Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7398

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
404614 / HAZA 08.2170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bestuurdersaansprakelijkheid.

De overdracht van 50 % van de aandelen van een besloten vennootschap kort voor faillissement aan de andere aandeelhouder, leidt niet tot bestuurdersaansprakelijkheid of kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ook niet nu de koopsom van de aandelen is voldaan met een dividenduitkering en het besluit tot deze dividenduitkering niet voldoet aan de formele vereisten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Burgerlijk Wetboek Boek 2 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2009, 824
JIN 2009/711
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Meervoudige civiele kamer

zaaknummer / rolnummer: 404614 / HA ZA 08-2170

Vonnis van 3 juni 2009

in de zaak van

mr. Bart Matthijs MENDEL, kantoorhoudende te Haarlem

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VOCOGNITION B.V.,

eiser,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CYBERDYNE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Leedekerken,

2. [A],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Leedekerken,

3. [B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. S.D. van de Kant.

Eiser zal hierna de curator en gedaagden gezamenlijk zullen hierna Cyberdyne c.s. worden genoemd. Afzonderlijk zullen gedaagden respectievelijk Cyberdyne, [A] en [B] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 6 en 8 mei 2008 met producties;

- de conclusie van antwoord van Cyberdyne en [A] met producties;

- de conclusie van antwoord van [B] met producties;

- het tussenvonnis van 31 december 2008, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 april 2009 en het daarin genoemde processtuk.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast.

2.2. In 1992 hebben [A] en [B] een onderneming opgericht, die zich bezig hield met het ontwikkelen en exploiteren van spraakherkenningssoftware en daarop aansluitende hardware, waaronder zogenaamde “talkmans” (draadloze geluidsontvangers waardoor werknemers op de werkvloer instructies kunnen ontvangen) die ingezet kunnen worden ten behoeve van “orderpicking”. In 1994 is VoCognition B.V. (hierna: VoCognition) opgericht en is de onderneming ingebracht.

2.3. Tot en met 15 maart 2005 vormden [A] en [B] het bestuur van VoCognition. De helft van de aandelen van VoCognition werd gehouden door Cyberdyne, waarvan [A] enig aandeelhouder en bestuurder is. De andere helft werd gehouden door Over & Out B.V. (hierna genoemd: Over & Out), waarvan [B] enig aandeelhouder en bestuurder is.

2.4. Pas vanaf eind jaren negentig begon de vraag naar spraakherkenningssoftware toe te nemen en bleek VoCognition in staat haar producten succesvol te exploiteren door onder meer een contract af te sluiten met het Franse supermarktconcern Carrefour ten behoeve van haar in Europa gevestigde magazijnen. Daar afnemers van producten van VoCognition 30% vooruit betaalden en een winstmarge van ongeveer 50% werd behaald, had VoCognition ter voorfinanciering van haar activiteiten weinig behoefte aan liquide middelen.

2.5. De omzet van VoCognition nam door het succes toe; in 2002 bedroeg de omzet 2 miljoen euro, in 2003 8,2 miljoen euro en in 2004 12,6 miljoen euro. Eind 2004 werd het bedrag aan vrij uitkeerbare winst begroot op meer dan 2,6 miljoen euro.

2.6. In 2003 waren drie partijen, te weten Psion-Teklogix (hierna genoemd: Psion), Zetes en Vocollect, geïnteresseerd in overname van de bedrijfsactiviteiten van VoCognition, hetgeen op 24 november 2003 resulteerde in een bod van Psion om voor een bedrag gelegen tussen € 5.250.000,-- en € 9.250.000,-- 70 % van de aandelen van VoCognition te kopen. [B] en [A] hebben dit aanbod afgeslagen omdat zij de geboden koopprijs te laag vonden. Hoewel Psion vervolgens bereid was het bod te verhogen, zijn de onderhandelingen gestaakt, aangezien [B] – anders dan [A] – de door Psion voorgestelde koopprijs nog altijd te laag vond.

2.7. Naar aanleiding van het feit dat [A] de onderneming wel aan Psion wilde verkopen maar [B] niet, heeft [B] aan [A] voorgesteld om het aandeel van Cyberdyne in VoCognition door Over & Out te laten overnemen. Cyberdyne en Over & Out zijn vervolgens, beide bijgestaan door een adviseur en een jurist, hierover in onderhandeling getreden.

2.8. Op 20 december 2004 hebben VoCognition, Cyberdyne, [A] en Over & Out een overeenkomst gesloten (hierna genoemd: de koopovereenkomst), waarbij Cyberdyne zich heeft verbonden om haar aandelen in VoCognition aan Over & Out te verkopen tegen betaling van een vast gedeelte van € 4.500.000,-- en een variabel gedeelte dat kon oplopen tot maximaal € 5.000.000,--. In de overeenkomst is over de koopprijs onder meer bepaald:

“(…)

1.3 Koper verplicht zich ertoe dat op Overdrachtsdatum een bedrag ter grootte van € 4.5000.000,-- (…) wordt betaald aan Verkoper op de derdengeldrekening van de notaris die de Leveringsakte zal passeren. (…) Koper is voornemens het bedrag van € 4.500.000,-- (…) te verwerven door het aantrekken van een Banklening van € 2.500.000,-- (…) en door uitkering van € 2.000.000,-- (…) dividend uit de Vennootschap aan Koper onmiddellijk na levering van de Aandelen op de Overdrachtsdatum.”

2.9. Op 15 maart 2005 hebben VoCognition, Cyberdyne, [A] en Over & Out een addendum gesloten op de koopovereenkomst, waarin onder meer is bepaald:

“(…)

Artikel 1 – afwijking van Koopovereenkomst

1.1 Koper en Verkoper komen hierbij overeen dat in afwijking van artikel 1.3 van de Koopovereenkomst op Overdrachtsdatum een bedrag ter grootte van € 4.200.000,-- (…) wordt betaald aan Verkoper op de derdengeldrekening van de notaris die de Leveringsakte zal passeren.

1.2 De rest van het vaste gedeelte van de Koopprijs (een bedrag ter grootte van € 300.000,-- (…)) zal vóór 1 april 2005 rechtstreeks door Koper aan Verkoper worden betaald. (…)”

2.10. In de koopovereenkomst lag aldus het voornemen besloten de koopsom gedeeltelijk te voldoen met door VoCognition uit te keren dividend. Over & Out heeft bovendien een geldlening verkregen bij een bank van € 2.200.000,--, ten behoeve van welke lening een eerste recht van pand is gevestigd op de aandelen, zonder additionele zekerheden.

2.11. Op 15 maart 2005 stond een bedrag van € 4.200.000,-- op de derdenrekening van notaris mr. A.A. Voorneman (hierna genoemd: de notaris), waarvan € 1.350.000,-- door VoCognition was gestort. De leveringsakte waarbij de aandelen van Cyberdyne zijn overgedragen aan Over & Out, is op die datum gepasseerd. Op 16 maart 2005 is een bedrag van € 4.200.000,-- van de rekening van de notaris bijgeschreven op de rekening van Cyberdyne.

2.12. Aan [A] is op 15 maart 2005 om 16.30 uur, na het passeren van de leveringsakte, door de enig aandeelhouder Over & Out, décharge verleend voor het door hem als bestuurder van VoCognition gevoerde beleid. [A] heeft om 18.00 uur die dag ontslag genomen als bestuurder. [B] was nadien enig bestuurder van VoCognition.

2.13. Op 31 maart 2005 heeft VoCognition € 300.000,-- rechtstreeks aan Cyberdyne betaald.

2.14. Al vóór 15 maart 2005 waren onderhandelingen tussen VoCognition met Carrefour gaande om de samenwerking binnen Europa uit te breiden naar een wereldwijde samenwerking. Deze uitbreiding was een miljoenenproject. Daar de onderhandelingen in een ver gevorderd stadium raakten en Carrefour al klant was, ging VoCognition ervan uit dat de onderhandelingen tot een daadwerkelijke opdracht zouden leiden. Ter voorbereiding op deze grote opdracht heeft VoCognition 35 extra mensen in dienst genomen. Deze moesten van te voren worden opgeleid om, op het moment dat de opdracht zou worden verstrekt, direct inzetbaar te zijn. Tijdens hun opleiding verrichtten zij werkzaamheden voor andere klanten van VoCognition. In september 2005 zou de overeenkomst worden gesloten. Carrefour heeft in september 2005 aan VoCognition meegedeeld dat het project enige vertraging zou oplopen, maar dat het niet van de baan was en zeker doorgang zou vinden. Dit is de reden geweest dat, behoudens een aantal ontslagen, een deel van het extra personeel in dienst is gebleven. In november/december 2005 kreeg [B] echter de indruk dat de opdracht niet meer zou worden verstrekt. Vanaf december 2005 is dan ook een groot aantal personeelsleden ontslagen. De opdracht is uiteindelijk niet doorgegaan. Nadien is de financiële positie van VoCognition zozeer verslechterd dat zij in 2006 haar eigen faillissement heeft aangevraagd.

2.15. Op 16 mei 2006 is VoCognition bij vonnis van de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. Mendel als curator. Er is een faillissementstekort.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Cyberdyne te veroordelen tot betaling ten behoeve van de boedel aan de curator van een bedrag van € 1.650.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 maart 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;

b. te verklaren voor recht dat [A] en [B] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van VoCognition B.V., voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 mei 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;

c. te verklaren voor recht dat [A] en [B] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die VoCognition B.V. en/of haar crediteuren hebben geleden als gevolg van de aan [A] en [B] toe te rekenen tekortkoming(en), en/of hun onrechtmatig handelen of nalaten als omschreven in de dagvaarding, en te bepalen dat de schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, en dat de schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 mei 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag van volledige voldoening;

d. [A] en [B] hoofdelijk te veroordelen tot betaling ten behoeve van de boedel aan de curator van een voorschot op het bedrag dat [A] en [B] op grond van het sub b en c gevorderde dienen te betalen, groot € 500.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

e. Cyberdyne c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze proceskosten.

3.2. De curator stelt daartoe dat:

I. VoCognition in totaal € 1.650.000,-- (te weten op 16 maart 2005 € 1.350.000,-- door tussenkomst van de notaris en op 31 maart 2005 € 300.000,--) onverschuldigd aan Cyberdyne heeft betaald, welk bedrag door Cyberdyne aan de boedel dient te worden terugbetaald;

II. [A] en [B] persoonlijk aansprakelijk zijn zowel uit hoofde van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW), als uit hoofde van artikel 2:248 BW;

III. [A] en [B] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de crediteuren van VoCognition, waardoor zij eveneens persoonlijk aansprakelijk zijn;

IV de betaling van VoCognition van in totaal € 1.650.000,-- ingevolge artikel 2:7 BW vernietigbaar is, nu deze in strijd met het statutaire doel van de vennootschap is gedaan.

3.3. Cyberdyne c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

I onverschuldigde betaling aan Cyberdyne

4.1. De curator stelt in de eerste plaats dat VoCognition zonder rechtsgrond in totaal een bedrag van € 1.650.000,-- aan Cyberdyne heeft betaald. Dit wordt door Cyberdyne c.s. betwist. Cyberdyne c.s. voert daartoe aan dat, zoals uit de koopovereenkomst blijkt, Over & Out het voornemen had om de koopsom gedeeltelijk te voldoen door uitkering van € 2.000.000,-- dividend uit VoCognition, welke dividenduitkering zou plaatsvinden nadat de aandelen van Cyberdyne aan Over & Out waren overgedragen. Omdat de koopsom reeds vóór de aandelenoverdracht op de derdenrekening van de notaris diende te staan, heeft VoCognition een bedrag van € 1.350.000,-- geleend aan Over & Out. Dit bedrag is rechtstreeks ter voldoening van de koopsom aan Cyberdyne, door VoCognition overgemaakt op de derdenrekening van de notaris. Nadat de aandelen waren overgedragen, heeft de dividenduitkering plaatsgevonden en is het geleende bedrag verrekend met het uitgekeerde dividend. Ook het bedrag van € 300.000,--, dat door VoCognition ter voldoening van de koopsom rechtstreeks is overgemaakt op de rekening van Cyberdyne, kon op basis van een geldlening tussen VoCognition en Over & Out aan Cyberdyne worden betaald. Deze lening is eveneens verrekend met het door VoCognition aan Over & Out uitgekeerde dividend, aldus nog steeds Cyberdyne c.s.

4.2. Vaststaat dat Cyberdyne op grond van de koopovereenkomst recht had op betaling van de koopsom door Over & Out en dat uit de koopovereenkomst volgt dat Over & Out voornemens was de koopsom deels te voldoen uit door VoCognition uit te keren dividend. Het is op zichzelf dan ook niet onaannemelijk dat VoCognition vooruitlopend op die dividenduitkering bedragen ter leen heeft verstrekt aan Over & Out, en dat VoCognition die bedragen rechtstreeks aan de notaris respectievelijk Cyberdyne heeft betaald ter kwijting van Over & Out (artikel 6:30 BW). Gelet op deze omstandigheden had het op de weg van de curator gelegen om zijn stelling dat de desbetreffende betalingen niettemin geen rechtsgrond hebben, nader te motiveren. Nu hij dat heeft nagelaten, moet ervan worden uitgegaan dat aan de betalingen door VoCognition leningen ten grondslag liggen van VoCognition aan Over & Out (die na de aandelenoverdracht zijn verrekend met uitgekeerd dividend), alsmede dat VoCognition door rechtstreeks aan de notaris respectievelijk Cyberdyne te betalen een verbintenis van Over & Out uit de koopovereenkomst is nagekomen. Van een onverschuldigde betaling is onder deze omstandigheden geen sprake. Dat Cyberdyne c.s. de hiervoor verwoorde stellingen pas ter comparitie heeft betrokken en eerder andere verklaringen heeft gegeven voor de achtergrond van de betalingen, maakt dit niet anders. Niet de feitelijke gang van zaken is immers op andere wijze voorgesteld, slechts de juridische kwalificatie ervan. De rechtsgeldigheid van het besluit tot dividenduitkering, die door de curator wordt betwist, kan in dit kader buiten beschouwing blijven. Het oordeel daarover kan niet af doen aan de constatering dat de betalingen aan Cyberdyne een voldoende rechtsgrond hadden.

II (kennelijk) onbehoorlijk bestuur

4.3. In de tweede plaats stelt de curator, in de plaats tredend enerzijds voor VoCognition en anderzijds voor de crediteuren, dat [A] en [B] aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort uit hoofde van respectievelijk artikel 2:9 BW en artikel 2:248 BW.

4.4. Nu vaststaat dat [A] op 15 maart 2005 ontslag heeft genomen als bestuurder van VoCognition en VoCognition [A] over het door hem als bestuurder tot 15 maart 2005 gevoerde beleid decharge heeft verleend, gaat alleen daarom al de stelling dat [A] uit hoofde van artikel 2:9 BW jegens VoCognition aansprakelijk is, niet op. VoCognition heeft immers door decharge te verlenen [A] ontheven van aansprakelijkheid voor het door hem tot 15 maart 2005 gevoerde beleid. Nu het dividendbesluit van na 15 maart 2005 dateert kan een oordeel over de rechtsgeldigheid daarvan ook overigens niet tot aansprakelijkheid van [A] leiden.

4.5. De curator betoogt dat het door [B] genomen dividendbesluit nietig is, omdat de voor een geldige dividenduitkering vereiste formaliteiten niet in acht zijn genomen. Het bedrag van € 1.650.000, zou daarom onverschuldigd aan Over & Out zijn betaald. Nu VoCognition daardoor is benadeeld, is [B] uit hoofde van artikel 2:9 BW aansprakelijk, aldus de curator. Cyberdyne c.s. betwist dat het besluit nietig dan wel vernietigbaar is.

4.6. De aandeelhoudersvergadering bestond na de verkoop en overdracht op 15 maart 2005 uit slechts één aandeelhouder, te weten Over & Out, wier bestuurder en enig aandeelhouder, [B], het dividendbesluit heeft genomen. Nu de volgens de curator geschonden norm is gesteld ter bescherming van onwetende aandeelhouders en om te bereiken dat medewerking is verleend aan de besluitvorming door andere aandeelhouders, waarvan hier geen sprake is, is – ook als het besluit nietig zou zijn – in dit geval geen sprake van een tekortkoming in de zin van een onbehoorlijke vervulling van de opgedragen taak die tot aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW zou kunnen leiden. Overigens was het besluit niet nietig, maar hooguit vernietigbaar, namelijk indien ondanks de “bevestiging aandeelhoudersbesluit voor zover vereist” van 16 januari 2009 met de curator zou moeten worden geoordeeld dat de voor een geldige dividenduitkering vereiste formaliteiten niet in acht zijn genomen (artikel 2:15 lid 1 sub a BW). Nu echter gesteld noch gebleken is dat de curator binnen een jaar na het einde van de dag, waarop hij met het besluit bekend is geworden, de vernietiging van het besluit heeft gevorderd, is het recht daartoe vervallen en is het besluit (ook) in dat geval onaantastbaar. Gelet op de omstandigheid dat de curator ten tijde van het eerste faillissementsverslag van 22 juni 2006 al op de hoogte was van de aandelenoverdracht, moet er immers van worden uitgegaan dat hij ruim een jaar voor het uitbrengen van de dagvaarding op 6 mei 2008 met het dividendbesluit bekend is geworden. Als gevolg hiervan kan het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een tussentijdse uitkering (interim-dividend) of van een “gewone” dividenduitkering in het midden blijven. Uitgangspunt is dan ook verder dat het dividendbesluit rechtsgeldig is.

4.7. De curator stelt verder (kort gezegd) dat [A] en [B] krachtens de artikelen 2:9 en 2:248 BW aansprakelijk zijn als gevolg van het feit dat zij in hun hoedanigheid van bestuurder hebben besloten tot overdracht van de aandelen en deze overdracht (uiteindelijk) te financieren met een dividenduitkering, terwijl zij ondertussen extra personeel in dienst namen ten behoeve van een nog niet verkregen opdracht. Op grond van de vaststaande feiten kan echter niet worden geconcludeerd dat geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – zo zou hebben gehandeld als [A] en [B] hebben gedaan. Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst was de onderneming immers, na een voorzichtige start, succesvol geworden. De omzet was gedurende de jaren 2002, 2003 en 2004 exponentieel gegroeid. Gesteld noch gebleken is dat [B] en/of [A] er rondom 15 maart 2005 rekening mee moesten houden dat de vraag zou afnemen, dan wel dat de omzet zou teruglopen. Bovendien blijkt uit de omstandigheid dat al in 2003 drie bedrijven belangstelling hadden om VoCognition over te nemen, wat in het hiervoor onder 2.6 omschreven bod op de aandelen heeft geresulteerd, dat ook anderen de verwachting hadden dat het goed zou blijven gaan. Dat volgt overigens ook uit het feit dat een bankinstelling bereid is gebleken om ter financiering van de aandelenoverdracht, zonder aanvullende zekerheid te bedingen, een lening van € 2.200.000,-- te verstrekken. Nu niet is weersproken dat [A] en [B] een verschil van inzicht hadden over de verkoop van de onderneming, is het niet onbegrijpelijk dat zij tot verkoop van de aandelen hebben besloten. Daardoor en doordat [A] ontslag nam als bestuurder, kon [B] de onderneming naar eigen inzicht voortzetten en kreeg [A], evenals het geval zou zijn bij verkoop van de onderneming aan een derde, de waarde van zijn aandelen uitgekeerd. Gelet op het bod van Psion en de jaarcijfers zijn er geen aanwijzingen dat de koopsom niet marktconform was. Nu bovendien niet voldoende gemotiveerd is betwist dat VoCognition ten tijde van de geldlening voor de aandelenoverdracht en ten tijde van de dividenduitkering na de aandelenoverdracht over voldoende vrije reserves beschikte om een bedrag van € 1.650.000,-- uit te keren en in 2004 een jaaromzet was gegenereerd van € 12.600.000,--, is de beslissing om een gedeelte van de koopsom te voldoen door middel van een dividenduitkering ten bedrage van € 1.650.000,-- evenmin als onredelijk of onverantwoord aan te merken. Dit is evenzeer het geval als tot het oordeel zou moeten worden gekomen dat sprake was van interim-dividend. Daarbij geldt dat [B] en [A] de verwachting hadden dat de onderneming op korte termijn aanzienlijk zou worden uitgebreid door de opdracht van Carrefour om wereldwijd te gaan samenwerken. Gelet op de omstandigheid dat er al een samenwerking met Carrefour bestond en door de curator geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan [B] en [A] er rekening mee moesten houden dat de opdracht van Carrefour uiteindelijk geen doorgang zou vinden, moet ervan worden uitgegaan dat de verwachting dat de opdracht zou worden verstrekt op dat moment reëel was. De daarop vooruitlopende voorbereidingen, zoals het in dienst nemen van 35 personeelsleden, dienen dan ook te worden aangemerkt als een verantwoord en niet ongebruikelijk bedrijfsrisico. Het besturen van een onderneming impliceert immers per definitie het nemen van risico’s. Dat het aantrekken van extra personeelsleden en de dividenduitkering omstreeks dezelfde periode plaatsvonden en daarmee drukten op de liquide middelen van de vennootschap, maakt dit – gelet op de gerechtvaardigde verwachting dat de opdracht zou worden verstrekt – niet anders. Bij dit alles komt tot slot dat de curator in zijn faillissementsverslagen ook zelf andere oorzaken voor het faillissement heeft aangewezen dan de door hem gewraakte aandelenoverdracht.

4.8. Verder stelt de curator dat [B] en/of [A] niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichtingen bedoeld in artikel 2:248 lid 2 BW, in welk verband de curator een beroep doet op het in die bepaling neergelegde bewijsvermoeden. Nu echter onbetwist is gebleven dat de jaarrekening over 2004 slechts drie dagen te laat is gedeponeerd, is sprake van een onbelangrijk verzuim dat niet kan leiden tot de conclusie dat [B] en/of [A] hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld. Evenmin leidt de omstandigheid dat de jaarrekening van 2005 noch is gedeponeerd, noch is gepubliceerd tot die conclusie. Vaststaat immers dat VoCognition vanaf 16 mei 2006 in staat van faillissement verkeert. Bij gebreke van andere gegevens moet er dan ook vanuit worden gegaan dat de curator vanaf dat moment de voor publicatie en deponering benodigde stukken onder zich heeft gehad. Nu bovendien gesteld noch gebleken is dat de curator voorafgaande aan deze procedure op enig moment [B] dan wel [A] heeft verzocht de jaarstukken tijdig te publiceren en/of te deponeren, kan hij thans op het niet voldoen aan die verplichtingen niet met vrucht een beroep doen.

4.9. Al met al is de rechtbank van oordeel dat [B] noch [A] met betrekking tot het door hen gevoerde bestuur een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat er evenmin sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling. Ook deze gronden kunnen derhalve niet tot toewijzing van de vordering leiden.

III onrechtmatige daad en IV doeloverschrijding

4.10. Tot slot stelt de curator dat de hiervoor geschetste handelwijze van [B] en [A] onrechtmatig is tegenover de crediteuren en dat [B] en [A] met de betaling van in totaal € 1.650.000,-- het vennootschapsbelang disproportioneel hebben verwaarloosd. Nu de curator geen andere feiten of omstandigheden deze stellingen ten grondslag heeft gelegd dan het hiervoor reeds besprokene, behoeven deze stellingen geen bespreking meer en worden ze eveneens verworpen.

4.11. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van de curator worden afgewezen en zal hij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Dit leidt tot de navolgende oordelen.

Cyberdyne en [A]

4.12. De kosten aan de zijde van Cyberdyne en [A] worden begroot op:

- vast recht € 4.784,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 11.206,00.

4.13. Cyberdyne en [A] vorderen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak over de proceskosten. Deze vordering heeft de curator niet betwist en zal derhalve worden toegewezen.

[B]

4.14. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- vast recht € 1.148,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 7.570,00.

4.15. [B] vordert nakosten. Deze vordering heeft de curator niet betwist en wordt derhalve toegewezen. De curator zal worden veroordeeld in de na dit vonnis ontstane kosten van [B], begroot op:

- EUR 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de curator niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,-- aan salaris advocaat.

4.16. [B] vordert de wettelijke rente over de proces- en nakosten met ingang van twee dagen na de betekening van dit vonnis. Deze vordering heeft de curator niet betwist en zal derhalve worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Cyberdyne en [A] tot op heden begroot op € 11.206,00 en verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. veroordeelt de curator in de proceskosten aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 7.570,00, en veroordeelt de curator in de na dit vonnis ontstane kosten van [B], begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de curator niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat, en veroordeelt de curator in de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten, te rekenen vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzitter, mr. M.M. Korsten - Krijnen en mr. L. van Berkum, leden van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2009.?