Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5239

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
CV 08 27517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenvermoeden van artikel 7 lid 4 Pensioenwet; gelijkheid (gelijke arbeid, gelijk loon).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2009, 139
PJ 2009, 146
AR-Updates.nl 2009-0621
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

sector kanton - locatie Amsterdam

rolnummer: CV 08 27517

12 augustus 2009

11

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

1.[eiser 1] te [woonplaats]

2.[eiser 2] te [woonplaats]

3.[eiser 3] te [woonplaats]

eisers, hierna ook [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] te noemen,

gemachtigden: mr.A.D.Klaassen/mr.Z.Kasim

t e g e n

De besloten vennootschap mba Sykes Enterprises Incorporated BV

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

gemachtigde: mr.J.G.N.Zincken.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

-de dagvaarding van 2 september 2008 inhoudende de vordering van eisers met bewijsstukken

-het antwoord van gedaagde met bewijsstukken.

Bij tussenvonnis van 19 november 2008 is bepaald dat schriftelijk wordt voortgeprocedeerd. Daarna zijn nog ingediend:

(-verzoek tot doorhaling van [persoon 1] te [woonplaats])

-de conclusie van repliek van eisers met bewijsstukken

-de conclusie van dupliek van gedaagde.

Op verzoek van eisers is pleidooi bepaald. Het pleidooi is gehouden op 10 juni 2009. Eisers hebben op voorhand bewijsstukken toegezonden. Beide partijen hebben bij gelegenheid van het pleidooi pleitnotities overgelegd.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1)Als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) weersproken staat vast:

a)[eiser 1] heeft van 29 januari 2001 tot 31 oktober 2007 bij gedaagde gewerkt in de functies (senior) accountmanager, training manager en pki manager. Door gedaagde is voor haar geen bijdrage betaald in het kader van een pensioenregeling.

b)[eiser 2] heeft van 19 juni 2002 t/m 31 december 2007 bij gedaagde gewerkt in de functies technical mentor, supervisor em account manager. Door gedaagde is voor hem geen bijdrage betaald in het kader van een pensioenregeling.

c)[eiser 3] heeft van 21 augustus 2000 t/m 31 december 2007 bij gedaagde gewerkt, laatstelijk als account manager. Door gedaagde is voor hem geen bijdrage betaald in het kader van een pensioenregeling.

d)Bij gedaagde werken mensen die onder de CAO voor de callcenter medewerkers vallen en ondersteunend personeel waarvoor die CAO niet geldt (zoals de onder 1.1 t/m 1.3 genoemden). Van die laatste groep (ex)werknemers van 129 personen is aan in elk geval 20 een pensioentoezegging gedaan in de vorm van een beschikbare premieregeling met maximum bijdrage van de werkgever.

e)Het ondersteunend personeel is blijkens de als prod.7 bij dagvaarding overgelegde organisation chart onderverdeeld in vijf verschillende afdelingen (HR, IT, PKI, Account, Finance). Uit overzichten van gedaagde blijkt nog van de afdelingen: Emea, operations en reception/facility.

Vordering

2)Eisers vorderen gedaagde te veroordelen tot betaling van pensioenschade aan elk van hen van respectievelijk EUR 21.000,- ([eiser 1]), Eur 14.400,- ([eiser 2]) en Eur 17.040,- ([eiser 3]) met de wettelijke rente daarover vanaf 2 september 2008. Eisers stellen daartoe - zakelijk weergegeven - primair dat zij behoren tot dezelfde groep als de werknemers aan wie een pensioentoezegging is gedaan door gedaagde zodat hun eveneens pensioen toekomt op basis van het wettelijk groepsvermoeden (artikel 2.2 Pensioen- en spaarfondsenwet dan wel artikel 7 lid 4 van de Pensioenwet). Subsidiair stellen zij dat gedaagde handelt in strijd met eisen van goed werkgeverschap door personen in vergelijkbare functies wel een pensioentoezegging te doen. Gelijke arbeid dient in gelijke omstandigheden gelijk te worden beloond, aldus eisers, behoudens een objectieve rechtvaardigingsgrond.

