Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5327

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
433044 / KG RK 09-2957 en 433049 / FA RK 09-5338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Oplegging huisverbod aan de man terwijl vrouw binnen enkele uren na oplegging van het verbod voor de duur van het verbod naar het buitenland op vakantie is gegaan. Er is geen sprake van een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een vermoeden hiervan voor de vrouw of haar kinderen. Door het vertrek van de vrouw met haar kinderen naar het buitenland was het gevaar of het vermoeden van gevaar afgewend.

Mede gelet op de omstandigheden, namelijk dat naar aanleiding van dit conflict het eerste contact met de politie is geweest, dat de man nog een minderjarig kind heeft die in de woning woont en dat de man een bedrijf aan huis heeft, is in deze situatie het opleggen van een huisverbod een te zwaar middel is en had niet in redelijk besloten kunnen worden overgegaan tot oplegging van een huisverbod. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

Voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: 433044 / KG RK 09-2957 en 433049 / FA RK 09-5338

Mondelinge uitspraak

gedaan op 20 juli 2009

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te [woonplaats],

verzoekende partij,

gemachtigde mr. A.M.G. de Groot,

en

de burgemeester van de gemeente Blaricum,

verwerende partij,

zetelende te Eemnes,

gemachtigde mr. M. Tunnissen,

in welke zaak als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de partner van verzoeker mevrouw [de vrouw] (hierna: de vrouw) en de minderjarige [minderjarige], geboren [geboortedatum].

1. Procedure:

1.1 Bij besluit van 14 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd van dinsdag 14 juli 2009 13.00 uur tot vrijdag 24 juli 2009 om 13.00 uur, alsmede een contactverbod (hierna: huisverbod).

1.2 Verzoeker heeft bij brief van 15 juli 2009 beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2009. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigden van verweerder.

De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

1.5 Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 20 juli 2009 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2. De beslissing:

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,= en wijst de gemeente Blaricum aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat, indien aan verzoeker de gevraagde toevoeging wordt verleend, deze bedragen rechtstreeks aan de griffier worden betaald.

Ter zitting is aan partijen meegedeeld dat zij tegen de uitspraak in de hoofdzaak (433049 / FA RK 09-5383) binnen zes weken na de datum van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

3. De gronden van de beslissing:

Wettelijk kader

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan en beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

Feiten

3.3 Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.4 Verzoeker woont met bovengenoemde belanghebbenden in de woning aan de [adres]. [minderjarige] is een dochter uit een eerdere relatie van de man. De minderjarige [kind 1], geboren [geboortedatum] en [kind 2], geboren [geboortedatum], wonende te [woonplaats], zijn kinderen uit een eerdere relatie van de vrouw en wonen eveneens in de woning.

3.5 In de nacht van 13 op 14 juli 2009 heeft zich in de woning een incident voorgedaan in de huiselijke sfeer. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie voor de beslissing op het huisverbod blijkt dat verzoeker en de vrouw elkaar over en weer hebben geslagen en geschopt. Naar aanleiding daarvan heeft de hulpofficier van justitie een nader onderzoek ingesteld.

De hulpofficier heeft in het kader van het onderzoek het formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) ingevuld. Op basis daarvan heeft hij geconcludeerd dat een huisverbod diende te worden opgelegd. Het voornemen om een huisverbod aan de verzoeker op te leggen is aan hem kenbaar gemaakt. Diens zienswijze luidde dat hij het een straf vond en dat hij moet kijken hoe het met deze relatie verder moet.

Bij het bestreden besluit is de verzoeker gelast op grond van artikel 2 Wet tijdelijk huisverbod (Wth) de woning aan genoemd adres onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf 14 juli 2009 te 13.00 uur tot 24 juli 2009 te 13.00 uur niet te betreden en daarin niet aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij het besluit heeft verweerder verzoeker voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met de vrouw en [kind 1] en [kind 2].

Ter motivering van het huisverbod heeft verweerder gesteld dat zowel verzoeker als de vrouw zijn aangehouden wegens mishandeling. Verzoeker kan moeilijk met zijn woede en agressie omgaan. Er zijn spanningen binnen de relatie die betrekking hebben op het werk van beiden als mede op de krappe financiële situatie. Beiden drinken dagelijks 2 tot 5 glazen wijn. In afwezigheid van de kinderen wordt softdrugs gebruikt in de woning. Bij een eerder incident in 2007 heeft verzoeker zich verwond door met een mes door in zijn hand te steken. Verweerder heeft gezien het bovenstaande een huisverbod noodzakelijk geacht om escalatie te voorkomen en een hulpverleningstraject op gang te brengen.

3.6 Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd, dat (inmiddels) de gronden voor de opgelegde maatregel ontbreken.

Verzoeker en de vrouw hebben zich beiden schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij erkent dat hij alcohol gebruikt. Hij betreurt zijn gedrag en is bereid hulpverlening te aanvaarden. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft bij terugkeer naar de woning aangezien hij kantoor aan huis houdt en zo niet kan werken. Bovendien woont zijn minderjarige dochter [minderjarige] ook in de woning. Zij heeft hem nodig. Tevens is de vrouw op 14 juli 2009 op vakantie gegaan naar het buitenland en komt zij op 24 juli 2009 terug. De woning staat op dit moment leeg.

3.7 De verwerende partij heeft daar het volgende tegenover gesteld.

De hulpofficier van justitie (hierna: de hulpofficier) achtte de kans op herhaling groot. Hoewel de vrouw voor een aantal dagen op vakantie zou gaan, was naar mening van de hulpofficier de kans groot dat de situatie wederom zou escaleren indien zij eerder van vakantie zou terugkomen. De vrouw is bovendien eigenaar van de woning. Daarnaast had de hulpofficier de indruk dat verzoeker de situatie bagatelliseerde. Voorts was er bij de man sprake van jaloers gedrag en moeite met het reguleren van agressie van woede. Tot slot zijn er spanningen in de relatie tussen de man en de vrouw. De hulpofficier vond het tevens nodig dat hulpverlening aan zowel man als vrouw op gang kwam.

Gelet op deze gegevens heeft de hulpofficier het huisverbod terecht opgelegd. Voorts bestaat op dit moment de dreiging nog steeds omdat dat er een escalatie kan ontstaan wanneer verzoeker en de vrouw elkaar voor het eerst in de echtelijke woning treffen. Dit is ook de vrees van de hulpverlener de heer [medewerker GGZ] (medewerker GGZ).

Op het moment van oplegging van het huisverbod is verzoeker verteld dat, via de hulpverlening, de spullen die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf uit de woning opgehaald kunnen worden. Het economische belang van verzoeker is daarmee niet voldoende om het huisverbod te schorsen dan wel op te heffen.

Beoordeling

3.8 De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

3.9 Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is het de rechter duidelijk geworden dat partijen elkaar over en weer hebben geslagen en geschopt. De rechter overweegt dat het huisverbod is opgelegd als een afkoelingsperiode om verdere escalatie te voorkomen. Het vertrek van de vrouw met haar kinderen naar het buitenland gedurende nagenoeg de gehele duur van het huisverbod – van 14 juli 18.00 uur tot 24 juli in de middag - en het feit dat de man in Nederland is gebleven, zorgt al voor deze afkoelingsperiode. De hulpofficier was ten tijde van het opleggen van het huisverbod aan de man op de hoogte van dit feit. Ter zitting is tevens verklaard dat er op dat moment, voor zover verweerder bekend, geen indicaties aanwezig waren dat de vrouw eerder terug zou komen van haar vakantie dan de geplande datum, 24 juli 2009. De rechter is van oordeel dat er dus geen sprake is van een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een vermoeden hiervan voor de vrouw of haar kinderen. Door het vertrek van de vrouw met haar kinderen naar het buitenland was het gevaar of het vermoeden van gevaar afgewend.

3.10 Verweerder heeft voorts aangevoerd dat het huisverbod tevens is aangewend om de hulpverlening op te starten. Verzoeker en de vrouw hebben, na oplegging van het huisverbod, beiden verklaard de hulpverlening te aanvaarden. Niet gebleken is dat partijen voorafgaand aan de oplegging van het huisverbod geïnformeerd zijn over mogelijke vrijwillige hulpverlening. De rechter is van oordeel dat de hulpofficier dit wel had dienen te doen, alvorens over te gaan tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel, namelijk een huis- en contactverbod voor de periode van 10 dagen. Partijen hadden in de gelegenheid moeten worden gesteld zich hierover uit te laten alvorens de beslissing werd genomen. Dit klemt te meer nu, zoals hiervoor overwogen het gevaar of vermoeden van gevaar al was afgewend door het ten tijde van het nemen van het besluit bekende vertrek van de vrouw naar het buitenland. Tevens is van belang dat dit incident het eerste incident betreft waarbij partijen met de politie in aanraking zijn gekomen. In het RiHG is wel vermeld dat er antecedenten zijn, maar ter zitting is gebleken dat dit niets te maken heeft met huiselijk geweld. Door verzoeker is onbetwist gesteld dat dit een aangifte door verzoeker en de vrouw is geweest met betrekking tot hun buurvrouw. Gelet op deze omstandigheden hadden verzoeker en de vrouw in gelegenheid gesteld moeten worden om op vrijwillige basis hulpverlening te verkrijgen.

Ook neemt de rechtbank mee dat in de huidige situatie het opstarten van hulpverlening met betrekking tot de relatie niet mogelijk is binnen de duur van het huisverbod, nu de vrouw de gehele periode in het buitenland verblijft. Verzoeker heeft inmiddels contact gehad met de Jellinek-kliniek over zijn alcoholgebruik.

In de huidige omstandigheden is de rechter van oordeel dat ook aan de volgende punten belang toegekend had moeten worden. [minderjarige] woont ook een gedeelte van de tijd in de woning waarop het besluit betrekking heeft, doch verzoekende partij kan geen zorg dragen voor haar in haar vertrouwde omgeving, nu hij de woning niet mag betreden. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] is zorg noodzakelijk. Door het besluit werd het voor [minderjarige] ook onmogelijk in de woning te verblijven. Voorts heeft verzoeker een bedrijf aan huis en kan door het opgelegde verbod niet werken. De omstandigheid dat hij gegevens kan laten ophalen maakt dit niet anders, nu dit een kast vol dossiers betreft. Hierdoor wordt hij belemmerd in het uitoefenen van zijn werkzaamheden en het genereren van inkomen. Nu de huidige problemen mede te wijten zijn aan de krappe financiële positie waarin verzoeker en de vrouw verkeren, lijkt dit verbod de financiële situatie, en daarmee de spanningen alleen maar erger te maken.

Gelet op alle voornoemde omstandigheden is de rechter van oordeel dat in deze situatie het opleggen van een huisverbod een te zwaar middel is en niet in redelijk besloten had kunnen worden overgegaan tot oplegging van een huisverbod.

3.11 Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verweerder gestelde feiten voorzover zij zijn komen vast te staan, onvoldoende zijn om te concluderen dat voldaan is aan het criterium van artikel 2 Wth.

3.12 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

De voorzieningenrechter heeft, met gegrondverklaring van het beroep, het bestreden besluit vernietigd. Gelet hierop ziet de rechter voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding.

3.13 Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker voor de behandeling van zijn verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechter de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op euro € 966,=. Hierbij heeft de voorzieningenrechter zowel voor het opstellen van het verzoekschrift, het beroepschrift, als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Deze uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. A.E. de Vos, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.H. Braaf-van der Putten, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: