde Riva-terrein gelegen in Amsterdam.

Veroordeling van het primair gevorderde op verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000 (zegge honderdduizend euro) per dag of gedeelte van een dag dat [A] tekort schiet in de nakoming van deze veroordeling tot een maximum van EUR 1.000.000 (zegge één miljoen euro) en onder bepaling dat, in het geval [A] (ook) na verbeurte van de dwangsommen niet over gegaan is tot onvoorwaardelijke intrekking als beschreven onder (i) en/of (ii), Het Oosten op grond van de eerder door [A] afgegeven (proces)volmacht en/of het veroordelend vonnis zelfstandig in staat zal zijn de genoemde bezwaarschriften in te trekken.

B. [A] te veroordelen tot vergoeding van de door Het Oosten als gevolg van het toerekenbaar tekortkomen door [A] van zijn verplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst geleden schade en gemaakte (juridische) kosten nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

C. [A] te veroordelen in de kosten van dit geding te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis, waaronder mede begrepen de kosten van de ten laste van gedaagde gelegde conservatoire beslagen, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen de genoemde tijd zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

Subsidiair

A. Voor het geval dat geoordeeld zal worden dat de vaststellingsovereenkomst niet de door Het Oosten beoogde gevolgen, waaronder begrepen de onherroepelijke beëindiging van de met de beroepschriften gestarte beroepschriftprocedures, zal hebben, [A] te veroordelen tot betaling van EUR 120.000 op grond van art. 6:74 BW dan wel op grond van art. 6:203 BW te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf 16 januari 2008 of althans datum dagvaarding.

B. [A] te veroordelen in de kosten van dit geding te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis, waaronder mede begrepen de kosten van de ten laste van gedaagde gelegde conservatoire beslagen, onder bepaling dat indien de geding kosten niet binnen de genoemde tijd zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente over verschuldigd is.

3.2. Stadgenoot legt aan het gevorderde kort samengevat het volgende ten grondslag.

Vanaf 17 april 2007 stonden slechts de beroepschriften van [A] het onherroepelijk worden van de bouwvergunning van de Westermoskee nog in de weg. Zolang niet ook de laatste bouwvergunning onherroepelijk zou zijn geworden, bestond er een kans dat de grondpositie van Het Oosten zou worden aangetast door de onder 2.3 genoemde ontbindende voorwaarden, waardoor de investeringen van Het Oosten in het project mogelijk gevaar zouden lopen. Door de beroepschriften was het voor Het Oosten dan ook riskant om haar (bouw)werkzaamheden ter realisatie van woningen, parkeergarage, bedrijfsruimte voort te zetten. Na 6 maart 2007 heeft Het Oosten maanden niet kunnen beginnen met de bouw en leed zij per maand voor in ieder geval EUR 40.000 (vertragings)schade. Bovendien bleek haar dat de processtrategie van [A] vooral gericht was op vertraging van de behandeling van de beroepschriften.

De omschreven omstandigheden hebben Het Oosten doen besluiten dan maar een regeling te treffen met [A]. Deze regeling is de onder 2.8 aangehaalde vaststellings¬overeen¬komst. Deze is door bemiddeling van [B] tot stand gekomen. Afgesproken is dat [A] van Het Oosten een betaling van EUR 20.000 zou ontvangen als directe tegenprestatie voor intrekking van de beroepschriften en dat er vervolgens via [B] nog een nabetaling plaats zou vinden van in totaal EUR 100.000. Het Oosten heeft zowel het bedrag van EUR 20.000 aan [A] als het bedrag van EUR 100.000 aan [B] daadwerkelijk uitbetaald, aldus nog steeds Het Oosten. Het Oosten betwist dat [A] onder druk is gezet om in te stemmen met de vaststellingsovereenkomst. In ieder geval is die druk zo al aanwezig niet van haar uitgegaan, zo stelt zij, waarbij zij zich beroept op art. 3:44 lid 5 BW. Zij vordert de nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

3.3. [A] voert verweer, dat er in de kern op neer komt dat hij door [D] onder druk gezet is om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen en dat er een relatie is tussen Het Oosten en [D].

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [A] vordert – na wijziging van zijn eis, samengevat –

bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. Primair:

Voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen gesloten op 16 januari 2008 door vernietiging op grond van art. 3:44 lid 1 jo. lid 2 BW teniet is gegaan per 31 januari 2008;

Subsidiair:

De vaststellingsovereenkomst tussen partijen gesloten op 16 januari 2008 te vernietigen op grond van art. 3:44 lid 1 jo. lid 2 BW;

2. Stadgenoot te gelasten aan de media, daaronder begrepen Het Parool, AT5 en RTV NoordHolland, te berichten dat zij aan eiser nimmer meer dan EUR 20.000,-- heeft betaald ter zake van de intrekking van zijn bezwaar/beroep tegen de bouw van de Westermoskee;

3. Met veroordeling van gedaagde in reconventie, tevens eiseres in conventie, in de kosten van eiser in reconventie, tevens gedaagde in conventie.

3.6. Stadgenoot heeft zich tot haar verweer beroepen op de door haar gestelde gang van zaken zoals onder conventie weergegeven.

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Nu er een vaststellingsovereenkomst tussen [A] en Het Oosten is tot stand gekomen, die als zodanig niet betwist wordt, is het uitgangspunt dat [A] die zal moeten nakomen. Dat is slechts anders als het beroep dat [A] heeft gedaan op de buitengerechtelijke vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van bedreiging slaagt.

4.2. Ten aanzien van de bedreiging die [A] zegt te hebben ondervonden heeft hij verklaard zoals onder 2.14 en 2.15 weergegeven. Of die verklaring op waarheid berust kan in het midden blijven als het beroep van Stadgenoot op het bepaalde in artikel 3:44 lid 5 BW slaagt. Deze bepaling luidt als volgt.

“Indien een verklaring is tot stand gekomen door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden van de zijde van iemand die geen partij bij de rechtshandeling is, kan op dit gebrek geen beroep worden gedaan jegens een wederpartij die geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen.”

4.3. Op grond van de aangehaalde bepaling geldt dat niet hoeft te worden onderzocht of de bedreiging door [D] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden als Het Oosten (ook als de bedreiging zou worden aangenomen) geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen.

4.4. Stadgenoot heeft gesteld dat de gang van zaken met betrekking tot de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst als volgt was. [C] heeft zich begeven naar het kantoor van [A] en trof daar [D]. [D] gaf aan eveneens een afspraak te hebben met [A]. [C] had [D] ook één keer eerder ontmoet. Bij die ontmoeting had [D] zich voorgesteld als een vriend van [A] die hem gevraagd had te onderhandelen over het geschil tussen [A] en Het Oosten.

Nadat [A] arriveerde is [C] met [A] zijn kantoor binnen gegaan, hebben zij de vaststellingsovereenkomst besproken en is het stuk uiteindelijk, zonder enige druk, ook door [A] getekend. Tegelijk met de vaststellingsovereenkomst zijn tevens een intrekkingsbrief en een procesvolmacht getekend. [C] en [A] zijn na ondertekening gezamenlijk naar de griffie gereden om uitvoering te geven aan de overeengekomen intrekking van de beroepschriften. Van een mogelijke bedreiging van [A] door [D] heeft Het Oosten nooit iets gemerkt. Er bestaat geen band tussen [D] en Het Oosten, aldus nog steeds Stadgenoot.

4.5. Volgens [A] heeft hij onder invloed van bedreiging door [D] ingestemd met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst die hem door het Oosten werd voorgehouden en heeft hij ingestemd met het aansluitend intrekken van de beroepschriften. Hij verwijst naar de door hem bij de politie afgelegde verklaringen (aangehaald onder 2.14 en 2.15). Volgens [A] was de gang van zaken als volgt. Eerst hebben onderhandelingen plaatsgevonden door bemiddeling van [J]. Deze hebben niet tot overeenstemming geleid. Enige tijd later heeft [J] [A] gevraagd of hij [D] kende en hem verteld dat [D] zich bij [C] (bedrijfsjurist van Het Oosten) had gemeld als vertegenwoordiger van [A]. [J] heeft de boodschap dat [A] [D] niet kende teruggekoppeld aan [C]. Het Oosten was daarmee op de hoogte van het feit dat [D] geen enkele betrokkenheid had bij [A].

[D] heeft vanaf het najaar van 2007 steeds bedreigender en intensiever contact gezocht met [A]. Hij is uiteindelijk op 15 januari 2008 gebeld door [D] met de mededeling dat hij naar een plek in Amsterdam moest komen. Daar heeft hij zijn rekeningnummer aan [D] gegeven op diens verzoek. [A] wist niet waarvoor dat diende. De volgende ochtend bleek dit bankrekeningnummer te zijn opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, die hem werd voorgelegd door [C]. Dit feit was voor [A] het overtuigende bewijs van zijn vermoeden dat [D] samenwerkte met Het Oosten. Ook de aanwezigheid van [D] op 16 januari 2008 was daarvoor een bevestiging. Daar komt nog bij dat [D] [A] en [C] heeft vergezeld naar de rechtbank, aldus nog steeds [A].

4.6. [A] stelt over de gang van zaken bij de bespreking op 16 januari 2008 het volgende. Aan [A] werden door [C] stukken voorgehouden die hij nog nooit had gezien, te weten de vaststellingsovereenkomst en de volmacht. Het bedrag van EUR 20.000,- in de vaststellingsovereenkomst is niet voorheen besproken met [A] en de rest van de tekst was hem eveneens onbekend. [A] wilde de stukken aandachtig doorlezen omdat hij de stukken niet kende maar ook omdat zijn Nederlands slecht is. [D] droeg hem in de bespreking op om snel te tekenen en gaf geen gelegenheid om de stukken door te lezen. [C], die ernaast zat, maakte daar geen opmerkingen over. Uit de gang van zaken tijdens deze bespreking en de rolverdeling tussen [C] en [D] werd het [A] temeer duidelijk dat [D] samenwerkte met [C]. Hij voelde zich dan ook tijdens deze bespreking en tijdens de rit naar de rechtbank bedreigd. Het Oosten wist dat [D] niet optrad voor [A]. Toch heeft Het Oosten kennelijk aanvaard dat [D] het rekeningnummer van [A] aan Het Oosten doorspeelde, en dat [D] aanwezig was tijdens het ondertekenen van de overeenkomst en tijdens de rit naar de rechtbank om de beroepschriften in te trekken. Hieruit volgt dat Het Oosten alle reden had om het bestaan van de invloed van [D] op [A] te veronderstellen. [A] heeft [B] nooit gesproken of gezien. [B] heeft zich dan ook niet jegens hem opgeworpen als bemiddelaar voor Het Oosten, laat staan dat [B] hem een bedrag van EUR 100.000,00 heeft overhandigd. Aldus nog steeds [A].

4.7. Dat Het Oosten van de bedreiging door [D] op de hoogte was, leidt [A] af uit de volgende omstandigheden:

- het door hem aan [D] opgegeven rekeningnummer is aan het Oosten doorgegeven;

- [D] was aanwezig op 16 januari 2008;

- [D] is ook meegereden naar de rechtbank.

Ter comparitie is daar nog het volgende aan toegevoegd:

- Het Oosten had contact met [H] en [D];

- [N] heeft overleg gehad met [D].

4.8. In de akte na comparitie heeft [A] ter onderbouwing van zijn standpunt dat Het Oosten ervan op de hoogte was dat hij door [D] bedreigd werd nog het volgende gesteld.

[B] heeft in het kader van de hem opgedragen bemiddeling vervolgens [D] (al dan niet door tussenkomst van [F]) ingeschakeld. [D] staat in de Turkse gemeenschap bekend als een onderwereldfiguur en heeft strafrechtelijke antecedenten (moord, mishandelingen en bedreigingen). Stadgenoot, in de persoon van [C], heeft verklaard dat hij een onprettig gevoel had bij [D]. Ook de advocaat van Het Oosten heeft geweigerd met [D] te praten, aangezien hij met 'ongure mensen' niets te maken wilde hebben. Voor [C] was de aanwezigheid van [D] bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst dan ook reden om te twijfelen of hij daarmee wel door moest gaan.

[B] blijkt een uitermate onbetrouwbaar persoon. Hij verklaart wat hem uitkomt en weet daarbij van niemand achternamen of contactgegevens.

Uit de verklaring van [D] volgt dat hij meermalen overleg heeft gehad met [H] en [C]. Bij één van deze besprekingen is ook [B], die [D] zegt goed te kennen en met wie [D] regelmatig contact heeft, aanwezig geweest. Ook heeft Stadgenoot kennelijk via [N] meermalen contact gehad met [D]. Het Oosten heeft kennelijk gedacht dat deze bemiddelaar voor haar de zaken zou kunnen regelen, zij had daarbij de vinger aan de pols moeten houden, heeft dat kennelijk onvoldoende gedaan hetgeen haar valt te verwijten, en voor zover zij dat niet gedaan heeft, moet de kennis van de bemiddelaar en diens eventuele tussenpersoon dan ook aan Stadgenoot worden toegerekend, aldus [A].

4.9. De rechtbank acht ongeloofwaardig dat [B] geen enkele rol heeft gespeeld (zoals zou kunnen worden afgeleid uit de verklaring van [A] zoals weergegeven onder 2.14 en 2.15). Die rol blijkt immers uit de schriftelijke tussen [B] en Het Oosten gesloten overeenkomst welke is weergegeven onder 2.7, terwijl uit de onder 2.18 genoemde dagafschriften blijkt dat hem ook betalingen zijn gedaan. Blijkens de akte na comparitie stelt ook [A] zich thans niet meer op het standpunt dat [B] geen enkele rol speelt.

4.10. Aangenomen dat [B] een bemiddelende rol heeft gespeeld ligt ook voor de hand dat hij het rekeningnummer van [A] aan het Oosten kan hebben doorgegeven en is het in ieder geval niet zo dat dit slechts van [D] afkomstig kan zijn geweest. Een relatie tussen [D] en Het Oosten kan hieruit dan ook niet worden afgeleid. Overigens zou zelfs als [D] wel het rekeningnummer van [A] aan Het Oosten heeft doorgegeven daaruit niet worden afgeleid dat Het Oosten wist dat [A] handelde onder bedreiging van [D]. Ook de aanwezigheid van [D] op 16 januari 2008 en het gestelde meerijden van [D] naar de rechtbank (dat overigens door Het Oosten wordt betwist) kan niet tot die conclusie leiden.

4.11. Vervolgens zal moeten worden onderzocht of sprake is geweest van voor het Oosten kenbare bedreiging bij de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. [A] heeft over de gang van zaken bij de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst gesteld hetgeen onder 4.6 is weergegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de door [A] gestelde gang van zaken (ook als hiervan wordt uitgegaan, want het Oosten betwist deze) onvoldoende grond is om aan te nemen dat het Het Oosten bekend moest zijn dat [A] handelde onder bedreiging door [D]. Immers is zonder nadere toelichting niet begrijpelijk waarom Het Oosten moest weten dat [A] niet uit vrije wil maar uit angst voor (niet ter plekke maar eerder geuite) bedreigingen de aanwijzingen van [D] opvolgde. Dat Stadgenoot van die eerder door [D] jegens [A] geuite bedreigingen op de hoogte was, is immers niet gesteld of gebleken. De stelling dat Het Oosten contact had met [D] of [H] is daarvoor onvoldoende, evenals de stelling dat [N] contact had met [D]. Nu over de inhoud van die contacten niets concreets is gesteld kan daaruit immers niet worden afgeleid dat Het Oosten wist dat [A] door [D] bedreigd werd.

Daarbij komt dat [C] heeft verklaard dat [A] en [D] in zijn bijzijn Turks met elkaar hebben gesproken. Als er door [D] ten tijde van de ondertekening al bedreigen zouden zijn geuit, moet er vanuit worden gegaan dat [C] deze niet heeft verstaan.

4.12. Het door [A] in de akte na comparitie aangevoerde (weergegeven onder 4.8) kan evenmin tot het oordeel leiden dat Het Oosten reden had te veronderstellen dat [A] door [D] werd bedreigd. [A] stelt geen concrete omstandigheden waaruit dit kan worden afgeleid. Ook als wordt aangenomen dat [B] [D] heeft ingeschakeld en dat [D] als onderwereldfiguur bekend staat, betekent dat immers niet dat ook Het Oosten zodanige concrete informatie had over de (door [A] gestelde) bedreiging door [D], dat zij reden had het bestaan van bedreiging te veronderstellen.

4.13. Het slot van het onder 4.8 aangehaalde betoog houdt in dat ook als Het Oosten geen kennis had van die bedreiging zij de vinger aan de pols had moeten houden en dat nu zij dat onvoldoende heeft gedaan, de kennis van de bemiddelaar ([B]) en diens eventuele tussenpersoon dan ook aan Het Oosten moeten worden toegerekend. Met die kennis wordt kennelijk gedoeld op de kennis van de criminele reputatie van [D]. Gezien de tekst en strekking van artikel 3:44 lid 5 BW gaat deze redenering echter niet op, omdat deze bepaling slechts ziet op concreet aanwezige aanwijzingen en niet een ‘risicoaansprakelijkheid’ vestigt waarbij ook kennis van anderen kan worden toegerekend.

Bovendien is het enkele feit dat iemand een criminele reputatie (en ook criminele antecedenten) heeft, onvoldoende grond voor de veronderstelling dat hij ook in dit geval een criminele betrokkenheid bij de zaak heeft.

4.14. Ook de stelling dat [C] (werkzaam voor Het Oosten) een onprettig gevoel had bij [D] en diens aanwezigheid bij de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst en de stelling dat de advocaat van Het Oosten geweigerd heeft met [D] te praten, aangezien hij met 'ongure mensen' niets te maken wilde hebben, kunnen niet tot het oordeel leiden dat Het Oosten zodanige concrete aanwijzingen had voor bedreiging van [A] door [D] dat zij reden had die bedreiging te veronderstellen.

4.15. Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat Stadgenoot met recht een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 3:44 lid 5 BW. Of [A] door [D] is bedreigd kan in het midden blijven, nu [A] daarop jegens Stadgenoot geen beroep kan doen. Dit betekent dat de door Stadgenoot jegens [A] gevorderde nakoming van de vaststellingsovereenkomst toewijsbaar is. Het primair onder i. gevorderde wordt evenwel afgewezen, aangezien hieraan reeds is voldaan; voor zover het gaat om het íngetrokken houden’valt dit onder het onder ii gevorderde.

Het primair onder ii. gevorderde kan worden toegewezen. Het primair onder iii gevorderde komt letterlijk overeen met de vaststellings¬overeenkomst en is dus ook toewijsbaar. De dwangsom zal worden gematigd.

Voor het geval [A] (ook) na verbeurte van de dwangsommen niet over gegaan is tot onvoorwaardelijke intrekking als beschreven onder (ii), zal op vordering van Stadgenoot op grond van het bepaalde in artikel 3:300 BW worden bepaald dat op grond van deze rechterlijke uitspraak Stadgenoot het genoemde bezwaarschrift zal kunnen intrekken.

4.16. Voor de toewijsbaarheid van de onder B gevorderde schadevergoeding, op te maken bij staat, is vereist dat aannemelijk is dat Stadgenoot schade heeft geleden, doch dat de schade van Stadgenoot nog niet kan worden vastgesteld. Stadgenoot heeft de schade gevorderd ‘indien nakoming blijvend onmogelijk is’. Hiermee bedoelt zij kennelijk de situatie dat de intrekking van het beroepschrift ongedaan wordt gemaakt. Op grond van de overige door haar gevraagde veroordelingen, die worden toegewezen, moet er van uit worden gegaan dat deze situatie zich niet voor zal doen, zodat er geen grond is voor schadevergoeding. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

4.17. [A] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, waaronder de beslagkosten. De kosten aan de zijde van Stadgenoot worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,80

- overige explootkosten 358,90

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 2.026,50 (3,5 punten x factor 1,0 × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.711,20

in reconventie

4.18. Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de vorderingen in reconventie onder 1 primair en subsidiair dienen te worden afgewezen.

4.19. Wat het onder 2 gevorderde betreft geldt het volgende. [A] stelt dat Stadgenoot bekend heeft gemaakt dat [A] EUR 120.000 heeft ontvangen. Dat is op AT5 geweest en [A] ondervindt daar last van en heeft daarom belang bij de vordering. De rechtbank is van oordeel dat [A] dit belang alleen heeft als de mededeling in de media in strijd is met de waarheid. Stadgenoot betwist dat, nu zij stelt dat EUR 20.000 per bank is betaald en het restant via [B]. Zij heeft zich daarbij beroepen op de onder 2.18 aangehaalde verklaring van [B] en de daarbij gevoegde bankafschriften. Deze verklaringen stemmen (althans op dit punt) overeen met de onder 2.16 en 2.17 aangehaalde verklaringen van [C] en [D]. [A] zal zijn stelling moeten bewijzen en heeft dat bewijs ook aangeboden. De zaak zal hiertoe naar de rol worden verwezen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [A] om binnen een termijn van vijf werkdagen na betekening van het vonnis de namens hem op 21 april 2008 bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam gestarte procedure te staken en zich te onthouden van enige poging tot aantasting en/of ongedaanmaking van de intrekking van de op 16 januari 2008 ingediende beroepschriften inzake het onder 2.2 bedoelde Riva-terrein,

5.2. veroordeelt [A] om na betekening van het vonnis zich onthouden van elk handelen dat de ontwikkeling van het onder 2.2. bedoelde Riva-terrein kan of zal vertragen althans het uiten van bezwaren en/of verrichten van rechtshandelingen strekkend tot vernietiging en/of aantasting van enige (bouw)vergunning betrekking hebbend op de ontwikkeling van eerdergenoemde Riva-terrein op verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000 (zegge tienduizend euro) per dag of gedeelte van een dag dat [A] tekort schiet in de nakoming van deze veroordeling tot een maximum van EUR 1.000.000 (zegge één miljoen euro).

5.3. bepaalt dat in het geval [A] na verbeurte van de dwangsommen niet over gegaan is tot onvoorwaardelijke intrekking als beschreven onder 5.1 het onderhavige vonnis zal gelden als een akte van intrekking van het onder 5.1 bedoelde verzoek tot ongedaanmaking van de intrekking van de op 16 januari 2008 ingediende beroepschriften.

5.4. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Stadgenoot tot op heden begroot op EUR 2.711,20, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na het wijzen van dit vonnis,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

5.7. wijst af het onder 1 primair en subsidiair gevorderde,

5.8. draagt [A] op te bewijzen dat hij van Het Oosten niet meer heeft ontvangen dan EUR 20.000,--,

5.9. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 29 juli 2009 voor opgave van verhinderdata van beide partijen in de periode vanaf 17 augustus tot en met eind oktober 2009,

5.10. bepaalt dat [A], indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, hij dit op genoemde roldatum dient mede te delen.

5.11. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken voor zover nog niet in het geding gebracht aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.12. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.?