Verweer

3)Gedaagde verweert zich tegen deze vordering en voert - kort gezegd - aan dat de eisers geen van allen tot een groep van werknemers behoren aan wie een pensioentoezegging is gedaan. Gedaagde bestrijdt voorts dat eisers gelijke arbeid in gelijke omstandigheden doen als werknemers aan wie een pensioentoezegging is gedaan terwijl voorts voor de ongelijke beloning een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat (individuele omstandigheden en de situatie van de arbeidsmarkt).

Beoordeling

4)Primair

Op deze vordering is de Pensioenwet van toepassing. Voor de aanname dat aan eisers een onherroepelijk aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst is gedaan door gedaagde moet komen vast te staan dat zij elk behoren tot 'dezelfde (accentuering van mij) groep van werknemers, aan wie de werkgever al een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst heeft gedaan' (artikel 7 lid 4 Pensioenwet). De hiervoor geciteerde bewoordingen van de wet impliceren dat de werkgever aan een bepaalde groep van werknemers (zie bijv. de organisation chart, prod.7 bij dagvaarding) of in elk geval aan het merendeel van de leden van die bepaalde groep een aanbod etc. moet hebben gedaan. Het woord 'dezelfde' moet in dit geval aanwijzend zijn bedoeld omdat er geen andere groep is waaraan de groep gelijk zou zijn. Behoort een werknemer tot die bepaalde groep dan geldt dat aanbod dus ook voor hem/haar. Aldus wordt de wet gelezen. Verworpen wordt de (wets)uitleg dat een (pensioen)aanbod door de werkgever aan meer dan één persoon (bij twee of meer personen kan van een groep gesproken worden) binnen een bepaalde groep werknemers in een bedrijf leidt tot de aanname dat daarom voor die hele bepaalde groep werknemers dat pensioenaanbod komt te gelden. Die laatste uitleg zou overigens beter aansluiten bij de oude tekst van de Pensioen- en spaarfondsenwet (artikel 2 lid 2) dan bij de hiervoor geciteerde tekst van de Pensioenwet omdat in de oude wet werd gesproken van 'een (accentuering van mij) groep van personen, voor wie in de onderneming een regeling betreffende pensioenen geldt'.

5)Eisers baseren hun primaire vordering op de hiervoor verworpen wetsuitleg (zie bijv. dagvaarding onder 6/23, pleitnota onder 7. en 15.). Nu eisers niet hebben gesteld dat zij tot een groep van werknemers behoren aan welke groep (of aan het merendeel daarvan) een pensioenaanbod is gedaan kan hun vordering op de primaire grondslag alleen al daarom niet slagen.

6)Subsidiair

Eisers hebben gesteld dat gedaagde een verboden onderscheid heeft gemaakt door met name aan Nederlandse werknemers een pensioentoezegging te doen (zie repliek 7.). Eisers hebben niet gesteld hoeveel werknemers van niet-Nederlandse nationaliteit bij gedaagde werken als ondersteunend personeel. Eisers baseren hun stelling op de door hen overgelegde verklaringen van [persoon 2] en [persoon 3] (prod.5 en 6 repliek). Voor zover van belang verklaarden zij:

[persoon 2]: '......Wel was het zo dat in feite bijna iedere manager van Nederlandse afkomst een pensioen had ...'

[persoon 3]: '..........Gedurende mijn werkzame periode bij Sykes is het mij nooit echt duidelijk geworden wie er nu wel en wie er nu niet aanspraak kunnen maken op een pensioen, te meer daar de pensioenen blijkbaar alleen beschikbaar waren voor Nederlandse werknemers ....'

7)Gedaagde heeft gemotiveerd ontkend dat nationaliteit enige rol heeft gespeeld bij de toekenning van pensioen aan sommigen van haar werknemers. Gelet op die ontkenning door gedaagde is op grond van hetgeen onder 6. is overwogen onvoldoende komen vast te staan dat gedaagde een ongeoorloofd onderscheid heeft gemaakt op grond van nationaliteit. Daarom moet beoordeeld worden of gedaagde heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door aan sommige werknemers een pensioentoezegging te doen.

8)De Pensioenwet verbiedt niet om binnen een onderneming aan sommigen een pensioenaanbod te doen. Het bepaalde in artikel 7 lid 4 Pensioenwet zou anders immers overbodig zijn. Dat laat onverlet dat een werkgever recht moet doen aan het beginsel dat gelijke arbeid gelijk wordt beloond. Dat betekent dat een werkgever niet gerechtigd is om van twee werknemers die gelijke arbeid verrichten aan de ene een pensioenaanbod te doen en aan de andere niet. Eisers hebben echter onvoldoende gesteld om te kunnen beoordelen of zij hetzelfde werk doen als werknemers bij gedaagde aan wie wel een pensioenaanbod is gedaan. Alledrie de eisers hebben verschillende functies bij gedaagde bekleed. Alledrie zijn zij echter ook account manager geweest. Zij verwijzen alledrie naar collega's in de functie van account manager aan wie wel een pensioenaanbod is gedaan. Echter zij verwijzen naar account managers, al dan niet op andere afdelingen werkzaam, die allen qua functie vergelijkbaar met hen zijn (dagvaarding onder 10, pleitnotitie eisers onder 29 voor [eiser 1]) zonder dat zij echter op enigerlei wijze stellen dan wel toelichten wat de aard van hun in concreto verrichte werkzaamheden is en die van de accountmanagers waarmee zij zich willen vergelijken noch stellen zij iets over hun opleiding, ervaring en inzetbaarheid of van die van de accountmanagers waarmee zij zich vergelijken. Alleen al daarom is hun vordering op deze grondslag niet toewijsbaar. Aan de beoordeling of gedaagde wellicht een objectieve rechtvaardigingsgrond had, zoals zij aanvoert, voor het onderscheid in arbeidsvoorwaarden wordt dus niet toegekomen.

9)[eiser 3] heeft voorts gesteld dat in zijn arbeidsovereenkomst is opgenomen dat hij in aanmerking komt voor pensioen in de vorm van een beschikbare premieregeling. [eiser 3] heeft de betreffende arbeidsovereenkomst niet overgelegd noch gesteld wanneer die arbeidsovereenkomst inging. Gedaagde heeft erkend dat [eiser 3] vanaf 1 januari 2006 een bijdrage van 50% kon krijgen voor een pensioen met een maximum. Dit is niet betaald omdat [eiser 3] geen individuele pensioenverzekering heeft gesloten. [eiser 3] heeft hier niet meer op gereageerd. Aldus is onduidelijk gebleven sinds wanneer aan [eiser 3] een pensioentoezegging is gedaan en welke aanspraak [eiser 3] hieraan in elk geval vanaf 1 januari 2006 ontleent. [eiser 3] wordt in de gelegenheid gesteld dit nader toe te lichten. [eiser 3] wordt tevens verzocht toe te lichten hoe zijn vordering zich verhoudt tot artikel 23 van de Pensioenwet nu de z.g. C-polis sinds de inwerkingtreding van de Pensioenwet niet meer toelaatbaar is.

10)Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat de vordering van eisers [eiser 1] en [eiser 2] wordt afgewezen. Zij worden als in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld.

11)Voor wat betreft [eiser 3] wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

12)wijst de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] af;

13)veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] elk in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op EUR 750,- voor elk van hen, voor zover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde;

14)verwijst de zaak van [eiser 3] naar de rol van 9 september 2009 opdat hij de gevraagde inlichtingen kan verstrekken;

15)houdt iedere verdere beslissing in de zaak [eiser 3] aan.

Aldus gewezen door C.von Meyenfeldt, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter