Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7316

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
13-520005-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7829, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen overschrijding van de redelijke termijn ondanks verstrijken 4 jaar en 8 maanden tussen de aanhouding van verdachte en het vonnis. Het OM heeft mede op dringend verzoek van de verdediging en ter bescherming van de belangen van verdachte gewacht met het aanbrengen van de strafzaak totdat het hof arrest had gewezen in de zaak tegen een medeverdachte. Dit was redelijk. Geen sprake van het weghouden van een belangrijke getuige door de zaaksofficier. De rechtbank stelt vast dat het de getuige zelf is die weigert een verklaring af te leggen, terwijl het in dit geval niet mogelijk is hem daartoe te dwingen. Vrijspraak van afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving of medeplichtigheid daarbij. Aangever is vrijwillig overeenkomsten aangegaan die hem verplichtten tot overdracht van een deel van zijn onderneming. Hij heeft vervolgens niet direct willen meewerken aan het formaliseren daarvan. De aanwezigheid van een medeverdachte bij een bespreking hierover en bij de daarna volgende gang naar de notaris heeft waarschijnlijk wel druk gelegd op de aangever om de voorliggende stukken, die leidden tot overdracht van een deel van zijn onderneming, te tekenen. Niet bewezen is echter dat deze druk zodanig was dat dit kan worden gekwalificeerd als bedreiging met geweld, temeer nu de door de medeverdachte gebezigde woorden (“je moet nu tekenen”) op zichzelf geen bedreiging met geweld inhouden. Ook vrijheidsberoving is niet komen vast te staan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/520005-05 Promis

Datum uitspraak: 10 september 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 januari 2009, 24 augustus 2009, 25 augustus 2009 en 27 augustus 2009.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting van 24 augustus 2009 is gewijzigd, te weten dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 8 augustus 2002 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van (een deel van) de eigendom van horeca onderneming “Raffles” en/of een of meer aandelen in horeca onderneming “Raffles” en/of (27.199 althans een of meer) aandelen in het kapitaal van Raffle’s B.V., geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] voornoemd, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededaders:

- op het kantoor van hem verdachte, dan wel IMCA tegen die [naam 1] (aldaar) met stemverheffing en/of op dreigende wijze heeft gezegd: "Je moet vandaag gaan tekenen" en/of "Je hebt niets meer met [verdachte] te maken, je hebt nu met mij te maken" en/of "Heb je mij niet gehoord? Je hebt met mij te maken. Wat in het verleden is gebeurd, daar heb je niets meer mee te maken. Wij gaan nu tekenen. Wat er ook gebeurt, je gaat nu tekenen." en/of "Ga zitten, we gaan nu tekenen. [verdachte] heeft geld in jouw zaak gestopt en nu wil jij niet tekenen." en/of "Jij gaat nergens naartoe, jij gaat tekenen" en/of op dreigende wijze "We gaan jouw paspoort halen, want ik weet waar je woont en wie jouw vriendin is, en dan gaan we naar de notaris" en/of

- [naam 1] op het kantoor van verdachte, dan wel IMCA enige tijd vastgehouden en/of

- onder dwang van de bovenomschreven dreigende situatie (vervolgens) met [naam 1] in de auto van verdachte naar het huis van die vriendin is/zijn gereden en/of

- onder dwang van de situatie het paspoort van [naam 1] heeft opgehaald en/of

- die [naam 1] onder bovenomschreven dreigende situatie in de auto met mededader [naam 2] heeft meegenomen naar een notaris en/of

- die [naam 1] onder bovenomschreven dreigende situatie een overeenkomst tot overdracht en/of afgifte van aandelen en/of de (gedeeltelijke) eigendom heeft laten tekenen, althans dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen met enig geweld heeft gedreigd;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 8 augustus 2002 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk [naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s):

- [naam 1] op het kantoor van [verdachte], dan wel IMCA enige tijd vastgehouden en/of

- (daarbij) tegen die [naam 1] (aldaar) met stemverheffing en/of op dreigende wijze gezegd: "Je moet vandaag gaan tekenen" en/of "Je hebt niets meer met [verdachte] te maken, je hebt nu met mij te maken" en/of "Heb je mij niet gehoord? Je hebt met mij te maken. Wat in het verleden is gebeurd, daar heb je niets meer mee te maken. Wij gaan nu tekenen. Wat er ook gebeurt, je gaat nu tekenen." en/of "Ga zitten, we gaan nu tekenen. [verdachte] heeft geld in jouw zaak gestopt en nu wil jij niet tekenen." en/of "Jij gaat nergens naartoe, jij gaat tekenen"en/of "We gaan jouw paspoort halen, want ik weet waar je woont en wie jouw vriendin is, en dan gaan we naar de notaris" en/of

- (vervolgens) [naam 1] onder dwang (van de bovenomschreven dreigende situatie) in een auto met mededader [naam 2] naar het huis van die vriendin meegenomen en/of

- die [naam 1] onder dwang (van de bovenomschreven dreigende situatie) in een auto met mededader [naam 2] meegenomen naar een notaris;

meer subsidiair:

[naam 2] en (een) ander(en) op of omstreeks 1 juli 2002 tot en met 8 augustus 2002, te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van (een deel van) de eigendom van horecaonderneming "Raffles" en/of aandelen in horeca onderneming "Raffles" en/of (27.199 althans een of meer) aandelen in het kapitaal van Raffle’s B.V., geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] voornoemd, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, [naam 2], tezamen en in vereniging met een ander(en):

- op het kantoor van [verdachte], dan wel IMCA tegen die [naam 1] (aldaar) met stemverheffing en/of op dreigende wijze heeft gezegd: "Je moet vandaag gaan tekenen" en/of "Je hebt niets meer met [verdachte] te maken, je hebt nu met mij te maken" en/of "Heb je mij niet gehoord? Je hebt met mij te maken. Wat in het verleden is gebeurd, daar heb je niets meer mee te maken. Wij gaan nu tekenen. Wat er ook gebeurt, je gaat nu tekenen." en/of "Ga zitten, we gaan nu tekenen. [verdachte] heeft geld in jouw zaak gestopt en nu wil jij niet tekenen." en/of "Jij gaat nergens naartoe, jij gaat tekenen" en/of op dreigende wijze "We gaan jouw paspoort halen, want ik weet waar je woont en wie jouw vriendin is, en dan gaan we naar de notaris" en/of

- [naam 1] op het kantoor van [verdachte], dan wel IMCA enige tijd vastgehouden en/of

- onder dwang van de bovenomschreven dreigende situatie (vervolgens) met [naam 1] in een auto met mededader [naam 2] naar het huis van die vriendin is/zijn gereden en/of

- onder dwang van de situatie het paspoort van [naam 1] heeft opgehaald en/of

- die [naam 1] onder bovenomschreven dreigende situatie in een auto met mededader [naam 2] heeft meegenomen naar een notaris en/of

- die [naam 1] onder bovenomschreven dreigende situatie een overeenkomst tot overdracht van aandelen en/of de (gedeeltelijke) eigendom heeft laten tekenen,

danwel dat

[naam 2] en/of anderen in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 8 augustus 2002 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk [naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, voornoemde [naam 2], en/of (een of meer) van zijn mededader(s):

- [naam 1] op het kantoor van [verdachte], dan wel IMCA enige tijd vastgehouden en/of

- (daarbij) tegen die [naam 1] (aldaar) met stemverheffing en/of op dreigende wijze gezegd: "Je moet vandaag gaan tekenen" en/of "Je hebt niets meer met [verdachte] te maken, je hebt nu met mij te maken" en/of "Heb je mij niet gehoord? Je hebt met mij te maken. Wat in het verleden is gebeurd, daar heb je niets meer mee te maken. Wij gaan nu tekenen. Wat er ook gebeurt, je gaat nu tekenen." en/of "Ga zitten, we gaan nu tekenen. [verdachte] heeft geld in jouw zaak gestopt en nu wil jij niet tekenen." en/of "Jij gaat nergens naartoe, jij gaat tekenen" en/of "We gaan jouw paspoort halen, want ik weet waar je woont en wie jouw vriendin is, en dan gaan we naar de notaris" en/of

- (vervolgens) [naam 1] onder dwang (van de bovenomschreven dreigende situatie) in een auto met mededader [naam 2] naar het huis van die vriendin meegenomen en/of

- die [naam 1] onder dwang (van de bovenomschreven dreigende situatie) in een auto met mededader [naam 2] meegenomen naar een notaris;

tot welk misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in genoemde periode, te Amsterdam, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of bij het plegen van welk misdrijf/misdrijven hij, verdachte, toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- telefonisch met [naam 1] een afspraak te maken voor een ontmoeting/overleg op kantoor bij verdachte op 8 augustus 2002 en/of

- [naam 2] en anderen te informeren van, en hen in de gelegenheid stellen tot het daadwerkelijk aanwezig zijn bij, deze bijeenkomst met [naam 1] en/of

- tijdens deze bijeenkomst tegen [naam 1] te zeggen: "Je moet vandaag gaan tekenen", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- tijdens deze bijeenkomst tegen [naam 1] te zeggen: "Meneer [naam 2] en ik hebben elkaar op een hele aparte manier ontmoet, toch [naam 2]?", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- aanwezig te zijn en te blijven bij voornoemde bijeenkomst op zijn kantoor (en aansluitend bij de notaris) die achtste augustus 2002 en zich gedurende de bedreigende gedragingen die dag van [naam 2] aan het adres van [naam 1] geen gebruik te maken van de mogelijkheid zich hiervan te distantiëren.

2. Voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Volgens de raadslieden moet de officier van justitie (OvJ) niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij hebben hiervoor twee gronden aangevoerd. Ten eerste is volgens hen de redelijke termijn overschreden. Dit op zichzelf leidt volgens de verdediging niet tot verlies van het recht op vervolging, maar wel als deze overschrijding in samenhang wordt bezien met de tweede grond. Die houdt in dat de OvJ willens en wetens de belangen van verdachte heeft geschaad door een belangrijke getuige ervan te weerhouden een verklaring af te leggen en door hierover tegen de rechter-commissaris, de verdediging en de rechtbank te liegen. Deze tweede grond is volgens de raadslieden op zichzelf al zó ernstig dat deze zelfstandig tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.

a. De redelijke termijn.

Verdachte is aangehouden op 24 januari 2005. Het vonnis in zijn zaak wordt uitgesproken op 10 september 2009. Daartussen ligt een periode van 4 jaar en bijna 8 maanden. Volgens vaste rechtspraak dient een strafzaak in eerste aanleg in beginsel binnen twee jaar te worden afgerond. Dat wil niet zeggen dat in een strafzaak die langer duurt, per definitie de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt overschreden. Of dat het geval is, hangt af van alle omstandigheden van de concrete zaak. In de onderhavige zaak is er een medeverdachte ([naam 2]), die verdacht is van de afpersing van [naam 1] (“de zaak Raffles”), waarvoor verdachte nu terechtstaat, en daarnaast van een aantal andere feiten. De rechtbank (niet deze) heeft de strafzaak tegen [naam 2] behandeld in 2006. De OvJ heeft er destijds voor gekozen om verdachte niet tegelijk met [naam 2] te laten berechten. Reden hiervoor was, aldus de OvJ, dat verdachte als bekende zakenman een groot afbreukrisico liep. De OvJ wilde daarom afwachten hoe de rechtbank zou oordelen over de verdenking tegen [naam 2]. Nadat de rechtbank in december 2006 bewezen had verklaard onder andere dat [naam 2] tezamen en in vereniging met anderen [naam 1] had afgeperst, heeft de OvJ besloten ook verdachte voor dat feit te vervolgen. Volgens de OvJ heeft de verdediging hem toen vriendelijk, maar dringend verzocht te wachten met het uitbrengen van een dagvaarding tegen verdachte, in ieder geval totdat het Hof arrest in de zaak tegen [naam 2] zou hebben gewezen. Mede omdat de behandeling van het hoger beroep reeds half 2007 zou beginnen, heeft de OvJ dat verzoek ingewilligd. De raadslieden hebben bij pleidooi opgemerkt dat deze door de OvJ geschetste gang van zaken op een misverstand berust. Met die enkele, verder niet toegelichte, opmerking hebben zij naar het oordeel van de rechtbank in feite niet weersproken dat het gegaan is zoals de OvJ heeft uiteengezet. De rechtbank is verder van oordeel dat het alleszins redelijk was om, mede met het oog op de belangen van verdachte en bovendien op diens verzoek, met het aanbrengen van de onderhavige zaak te wachten totdat het Hof zich zou hebben uitgesproken over de betrokkenheid van [naam 2] bij de zaak Raffles. De daardoor ontstane vertraging is daarom niet onredelijk te noemen.

In mei 2008 heeft het Hof arrest gewezen in de zaak tegen [naam 2] en hem veroordeeld voor het medeplegen van afpersing in de zaak Raffles. Die zaak hangt nu bij de Hoge Raad. Vervolgens is de strafzaak tegen verdachte aangebracht. De regiezitting heeft plaatsgevonden in januari 2009 en de zaak is in augustus 2009 inhoudelijk behandeld. Dat tijdsverloop is normaal voor zaken met een omvang als de onderhavige, waarvoor in het zittingsrooster van de rechtbank meerdere zittingsdagen vrijgemaakt moeten worden. Ook dat tijdsverloop is niet onredelijk te noemen.

De conclusie van het hiervoor overwogene is dat verdachte na zijn aanhouding weliswaar erg lang heeft moeten wachten op het vonnis in zijn zaak, maar dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

b.1. Weghouden van een getuige.

De verdediging heeft halverwege 2005 de rechter-commissaris (rc) verzocht [getuig[getuige 1] als getuige te horen. Deze [getuige 1] was op 8 december 2004 als ongewenst vreemdeling Nederland uitgezet naar Israël. De rc heeft de toenmalige zaaksofficier verzocht de verblijfplaats van [getuige 1] te achterhalen. Vervolgens heeft de zaaksofficier bij brief van 18 januari 2006 de Nederlandse raadsman van [getuige 1] verzocht te laten weten hoe een oproep voor een verhoor bij [getuige 1] terecht zou kunnen komen. Dat heeft geen resultaat gehad. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de rc van 1 augustus 2006 was op die datum [getuige 1] nog niet getraceerd, maar was inmiddels via een rechtshulpverzoek aan Israël wel een telefoonnummer van hem bekend geworden. In oktober 2006 is een rogatoire reis naar Israël gepland teneinde de getuige daar te horen. De autoriteiten in Israël bleven echter telkens aanvullende eisen stellen die het getuigenverhoor op losse schroeven stelden, zodat de rc uiteindelijk de hele reis heeft afgeblazen. Op 25 oktober 2006 heeft hij hiervan proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Op 23 maart 2007 heeft de rc nog een brief aan verdachte geschreven. Daarin deelde hij mee dat [getuige 1] contact had opgenomen met de Israëlische autoriteiten en duidelijk had gemaakt dat hij niet in Israël een verklaring wilde afleggen, maar wel in Nederland mits zijn ongewenst-verklaring zou worden opgeheven. De rc deelde verder mee dat hij niet bereid was daarover met [getuige 1] te onderhandelen.

Na de regiezitting in januari 2009 heeft de (opvolgend) rc nog eens contact opgenomen met [getuige 1], ditmaal per e-mail. [getuige 1] verklaarde zich aanvankelijk bereid om een getuigenverklaring te komen afleggen. De rc heeft [getuige 1] diverse mogelijkheden voorgesteld om dat te regelen. De rc was bereid om in Israël of enig ander buitenland af te spreken. Ook werd mogelijk gemaakt dat [getuige 1] naar Nederland zou komen, maar dat hij dan vóór het passeren van de douane zou worden gehoord, zodat hij (als nog altijd ongewenst verklaarde vreemdeling) formeel Nederland niet behoefde in te reizen. Uiteindelijk heeft [getuige 1] op 11 juni 2009 kortweg aan de rc laten weten dat die werd bedankt voor de uitnodiging, “however I have no benefit in coming to the Netherlands”. De rc heeft in zijn proces-verbaal hierover van 13 juli 2009 gerelateerd dat hij niet beschikt over een adres van [getuige 1], dat een rechtshulpverzoek aan Israël geen adres heeft opgeleverd, dat [getuige 1] zelf stelt dat hij niet in Israël is, dat [getuige 1] ondanks diverse verzoeken geen adres heeft opgegeven en dat de Nederlandse raadsman van [getuige 1] desgevraagd heeft laten weten dat hem niet bekend is waar [getuige 1] verblijft.

Gelet op het voorgaande, valt niet in te zien dat de OvJ ervoor zou hebben gezorgd dat [getuige 1] niet als getuige kan worden gehoord. Het is integendeel zonneklaar dat het [getuige 1] zelf is die weigert een getuigenverklaring af te leggen. Nu [getuige 1] zich niet in Nederland bevindt en geen Nederlands onderdaan is, beschikt de Nederlandse rechter niet over middelen om [getuige 1] tot het afleggen van een verklaring te dwingen. Dat [getuige 1] wel heeft gesproken met een journalist van een weekblad en met [naam 3], berust op zijn eigen keuze. De indruk die [getuige 1] in die gesprekken heeft gewekt, namelijk dat hij zeer bereid zou zijn een getuigenverklaring af te leggen maar daarvan door de Nederlandse autoriteiten wordt weerhouden, is echter gelet op het voorgaande evident onjuist.

Al met al vindt de stelling van de verdediging dat een cruciale getuige willens en wetens van het afleggen van een verklaring is afgehouden, geen steun in de feiten.

b.2. Misleiden rechter-commissaris, verdediging en/of rechtbank.

De voormalige zaaksofficier heeft als getuige ter zitting verklaard dat hij in de eerste helft van 2005 contact heeft gehad met [getuige 1]. Hij heeft voorts bevestigd dat hij de rc hiervan niet op de hoogte heeft gesteld, ook niet nadat die had gevraagd om [getuige 1]’s adresgegevens te achterhalen. De verdediging heeft betoogd dat dit neerkomt op bewuste misleiding.

De rechtbank is het niet met dat standpunt eens.

In zijn getuigenverhoor heeft de voormalige zaaksofficier uiteengezet dat de zaken als volgt zijn verlopen. Nadat ergens begin 2005 in een weekblad een artikel was verschenen over de zaak Raffles heeft de Nederlandse raadsman van [getuige 1] de zaaksofficier benaderd en hem een telefoonnummer verstrekt met het verzoek [getuige 1] op dat nummer te bellen, omdat [getuige 1] iets zou willen verklaren. De zaaksofficier heeft daarop met [getuige 1] gebeld. Die zei dat hij onder voorwaarden een verklaring wilde afleggen over verdachte. Onder welke voorwaarden, wilde hij over de telefoon niet zeggen. Verder zei [getuige 1] dat het voor hem gevaarlijk zou zijn als bekend zou worden dat hij met politie/justitie sprak. In april 2005 is op verzoek van de zaaksofficier een groepje CIE-ambtenaren naar Israël gereisd om met [getuige 1] te spreken. In dat gesprek werd onder meer duidelijk dat [getuige 1] als “tegenprestatie” voor zijn verklaring verlangde dat zijn status als ongewenst vreemdeling in Nederland zou worden opgeheven. De zaaksofficier - die daarover uiteraard niet kon beslissen - heeft bij de IND geïnformeerd of daarvoor enige ruimte zou bestaan. Die bleek er in beginsel te zijn, als er een verzoek zou komen van de top van het Openbaar Ministerie (OM). Binnen het OM is vervolgens gesproken over de wenselijkheid om een dergelijk verzoek te doen en om zo tegemoet te komen aan de eisen van [getuige 1]. In de tussentijd heeft [getuige 1] verschillende keren met de zaaksofficier gesproken, telkens nadat de Nederlandse raadsman de zaaksofficier had benaderd met het verzoek [getuige 1] op een bepaald telefoonnummer te bellen. In die gesprekken wilde [getuige 1] steeds weten of en zo ja wanneer zijn ongewenstverklaring zou worden opgeheven, waarop hem verteld werd dat dat in onderzoek was. Uiteindelijk heeft het OM besloten om niet aan [getuige 1]’s eis tegemoet te komen en dus géén verzoek te doen tot opheffing van diens ongewenstverklaring. Tot een verhoor van [getuige 1] is het dan ook niet gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze uiteenzetting van de gang van zaken helder en consistent en bestaat er geen aanleiding om aan de juistheid ervan te twijfelen. De uitlatingen van [getuige 1] tegenover een weekblad en [naam 3] in de trant dat justitie hem van het afleggen van een verklaring zou hebben weerhouden, geven die aanleiding zeker niet. Zoals hiervoor is overwogen, blijkt uit de feiten dat het juist [getuige 1] is geweest die een getuigenverhoor heeft geweigerd. Bovendien zou het de wereld op zijn kop zijn om aan die uitlatingen - al dan niet bij een notaris in Israël gedeponeerd - een zwaarder gewicht toe te kennen dan aan de onder ede ter terechtzitting afgelegde verklaring van de zaaksofficier.

De zaaksofficier heeft in zijn getuigenverhoor verder verklaard dat hij de rc destijds - nadat die ergens in de tweede helft van 2005 had verzocht om de adresgegevens van [getuige 1] - niet heeft verteld van zijn eerdere contacten met [getuige 1]. Hij had immers met [getuige 1] afgesproken dat niet bekend zou worden gemaakt dat die met politie/justitie had gesproken. [getuige 1] had namelijk kenbaar gemaakt dat hij in dat geval gevaar zou kunnen lopen. Naar het oordeel van de rechtbank kon de zaaksofficier deze afweging in redelijkheid zo maken. Voorts geldt dat de zaaksofficier niet beschikte over het adres van [getuige 1]. Hij had telkens telefonisch contact met hem gehad op (een) door de Nederlandse raadsman van [getuige 1] doorgegeven nummer(s) en de CIE-ambtenaren hadden [getuige 1] ontmoet in een hotel. Van het voorliegen van de rc, door te doen alsof hij geen adres kende, is dan ook geen sprake. Dat de zaaksofficier in een later stadium (in 2007) wél openheid van zaken heeft gegeven over zijn contacten met [getuige 1], is volgens hem te verklaren uit het feit dat [getuige 1] inmiddels zelf aan een weekblad had verteld over zijn contact met de Nederlandse justitie. Daarmee waren, volgens de zaaksofficier, de afspraken over geheimhouding door [getuige 1] zelf overboord gezet zodat de OvJ daaraan ook niet meer gebonden was. Ook deze afweging is prima te volgen.

De conclusie uit het voorgaande is dat ook de stelling dat de voormalige zaaksofficier zich schuldig zou hebben gemaakt aan doelbewuste misleiding geen steun vindt in de feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank staat niets aan de ontvankelijkheid van de OvJ in de weg. Nu de rechtbank verder heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij zelf bevoegd is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging, kan de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Om tot een beoordeling te komen zal de rechtbank eerst - zakelijk en verkort weergegeven - de relevante feiten vaststellen voorzover die blijken uit het strafdossier en kunnen worden afgeleid uit hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank zal daarbij de volgende vragen dienen te beantwoorden:

a. hoe is verdachte bij Raffles betrokken geraakt;

b. wat gebeurde er rond de faillissementsaanvrage van Raffles in november 2001;

c. wat speelde zich af in de periode rond juli /augustus 2002.

Ad a. Hoe is verdachte bij Raffles betrokken geraakt.

[naam 1] exploiteerde in de jaren negentig van de vorige eeuw in Amsterdam een aantal horecagelegenheden. Een van die horecazaken was Grand Café Raffle’s (hierna Raffles) gevestigd aan het Kleine Gartmanplantsoen nummer 5 te Amsterdam. [naam 1] huurde dat pand dat eigendom was van [naam 4] als onderhuurder van Heineken Nederland BV. Een andere gelegenheid was een restaurant gevestigd aan de Korte Leidsedwarsstraat 26 te Amsterdam met de naam Bistro La Forge. Dit pand huurde hij rechtstreeks van [naam 4].

In verband met een groot aantal schulden aan onder andere de fiscus, de bedrijfsvereniging en aan leveranciers, welke schulden mede waren ontstaan omdat [naam 1] de administratie en financiën van zijn zaken niet op orde had, heeft [naam 1] eind jaren negentig al zijn zaken buiten Raffles en La Forge verkocht. Met de opbrengst daarvan heeft [naam 1] voornamelijk een aanmerkelijke schuld aan de fiscus afgelost. Niettemin bleef de financiële situatie binnen zijn ondernemingen, die hij dreef als eenmanszaken, zorgelijk. Er waren nog steeds schulden die enkele miljoenen guldens bedroegen. Om tot een oplossing te komen voor zijn problemen heeft [naam 1] een schuldsaneringsbureau ingeschakeld, te weten Zuidweg & Partners en daarnaast [naam 3] aangetrokken, die mede werd belast met het saneren van die schulden.

[naam 1], die verdachte en diens broer [broer verdachte] al geruime tijd kende, heeft in 2000 de financiële positie van zijn zaken besproken met de gebroeders [achternaam verdachte]. De daarop gevolgde onderhandelingen hebben geleid tot een participatieovereenkomst die is gesloten op 17 januari 2001.

In die participatieovereenkomst is ondermeer overeengekomen dat [naam 1] in de al bestaande vennootschap Raffle’s BV beide eenmanszaken zal inbrengen. [naam 1] is op dat moment houder van het gehele geplaatste aandelenkapitaal van die vennootschap bestaande uit 10.000 aandelen. De participanten, [broer verdachte] Holding BV, [verdachte] Holding BV, Nieuwgraaf 114 Holding BV en Convoy vastgoed BV, verplichten zich elk tot het storten van een bedrag van ƒ 425.000,-- in de vennootschap. Aan deze verplichting is door de participanten voldaan. Tegenover de storting zullen aandelen worden uitgegeven. Na de uitgifte van de aandelen ontstaat een verhouding waarbij in Raffle’s BV de participanten 50% van de aandelen houden door betaling van in totaal ƒ 1,7 miljoen en [naam 1] 50% van de aandelen, te effecturen door de inbreng in de vennootschap van de twee eenmanszaken waaraan een totale waarde is toegekend van eveneens ƒ 1,7 miljoen. Voorts wordt vastgelegd dat [naam 1] belast zal worden met de operationele leiding van de horecazaken, tegen een maandelijkse management fee. Vast staat dat [naam 1] feitelijk niet heeft voldaan aan zijn verplichting de eenmanszaken in te brengen in de vennootschap. In de loop van de tijd (met name in 2002) heeft verdachte door middel van zijn holding de participaties van de andere drie participanten overgenomen.

Vast staat dat [naam 1], die zich na het aantrekken van [naam 4] en Zuidweg & Partners niet of nauwelijks bezig hield met de administratie en financiën van zijn zaken, dat ook na het sluiten van de participatieovereenkomst niet tot zijn taken is gaan rekenen. Vast staat evenzeer dat de exploitatie van Raffles in 2000 en 2001 bij een teruglopende omzet verliesgevend bleef. Uit de verklaringen van getuige [getuige 2] (een administrateur die via [naam 4] bij Raffles is komen werken) kan worden geconcludeerd dat de schuldsanering uiteindelijk niet succesvol was en dat er schulden bleven bestaan.

Ad b. Wat gebeurde er rond de faillissementsaanvrage in november 2001.

Op 11 oktober 2001 wordt ter griffie van de rechtbank Haarlem namens schuldeiser [naam 5] BV een verzoekschrift ingediend om [naam 1] failliet te verklaren. [naam 1], hoewel behoorlijk opgeroepen, verschijnt niet en bij vonnis van 6 november 2001 wordt hij failliet verklaard. Zodra [naam 1] kennis krijgt van het uitgesproken faillissement breekt er een periode aan van intensief overleg. Er wordt verzet aangetekend en bij beslissing van 20 november 2001 wordt het vonnis van 6 november 2001 vernietigd. Teneinde dat verzet succesvol te laten zijn diende er voldoende actief te zijn om alle openstaande schulden van [naam 1] te voldoen. Daartoe is er op 19 november 2001 een nadere overeenkomst gesloten tussen [broer verdachte], [naam 4] en [naam 1]. Daarbij is afgesproken dat [broer verdachte], mede namens de andere participanten ƒ 800.000,-- zal fourneren ten behoeve van de schuldeisers. In die overeenkomst, die door alle betrokken partijen is ondertekend, komt ondermeer ook het navolgende voor:

“1.Ongeacht hoe de zaak zal worden afgewikkeld zullen de feitelijke aandelen in de uiteindelijk te realiseren onderneming (de voortzetting van Raffles) als volgt worden verdeeld

20% [broer verdachte] Holding BV

20% [verdachte] Holding BV

20% Nieuwgraaf Holding III BV

20% Convoy Vastgoed BV of een door haar aan te wijzen vennootschap

20% [adresnaam 3] of een door hem aan te wijzen vennootschap.

4. [naam 1] zal in overleg met [naam 3] afspraken maken over een eerste recht van koop van het aandelenpakket van [naam 3] tegen een vast te stellen prijs.“

In een van zijn aangiftes heeft [naam 1] verklaard dat hij door de participanten, althans door [naam 4], met opzet in een positie van faillissement is gebracht om hem op die wijze zijn zaken te ontfutselen. De rechtbank acht dat scenario niet aannemelijk geworden. Daarvoor is in de stukken en hetgeen ter terechtzitting is besproken geen aanknoping te vinden.

Ad c. Wat speelde zich af in de periode rond juli/augustus 2002.

Ook nadat het faillissement was afgewend op de wijze als hiervoor besproken bleef de situatie van Raffles penibel. De voorgenomen verbouwingen (waarvoor de inbreng van de participan¬ten mede was bedoeld) worden niet gerealiseerd, de omzet blijft teruglopen, het management is niet capabel en er ontstaan opnieuw schulden bij leveranciers, de belastingdienst en de bedrijfsvereniging. De huurschuld bij Heineken loopt op en in juli 2002 dreigt ontruiming van Raffles omdat die schuld inmiddels in opgelopen tot € 90.000,--. Vanuit de holding van verdachte wordt die schuld op 5 augustus 2002 voldaan.

In juli 2002 wordt er door [getuige 2] een afspraak gemaakt met [naam 4] en [naam 1] om de stand van zaken te bespreken. Er waren, zoals gezegd, nog steeds schulden en de beoogde aandelenuitgifte was nog steeds niet geëffectueerd. In vervolg daarop is door [naam 4] aan (kandidaat)notaris Wiggers te Amsterdam opdracht gegeven de daartoe benodigde aktes en volmachten op te maken. Een daarop betrekking hebbende bespreking tussen [naam 4] en Wiggers vond plaats op 2 augustus 2002. Op 5 augustus 2002 zijn [naam 1] en [naam 4] naar de notaris toe gegaan om de benodigde stukken te ondertekenen. Bij die gelegenheid heeft [naam 1] laten weten nog niet te kunnen tekenen, omdat hij de stukken nog met zijn advocaat wilde bespreken. Er is toen een nieuwe afspraak gemaakt voor 8 augustus 2002 om 16.30 uur.

Op 7 augustus 2002 heeft [getuige 1] contact gehad met [naam 4] en vervolgens met ver¬dachte. Daarbij is door [getuige 1] onder meer gezegd : “I will let [verdachte] dance“. Naar aanleiding daarvan is op 7 augustus 2002 ook een afspraak gemaakt om op 8 augustus 2002 een bespreking te hebben op het kantoor van verdachte. Die dag waren op dat kantoor aanwezig [naam 4], [verdachte] en [naam 2]. Deze laatste had in het verleden wel beveiligingswerkzaam-heden voor ondernemingen van verdachte verricht en hij was op diens verzoek bij de bespreking aanwezig. Ter vergadering is [naam 1] verschenen vergezeld van [getuige 1] en diens boekhouder [naam 6]. Vast staat dat [naam 2] met [getuige 1] in het Hebreeuws heeft gesproken en dat deze op een gegeven moment de bijeenkomst heeft verlaten samen met [naam 6]. [naam 1] is op kantoor gebleven en is nadien samen met [naam 2] in een auto naar de notaris gereden. Daarbij zijn zij nog langs het huis van [naam 1] gereden om diens paspoort op te halen. De al bestaande afspraak met de notaris was inmiddels in de tijd vervroegd.

Verdachte is met [naam 4] naar de notaris gereden. Op diens kantoor is (nogmaals) uiteengezet wat de inhoud was van de ter tekening voorliggende stukken en zijn partijen gewezen op de consequenties van ondertekening, waarna de stukken zijn ondertekend.

Kort na de ondertekening heeft de advocaat van [naam 1] de notaris gevraagd de zaak terug te draaien, omdat de ondertekening door [naam 1] niet vrijwillig zou zijn geweest.

Nadien is er nog verschillende malen contact geweest tussen de advocaat van [naam 1] en de notaris, tussen [naam 1] en verdachte en tussen verdachte en [naam 2]. Die contacten hebben vanaf augustus voortgeduurd en op 6 november 2002 is uiteindelijk een eindvoorstel gedaan. Partijen gaan uit elkaar waarbij [naam 1] in het bezit blijft van bistro La Forge, Raffles in de vennootschap blijft en de holding van verdachte de aandelen van Raffle’s BV verkrijgt. Raffles wordt uiteindelijk op 23 april 2003 verkocht aan een vennootschap van [naam 7] voor een bedrag van € 1.315.000,--.

3.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de OvJ wordt op grond van de in zijn requisitoir opgesomde bewijsmiddelen het primair telastegelegde feit, te weten het medeplegen van afpersing van [naam 1], bewezen geacht, en hij vordert dat verdachte hiervoor zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis, indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht.

Mocht de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van het primair telastegelegde feit, dan vordert de officier van justitie bewezenverklaring van het subsidiair telastegelegde, te weten de wederrechtelijke vrijheidsberoving, onder verwijzing naar dezelfde bewijs¬middelen.

De officier van justitie verzoekt voorts de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu deze niet eenvoudig van aard is.

3.3. Standpunt van de verdediging

De raadslieden bepleiten vrijspraak ten aanzien van alle feiten. Zij stellen zich op het standpunt dat de verklaringen van [naam 1] zo tegenstrijdig, onnavolgbaar, ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn, dat die niet tot bewijs kunnen worden gebezigd. Enkele getuigen bevestigen het verhaal van [naam 1]. Dit zijn echter de auditu verklaringen die alle teruggaan op dezelfde bron, namelijk [naam 1]. Bovendien staan deze verklaringen vol met veronderstellingen en percepties van de getuigen. Ook deze verklaringen schieten te kort om tot (overtuigend) bewijs te dienen. Daarentegen is er een aantal getuigenverklaringen dat een duidelijk beeld geeft van wat er werkelijk is gebeurd op 8 augustus 2002 en de periode daaraan voorafgaand. Uit die verklaringen blijkt dat er geen sprake is geweest van afpersing, bedreiging met geweld of gijzeling van [naam 1]. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de vordering is verjaard en dat deze dientengevolge niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair verzoekt zij tot afwijzing over te gaan, omdat de vordering evident ongegrond is. Meer subsidiair verzoekt zij de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze niet eenvoudig van aard is.

3.4. Oordeel van de rechtbank

De vraag waar de rechtbank allereerst voor staat is of er bewijs is voor het feit dat verdachte zich samen met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan de afpersing van [naam 1].

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen kan de rechtbank dat niet vaststellen. De gebeurtenissen in de periode voor juli 2002 geven daarvoor onvoldoende aanwijzingen. Naar de opvatting van de rechtbank heeft [naam 1] zich in die periode in onvoldoende mate eigen kunnen maken wat er nu precies was afgesproken en wat voor consequenties dat voor zijn eenmanszaken zou hebben. Hij heeft zich ertoe beperkt het “gezicht” te zijn van zijn zaken Raffles en La Forge, maar zich niet of nauwelijks verdiept in de vraag wat [naam 4], Zuidweg & Partners, [getuige 2] en de door verdachte in het bedrijf aangestelde bedrijfsleider en administratieve kracht in en met zijn bedrijven deden. Evenmin is de door hem toen geconsul¬teerde advocaat in staat gebleken hem de portee van de gemaakte afspraken te laten begrijpen. In dat licht is denkbaar dat [naam 1] meende dat er bij de faillissements¬aanvrage sprake was van opzet, maar zoals gezegd, is daarvan niets komen vast te staan. Ook de overeenkomst van 19 november 2001 heeft [naam 1] geen aanleiding gegeven, althans dat is ter zitting niet gebleken, om zich nader te laten voorlichten over de ontstane situatie. De in 2002 weer oplopende schulden waaronder de huurschuld kwamen voor [naam 1] eveneens onverwacht.

Denkbaar is dat [naam 4] na de bespreking van juli 2002 heeft aangedrongen op een afspraak bij de notaris. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn dat [naam 4], die toch feitelijk van de sanering niet veel terecht had gebracht en inmiddels ook werkzaamheden verrichtte voor verdachte, aan verdachte wilde laten zien dat nu eindelijk de aandelenoverdracht formeel zou worden geregeld. Dat zou ook kunnen verklaren waarom hij zo boos was toen [naam 1] op 5 augustus 2002 niet wilde tekenen. De rechtbank gaat ervan uit dat inderdaad op die dag een afspraak is gemaakt voor 8 augustus 2002 en dat [naam 1] zich dat ook heeft gerealiseerd. Hij is toch ook daarna naar zijn advocaat gegaan die hem heeft doorverwezen naar een collega. Kennelijk zijn deze rechtskun¬digen er niet in geslaagd om [naam 1] duidelijk te maken wat er getekend zou moeten worden. De rechtbank acht het zeer wel denkbaar dat het [naam 1] is geweest die op 7 augustus 2002 [getuige 1] heeft ingelicht over wat er aan de hand was. Dat is te meer waarschijnlijk omdat die [getuige 1] eerder al had laten weten belangstelling te hebben voor Raffles. Het is moge¬lijk dat [naam 1] het niet eens was met het taalgebruik van [getuige 1] en de manier waarop hij [naam 4] en later verdachte bejegende. De rechtbank acht het ook waarschijnlijk dat [naam 1] samen met [getuige 1] en [naam 6] naar de bijeenkomst op 8 augustus 2002 is gekomen.

De rechtbank heeft niet in voldoende overtuigende mate kunnen vaststellen wat zich nu precies op die 8ste augustus 2002 heeft afgespeeld in het kantoor van verdachte. Vast staat naar het oordeel van de rechtbank wel dat [naam 2] de in de telastelegging opgenomen woorden heeft gesproken, maar daarmee staat nog niet vast dat deze woorden zodanig dreigend waren dat daarmee de afpersing gegeven is, te meer nu die woorden op zichzelf geen bedreiging met geweld inhouden. Er was duidelijk sprake van ernstige irritatie waarbij partijen verschillende belangen hadden. Voor verdachte gold dat [naam 1] al vanaf januari 2001 de verplichting had de eenmanszaken in te brengen in de vennootschap. Daarbij had verdachte veelvuldig via zijn vennootschappen gelden besteed aan Raffles zonder dat dat tot enig zichtbaar resultaat had geleid. Voor [naam 4] gold wellicht dat hij ten opzichte van verdachte wilde laten zien dat de overeenkomst zou worden gesloten. [naam 2] had wellicht ook een eigen belang, omdat hij ten opzichte van verdachte al een overwicht had (gelet op de bewezenverklaarde afpersing door hem van verdachte) en zich wellicht ook ten opzichte van [naam 1] een dergelijke positie wilde verwerven. [naam 1] was wellicht in verwarring, omdat hij allereerst nog steeds niet begreep waar het nu om ging en hij bovendien niet wist hoe [getuige 1], die hij zelf erbij had betrokken, zou reageren. Het is bij het onderzoek ter terecht¬zitting onduidelijk gebleven waarom [naam 2] mee is gegaan naar de notaris. Ook is onduidelijk gebleven - [naam 1] verklaart daarover wisselend - wat er nu precies is gebeurd toen hij zijn paspoort ging ophalen. De verklaringen van de vriendin van [naam 1] en [naam 2] daarover zijn tegenstrijdig. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld, dat wat zich heeft afgespeeld na het vertrek uit het kantoor van verdachte voor [naam 1] zó dreigend is geweest, dat daardoor voldaan is aan de vereisten voor een afpersing. Ook de verklaringen over wat zich bij en meteen na de bijeenkomst bij de notaris heeft afgespeeld zijn onduidelijk. Vast staat, naar het oordeel van de rechtbank, dat die bijeenkomst geruime tijd heeft geduurd en dat Wiggers nogmaals uiteen heeft gezet wat de afspraken nu inhielden. De rechtbank sluit niet uit dat [naam 1] ook toen niet begreep wat er nu feitelijk met zijn zaken ging gebeuren. Weliswaar is aannemelijk dat van de aanwezigheid van [naam 2] bij de notaris op [naam 1] een zekere druk is uitgegaan, maar dat die druk zodanig is geweest dat die gekwalificeerd kan worden als bedreiging met geweld, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. Ook over de gebeurtenissen nadien lopen de lezingen uiteen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat in de periode na 8 augustus 2002 partijen in verschillende samenstellingen een aantal malen contact hebben gehad.

Dat alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte van het hem primair telastegelegde moet worden vrijgesproken omdat dat feit niet kan worden bewezen op grond van de thans voorhanden bewijsmiddelen.

Het subsidiair telastegelegde moet dat lot delen nu bij het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat [naam 1] op 8 augustus 2002 op het kantoor van verdachte enige tijd van zijn vrijheid is beroofd of beroofd gehouden. Geen van de op kantoor aanwezige personen heeft iets verklaard waaruit dat zou zijn op te maken. Ook uit de verklaringen van [naam 1] is niet op te maken dat hij onvrijwillig op het kantoor is blijven wachten tot het moment dat hij naar de notaris zou gaan. Evenmin zijn de uitlatingen van [naam 2] instrumenteel geweest om bij [naam 1] de gedachte te doen postvatten dat hij niet vrij was te gaan en te staan waar hij wilde. De rit met de auto van [naam 2] vanaf het kantoor via het huis van [naam 1] naar de notaris valt ook niet - zoals hierboven al uiteengezet - aan te merken als een bestanddeel van opzettelijke vrijheidsberoving. Verdachte zal derhalve ook daarvan dienen te worden vrijgesproken.

Ook van het meer subsidiair telastegelegde zal verdachte, gezien het bovenstaande, moeten worden vrijgesproken.

De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe.

Verdachte heeft bij zijn verhoren op de zittingen van de meervoudige strafkamer en bij gelegenheid van zijn laatste woord een en andermaal betoogd dat hij in deze zaak door toedoen van het OM “kapot” is gemaakt. Zijn aanhouding in januari 2005 heeft geleid tot een “implosie” van zijn bedrijven, omdat banken hem niet meer wilden financieren, leveranciers afzagen van leveringen en zakenpartners zich terugtrokken. Ook bij gelegenheid van zijn verhoor op 29 juni 2005 tegenover de rc heeft hij zich in dergelijke zin uitgelaten over de gevolgen van zijn aanhouding. Bij requisitoir heeft de OvJ die passage geciteerd.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat er in de zaak Raffles sprake was van een gerechtvaardigde aanhouding in januari 2005, omdat hij toen was aan te merken als een verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Zoals al eerder in dit vonnis vastgesteld, heeft verdachte in 2000 via de holding van zijn broer en die van hemzelf en met behulp van twee andere partijen geïnvesteerd in Raffles, zonder een nauwgezet onderzoek te doen naar de financiële toestand van het bedrijf waarin hij mede investeerde. Het vinden van een passend vehikel voor het tijdschrift “Strictly” uit zijn mediabedrijf was zijn voornaamste drijfveer in het project Raffles te stappen. Verdachte heeft daarbij twee partijen betrokken (Convoy Vastgoed BV en Nieuwgraaf 114 Holding BV) zonder dat hem duidelijk was wie nu de feitelijk rechthebbende was van met name Nieuwgraaf 114 BV. Dat [naam 8] achter Convoy zat, wist verdachte en dat [naam 8] participeerde, hetgeen later geen pre betekende, kan toch niet aan het OM worden verweten.

Tussen het aangaan van de participatieovereenkomst in januari 2001 en de verkoop van Raffles in april 2003 heeft verdachte via zijn vennootschappen aanmerkelijke bedragen geïnvesteerd in Raffles en uiteindelijk daarop naar eigen zeggen een netto verlies geleden van Euro 450.000,--. Het lijden van dat verlies kan niet op het conto van het OM worden geschreven. De verantwoordelijkheid daarvoor draagt in elk geval ook verdachte.

Het zal ongetwijfeld zo geweest zijn dat zijn aanhouding in januari 2005 heeft geleid tot beslissingen van anderen om niet langer zaken te doen met verdachte of zijn vennootschappen. Of dat nu het luxerend moment is geweest voor de “implosie” van zijn ondernemingen blijft de vraag. Wellicht heeft daaraan ook bijgedragen het feit dat verdachte na januari 2005 actief de publiciteit heeft gezocht. Niet kan worden uitgesloten dat zijn uitlatingen in diverse media, gevoegd bij het feit dat bekend werd welke vennootschappen in de zaak Raffles een rol speelden van invloed zijn geweest op beslissingen van derden niet langer met verdachte en zijn ondernemingen zaken te willen doen.

4. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij oordeelt de rechtbank dat zij daar niet aan toe komt nu verdachte is vrijgesproken van hetgeen hem is telastegelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2009.