Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5167

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
391380 - HA ZA 08-565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asbest; aansprakelijkheid producent/leverancier; onrechtmatig handelen; objectieve verjaringstermijn; derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid; bekendheid met gevaren voor de gezondheid.

Een producent/leverancier van asbestcementplaten wordt door een mesothelioomslachtoffer aansprakelijk gesteld voor de ten gevolge van haar ziekte geleden schade. De vordering is gebaseerd op onrechtmatig handelen. Het slachtoffer heeft aangevoerd dat moet worden aangenomen dat de blootstelling aan asbest, die haar ziekte heeft veroorzaakt, heeft plaatsgevonden tijdens de verbouwwerkzaamheden aan haar huis in 1972, en dat de producent/leverancier van de asbestcementplaten de gebruikers hiervan niet heeft gewaarschuwd voor de gezondheidsrisico’s daarvan, hoewel zij daar in 1972 wel mee bekend was, dan wel had moeten zijn. De producent/leverancier betwist dat van de ziekte mesothelioom slechts één oorzaak bekend is, te weten de blootstelling aan asbest. Zij voert daarbij tevens aan dat haar handelen dient te worden beoordeeld naar de stand van de wetenschap en het kennisniveau van 1972. De producent/leverancier betwist dat zij in 1972 bekend was of kon zijn met het potentiële risico van een zeer kortstondige blootstelling aan asbest. De producent/leverancier beroept zich er voorts op dat de vordering is verjaard en stelt in dit verband dat het arrest Van Hese/De Schelde niet van toepassing is, zodat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de in dat arrest genoemde gezichtspunten. De rechtbank verwerpt dit verweer en oordeelt mede aan de hand van de verschillende gezichtspunten dat het naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de producent/leverancier zich op de verjaring beroept. De rechtbank is van oordeel dat de producent/leverancier onzorgvuldig heeft gehandeld door in 1972 de asbestcementplaten op de markt te brengen zonder daarbij te waarschuwen voor gezondheidsrisico’s. De rechtbank acht het daarbij voldoende aannemelijk dat het slachtoffer als gevolg daarvan de ziekte mesothelioom heeft opgelopen en wijst de vordering tot schadevergoeding toe.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 95
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 6 107
Burgerlijk Wetboek Boek 6 99
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/124 met annotatie van Wolters
NJF 2009, 374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 391380 / HA ZA 08-565

Vonnis van 24 juni 2009

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. R.F. Ruers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEFALIT B.V.,

gevestigd te Goor,

gedaagde,

advocaat mr. F.B. Falkena.

Partijen zullen hierna [A] en Nefalit genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 februari 2008, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 14 mei 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen die op 12 november 2008 heeft plaatsgevonden, met de daarin vermelde stukken;

- de akte van de zijde van [A], met bewijsstukken;

- de antwoordakte van de zijde van Nefalit, met bewijsstukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A], geboren op 15 oktober 1939, is van 1955 tot 1966 werkzaam geweest als verkoopster. In de periode van 1967 tot 1978 heeft zij in de bejaardenverzorging gewerkt. In de periode van 1978 tot 1997 was zij werkzaam in een eigen bedrijf, een eetcafé in Durgerdam, en van 1998 tot 2004 was zij medewerkster in een restaurant.

2.2. In 1972 hebben er verbouwingswerkzaamheden plaatsgevonden aan de woning van [A]. Bij deze werkzaamheden zijn asbesthoudende platen van het merk Nobranda verwerkt en bewerkt. Het betrof ongeveer 30 vierkante meter Nobrandaplaten, die zijn aangebracht in de wanden en het plafond van de keuken en in de wand tussen de keuken en de badkamer van de woning.

2.3. Op 11 januari 2007 is bij [A] de diagnose maligne mesothelioom vastgesteld. Deze diagnose is door het Nederlands Mesotheliomenpanel bevestigd.

2.4. [A] heeft de asbestplaten, die nog in de woning aanwezig zijn, in april 2007 door Certichem Laboratory BV te Malden laten analyseren. Deze analyse heeft uitgewezen dat de platen 15-30% amosiet (bruin asbest) bevatten.

2.5. Nefalit, voorheen geheten Asbestona te Harderwijk, produceerde in 1972 Nobrandaplaten die aan de detailhandel werden verkocht. De Nobrandaplaten waar het in dit geding om gaat zijn in 1972 geleverd door bouwmateriaalhandel [B], destijds gevestigd aan het Zeeburgerpad 41 te Amsterdam.

2.6. Nefalit heeft als producent en leverancier Nobrandaplaten in 1972 in de handel gebracht zonder de afnemers en gebruikers te waarschuwen voor het daaraan verbonden gevaar bij een normaal gebruik van de platen.

2.7. In 1983 heeft Nefalit haar bedrijfsactiviteiten gestaakt en in 1985 heeft zij de fabriek gesloten.

2.8. [A] heeft Nefalit op 26 april 2007 aansprakelijk gesteld voor haar schade. Nefalit heeft de aansprakelijkheid tot op heden niet erkend. Aansprakelijkheid van Nefalit is niet meer door een verzekering gedekt.

2.9. Op 9 oktober 2007 heeft [A] Nefalit in kort geding gedagvaard en een voorschot op schadevergoeding gevorderd. Deze vordering is bij vonnis van 1 november 2007 afgewezen.

2.10. In februari 2008 heeft [A] een uitkering ontvangen in het kader van de zogenaamde TNS-regeling. De uitkering bedroeg EUR 17.050,00.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat Nefalit onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] en daardoor jegens haar schadeplichtig is geworden;

2. Nefalit dientengevolge te veroordelen om aan [A] te vergoeden haar immateriële schade krachtens artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW), door haar begroot op EUR 50.000,- , te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 januari 2007 tot aan de dag der voldoening;

3. Nefalit te veroordelen om aan [A] te vergoeden de door haar geleden en nog te lijden materiele schade krachtens de artikelen 6:95, 6:96 jo 6:107 BW, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 januari 2007, althans vanaf 26 april 2007, zijnde de datum waarop [A] Nefalit aansprakelijk heeft gesteld, althans vanaf 6 februari 2008, zijnde de datum van de dagvaarding, zulks tot aan de dag der voldoening;

4. Nefalit te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [A] stelt daartoe - kort gezegd- dat van de ziekte mesothelioom slechts één oorzaak bekend is, namelijk de blootstelling aan asbest. [A] stelt voorts dat zij in haar leven, voor zover haar bekend is, slecht éénmaal te maken heeft gehad met een blootstelling aan asbest, en dat dit was tijdens de werkzaamheden aan haar woning in 1972 waarbij asbesthoudende Nobrandaplaten zijn verwerkt en bewerkt. Volgens [A] werden in die tijd door Nefalit Nobrandaplaten geproduceerd en was Nefalit in 1972 bekend met het gevaar verbonden aan het normale gebruik van Nobrandaplaten, dan wel had zij met het gevaar bekend moeten zijn. [A] stelt dat Nefalit jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door als producent en leverancier de Nobrandaplaten in 1972 in de handel te brengen, zonder te waarschuwen voor het daaraan verbonden gevaar bij een normaal gebruik van de platen. [A] stelt dat het beroep van Nefalit op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.3. Nefalit verweert zich - kort samengevat- als volgt.

Nefalit erkent dat zij in 1972 Nobrandaplaten produceerde en dat de betreffende platen werden verkocht aan de detailhandel (waaronder bouwmarkten). Nefalit erkent ook dat bij [A] de diagnose mesothelioom is gesteld.

Nefalit betwist dat van de ziekte mesothelioom slechts één oorzaak bekend is, te weten blootstelling aan asbest. Zij verwijst daartoe onder meer naar een wetenschappelijk artikel van [C] uit 1996 (productie 3 bij conclusie van antwoord). Voorts stelt zij dat, voor zover [A] tijdens de verbouwingswerkzaamheden in haar woning is blootgesteld aan asbest, deze blootstelling zeer beperkt is geweest. Nefalit voert aan dat haar handelen dient te worden beoordeeld naar de stand van de wetenschap en het kennis niveau van 1972. Nefalit stelt in dit verband dat zij in 1972 niet bekend was of bekend kon zijn met het potentiële risico van een zeer kortstondige blootstelling aan asbest en dat er in 1972 geen enkele wettelijke verplichting bestond om haar asbestcementplaten te voorzien van een waarschuwing. Voorts beroept Nefalit zich erop dat de vordering van [A] is verjaard.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het meest verstrekkende verweer van Nefalit is dat de vordering van [A] is verjaard. Primair stelt Nefalit in dit verband dat de 20-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Zij verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2006, NJ 2006, 643. De 30-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW is volgens Nefalit alleen van toepassing op zuivere milieuschades, waarbij de benadeelde tracht zijn schade te verhalen op de vervuiler, hetgeen hier niet aan de orde is. Nu de aansprakelijkstelling dateert van meer dan twintig jaar na de beweerde blootstelling is daarmee de absolute verjaringstermijn verstreken, aldus Nefalit.

Subsidiair stelt Nefalit dat ook de 30-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW inmiddels is verstreken.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval de 30-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW van toepassing. Daarbij is de gevaarlijke aard van de stof asbest beslissend (vgl Hoge Raad 2 oktober 1998, NJ 1999, 682). Het door Nefalit aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 24 november 2006 betreft een geval waarin een gemeente een perceel met bodemverontreiniging in het verkeer had gebracht zonder dat de gemeente de verontreiniging zelf had veroorzaakt. Het betrof dus geen verhaal op de veroorzaker van de vervuiling. In de onderhavige zaak is dat wel het geval. Het gaat hier om de vordering van een gebruiker van asbestplaten zoals deze destijds door Nefalit in de handel zijn gebracht. Daarom gaat de vergelijking met het aangehaalde arrest niet op. Tussen partijen is overigens niet in geschil dat ook de 30-jarige termijn is verstreken.

4.3. Vervolgens moet worden beoordeeld of Nefalit’s beroep op de wettelijke verjaringstermijn, zoals [A] betoogt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 april 2000, NJ 2000, 430 ([D] /[E]) overwogen dat de objectieve verjaringstermijn van, in dat geval, dertig jaar, in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing kan blijven voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:2 lid 2 BW). Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. Hier is dat, de stellingen van [A] volgend, het geval.

Of de toepassing van de verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dient, ingevolge het voornoemde arrest, te worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, heeft de Hoge Raad genoemd:

(a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en - mede in verband daarmee - of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

(b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

(c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

(e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;

(f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

(g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

4.4. Nefalit heeft in het kader van haar beroep op de absolute verjaringstermijn aangevoerd dat het arrest [D]/[E] niet van toepassing is, zodat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de vorenstaande gezichtspunten. Nefalit stelt daartoe - kort samengevat - dat er weloverwogen en in het belang van de rechtszekerheid, bij de invoering van artikel 3:310 lid 5 BW aan deze bepaling geen terugwerkende kracht is verleend. Als tegemoetkoming aan de asbestslachtoffers die door verjaring geen vorderingsrecht meer hebben, is om die reden de TAS-regeling dan wel TNS-regeling in het leven geroepen, aldus Nefalit.

4.5. Hoewel Nefalit terecht aanvoert dat artikel 3:310 lid 5 BW geen terugwerkende kracht heeft en in dit geval toepassing mist, betekent dat niet dat er sinds de invoering van deze bepaling (op 1 februari 2004) een andere maatstaf geldt voor de vraag of een beroep op verjaring door degene die door een asbestslachtoffer wordt aangesproken als gevolg van een gebeurtenis die vóór de invoering heeft plaatsgehad, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De tegemoetkoming uit hoofde van de TAS-regeling of TNS-regeling kan relevant zijn als wegingsfactor, zoals hierna onder 4.6.2. en 4.7. zal blijken, maar heeft niet de door de Hoge Raad ontwikkelde jurisprudentie vervangen.

4.6. Het beroep van Nefalit op verjaring zal daarom in het navolgende aan de hand van de onder 4.3 genoemde gezichtspunten worden beoordeeld.

4.6.1 Gezichtspunt a

Met betrekking tot de aard van de schadevergoeding stelt [A] dat het gaat om vergoeding van zowel haar materiële schade als haar immateriële schade en dat de vergoeding aan haar persoonlijk toekomt. [A] heeft echter de aard en omvang van haar materiële schade, ondanks betwisting door c.q. verzoek daartoe van Nefalit, op geen enkele wijze onderbouwd. Nefalit verwijst in dit verband terecht naar een vonnis van de rechtbank Almelo van 5 november 2008, LJN: BG5098 en naar het arrest van het Gerechtshof

‘s-Gravenhage van 22 juni 2006, LJN: BB0853 waarin onder meer is overwogen dat wanneer de gelaedeerde zich op geen enkele wijze uitlaat over de aard van de schade er vanuit moet worden gegaan dat deze alleen bestaat uit immateriële schade.

4.6.2 Gezichtspunt b

Niet in geschil is het feit dat [A] een uitkering van EUR 17.050,- heeft ontvangen uit anderen hoofde, namelijk de TNS-regeling. [A] wijst erop dat het gaat om een voorwaardelijke uitkering en dat, indien komt vast te staan dat Nefalit gehouden is de schade van [A] te vergoeden, [A] de TNS-uitkering aan de overheid dient terug te betalen. [A] verwijst in dit verband ook naar een artikel van [F] in het Tijdschrift voor Personenschade 2008, nummer 1.

De rechtbank is echter van oordeel dat het voor de weging van de gezichtspunten niet relevant is of de uitkering (mogelijk) zal moeten worden terugbetaald en de schade niet volledig dekt. Het gaat bij deze afweging om de vraag in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat, waardoor men niet volledig met lege handen staat. In dit geval heeft [A] een dergelijke beperkte uitkering ontvangen.

4.6.3. Gezichtspunt c

Met betrekking tot de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten stelt [A] dat het naar haar mening in meer dan voldoende mate vaststaat dat Nefalit in of omstreeks 1972 volledig op de hoogte was van het feit dat zelfs de geringste blootstelling aan asbeststof het risico van mesothelioom met zich bracht en dat Nefalit derhalve de afnemers en gebruikers van haar asbesthoudende producten op zijn minst voor dat risico/gevaar had moeten waarschuwen. [A] verwijst in dit verband naar meerdere rechtelijke uitspraken. Nefalit betwist dat zij omstreeks 1972 op de hoogte zou zijn geweest of had moeten zijn van de omstandigheid dat zelfs de geringste blootstelling aan asbeststof het risico op mesothelioom met zich bracht en dat zij op dat moment een verplichting zou hebben gehad om haar astbestcementplaten te voorzien van een waarschuwing. Nefalit verwijst in dit verband naar een rede van Selikoff uit 1968 en een proefschrift van Stumphius uit 1969. Zij stelden nadrukkelijk dat er - buiten de beroepssfeer - wellicht risico’s voor de algemene bevolking zouden kunnen zijn doch dat dat geenszins zeker was. Beiden deden dan ook de aanbeveling om dienaangaande onderzoek te gaan doen. In 1972 was die situatie onveranderd, althans waren er geen wetenschappelijke resultaten bekend over de gezondheidsrisico’s van een zeer kortstondige blootstelling aan asbestcementstof. In 1972 ging het vrijwel steeds over studies van beroepsmatige blootstellingen in hoge mate. Nefalit verwijst daarbij naar een aantal gerechtelijke uitspraken.

Voor de vraag in hoeverre aan Nefalit kan worden verweten dat [A] aan de ziekte mesothelioom lijdt gaat de rechtbank er bij de toetsing van gezichtspunt c als veronderstelling vanuit dat [A], zoals zij stelt, de ziekte heeft opgelopen doordat zij in 1972 asbestdeeltjes heeft ingeademd die zijn vrijgekomen bij het verwerken en bewerken van door Nefalit geproduceerde en in de handel gebrachte Nobrandaplaten. Beoordeeld moet worden of Nefalit er ten tijde van het in de handel brengen van deze platen, in 1972, mee bekend was of had moeten zijn dat er bij het bewerken van de asbesthoudende platen een ernstig gezondheidsrisico bestond voor gebruikers van het product, waarvoor gewaarschuwd moest worden. Een producent treft immers in het algemeen een verwijt indien hij niet de maatregelen neemt die van een zorgvuldig fabrikant kunnen worden gevergd teneinde te voorkomen dat het door hem in het verkeer gebrachte product schade veroorzaakt bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het product bestemd is. Voor bijverschijnselen als een ernstig gezondheidsrisico moet worden gewaarschuwd, ook indien de frequentie waarin het risico zich voordoet gering is.

Laatstbedoeld risico was in 1972 aan Nefalit bekend, althans had bij haar bekend moeten zijn. Zoals is overwogen door de Hoge Raad op 25 november 2005 (NJ 2009, 103) in de zaak Eternit/[G], was het in die zaak niet onbegrijpelijk dat het gerechtshof te Arnhem heeft geoordeeld dat het ernstig verwijtbaar was dat Eternit het publiek in 1971 niet heeft gewaarschuwd voor de aan haar bekende gezondheidsrisico’s die aan asbeststof zijn verbonden, welke risico’s onder meer ontstaan bij het verzagen van asbestcementplaten. Het hof had daartoe onder meer vastgesteld dat al uit de memorie van toelichting bij het ontwerp uit 1949 van de Silicosewet blijkt van het gevaar van verspreiding van asbesthoudende stof bij het vervaardigen en het verzagen van asbestcementplaten, dat Eternit een internationaal opererend bedrijf was, dat in 1970-1971 in elk geval onder deskundigen bekend was dat vrijkomend asbest mesothelioom zou kunnen veroorzaken en dat de directeur van Eternit deze wetenschap al vóór 1971 feitelijk moet hebben gehad.

Deze feiten gelden ook in dit geding, met dien verstande dat Eternit de moedermaatschappij was van Nefalit. Gelet op hun moeder/dochterverhouding is de rechtbank van oordeel dat het gezondheidsrisico, dat aan asbeststof is verbonden, bij Nefalit in elk geval bekend had behoren te zijn geweest in 1972. Haar kan er een ernstig verwijt van worden gemaakt dat zij het publiek hiervoor niet heeft gewaarschuwd.

Het verweer van Nefalit, dat haar in 1972 niet bekend was dat een relatief kortstondige blootstelling aan asbestcementstof tot mesothelioom zou kunnen leiden, baat haar op grond van het voorgaande niet. Haar verwijzing naar de uitspraken van het gerechtshof te ’s Gravenhage d.d. 9 december 2008 (productie 16 bij antwoordakte) en 31 augustus 2007, LJN: BB 4930 gaat niet op omdat in die zaken de blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden in periodes die eindigden in 1961.

4.6.4. Gezichtspunt d

Nefalit stelt dat zij voor het verstrijken van de 30-jarige verjaringstermijn in 2002 nimmer met een aansprakelijkstelling als de onderhavige was geconfronteerd en dat zij om die reden geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn. Nefalit verwijst daartoe naar een vonnis van de rechtbank Haarlem van 18 februari 1992, NJ 1993,521. Nefalit stelt in dit verband tevens dat zij al in 1983 haar productieactiviteiten heeft gestaakt en in 1985 haar deuren heeft gesloten.

De rechtbank volgt Nefalit niet in haar standpunt. Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.6.3 is overwogen behoorde Nefalit reeds in 1972 rekening te houden met eventuele aanspraken die konden voortvloeien uit het gebruik van de door haar geproduceerde asbestcementplaten.

4.6.5. Gezichtspunt e

Ten aanzien van de vraag of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren stelt [A] dat Nefalit in de onderhavige procedure en in kort geding verweer heeft gevoerd, hetgeen volgens [A] reeds voldoende aantoont dat Nefalit zich heeft kunnen verweren.

Nefalit voert daartegen aan dat zij de bedrijfsvoering reeds twintig jaar geleden heeft gestaakt. Zij stelt daarbij niet meer te beschikken over enige administratie en daardoor in haar verweer te zijn beperkt. Nefalit verwijst in dit verband naar twee arresten van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 juni 2006, LJN: BB 0853, en 31 augustus 2007 (zie ook hiervoor onder 4.6.3).

Nefalit heeft niet nader onderbouwd waarom zij niet meer over enige administratie beschikt. Zij had er, zoals hiervoor al is overwogen, rekening mee moeten houden dat zij aansprakelijk gesteld zou kunnen worden en van haar mocht dan ook worden verwacht dat zij de gegevens, die nodig zijn voor het voeren van verweer, zou hebben bewaard.

Nefalit heeft evenmin geconcretiseerd op welke punten zij mogelijk verweer had kunnen voeren indien het tijdsverloop minder lang was geweest, terwijl zonder nadere onderbouwing niet valt in te zien om welke feiten het zou kunnen gaan. Daarom houdt de rechtbank het ervoor dat Nefalit ondanks het tijdsverloop naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft om zich tegen de vordering van [A] te verweren.

4.6.6. Gezichtspunt f

In dit geding staat vast dat de aansprakelijkheid van Nefalit niet door een verzekering is gedekt. [A] verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (productie 10 bij haar akte) en stelt dat gezichtspunt f niet ten voordele van Nefalit moet strekken. Kennelijk beroept [A] zich erop dat Nefalit de aansprakelijkstelling door [A] in haar eigen vermogen kan opvangen. Die omstandigheid acht de rechtbank echter niet van belang bij de weging van gezichtspunt f, waarbij het juist gaat om de vraag of Nefalit haar vermogen door een verzekering heeft beschermd tegen claims. Volgens Nefalit heeft zij de aansprakelijkheidspolissen over de jaren vanaf 1986 nog in haar bezit en blijkt daaruit dat sinds 1 januari 1991 asbestschade van dekking werd uitgesloten.

4.6.7. Gezichtspunt g

De vraag of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld is tussen partijen niet in geschil. Begin 2007 is bij [A] de diagnose mesothelioom gesteld en op 26 april 2007 heeft [A] Nefalit aansprakelijk gesteld. Op 9 oktober 2007 heeft [A] Nefalit in kort geding in rechte aangesproken. Zij heeft binnen redelijke termijnen gehandeld.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat [A] haar vordering op Nefalit tijdig heeft ingesteld en dat Nefalit naar redelijkheid nog voldoende mogelijkheid heeft om zich tegen de vordering van [A] te verweren. Voorts geldt dat Nefalit rekening heeft kunnen houden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat zij aansprakelijk zou worden gesteld, maar dat zij geen dekking uit hoofde van een verzekering heeft. [A] heeft een (voorwaardelijke) uitkering ten bedrage van EUR 17.050,- ontvangen en haar schade bestaat alleen uit immateriële schade. Aan Nefalit kan, indien de door [A] gestelde feitelijke toedracht juist is, er een ernstig verwijt van worden gemaakt dat zij bij het in het verkeer brengen van de Nobrandaplaten niet heeft gewaarschuwd tegen het gezondheidsrisico.

Deze omstandigheden en de overige omstandigheden van het geval afwegend is de rechtbank van oordeel dat het beroep op verjaring van Nefalit afstuit op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in artikel 6:2 lid 2 BW. Het belang van [A] dat haar vordering ondanks de verstreken verjaringstermijn wordt beoordeeld is groter dan dat van Nefalit, dat zij na het verstrijken van meer dan dertig jaar niet meer met deze vordering wordt geconfronteerd. [A] stelt immers als gevolg van de nalatigheid van Nefalit een levensbedreigende ziekte te hebben opgelopen. De ernst van dit verwijt weegt in dit geval, om de redenen die hiervoor zijn uiteengezet, op tegen het tijdsverloop, hoewel [A] een uitkering heeft ontvangen en Nefalit niet verzekerd is tegen haar aansprakelijkheid. Laatstgenoemde omstandigheden leggen hier onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Daarom is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Nefalit zich op de verjaring beroept.

4.8. Thans moet de aansprakelijkheid van Nefalit worden beoordeeld. Uit het voorgaande volgt dat zij haar waarschuwingsplicht heeft verzaakt, toen zij in 1972 Nobrandaplaten in het verkeer bracht zonder te waarschuwen voor het destijds bekende gezondheidsrisico dat zich kon voordoen bij bewerking van die platen. Nefalit betwist echter dat [A] betrokken is geweest bij de verbouwingswerkzaamheden en dat zij tijdens de duur van de verbouwing is blootgesteld aan asbeststofdeeltjes.

In dit geding staat vast dat er in 1972 ongeveer 30 vierkante meter Nobrandaplaten in de woning van [A] zijn aangebracht. De stelling van [A], dat zij heeft meegeholpen met de verbouwing en het afval heeft opgeveegd, is door Nefalit met een blote ontkenning betwist. Deze betwisting is, gelet op de onderbouwing door [A] van haar stelling, onvoldoende gegrond. Daarom gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door [A] gestelde feiten. Het wordt er dan ook voor gehouden dat [A] in 1972 is blootgesteld aan asbeststof doordat zij dit tijdens de verbouwing heeft ingeademd.

4.9. Verder voert Nefalit aan dat [A] er ten onrechte vanuit gaat dat van de ziekte mesothelioom slechts één oorzaak bekend is. Nefalit betwist dat de ziekte bij [A] asbestgeïnduceerd is. Zelfs indien dat wel het geval is, betekent dat volgens Nefalit nog niet dat de blootstelling aan de asbeststofdeeltjes van de Nobrandaplaten tot de ziekte heeft geleid, omdat asbest in de twintigste eeuw in een veelheid van producten werd toegepast. Nefalit verwijst voorts naar de gemiddelde latentietijd van de ziekte mesothelioom.

Nefalit voert tevens aan dat [A] zich ten onrechte beroept op artikel 6:99 BW, althans dat een deskundige moet worden benoemd ter vaststelling van de kans dat de ziekte mesothelioom bij [A] is veroorzaakt doordat zij tijdens de verbouwingswerkzaamheden gedurende zeer korte tijd asbeststofdeeltjes kan hebben ingeademd. Bij een kleine kans dient de vordering volgens Nefalit te worden afgewezen, waartoe zij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2006 (RvdW 2006, 328).

4.10. Dit verweer van Nefalit heeft betrekking op het oorzakelijk verband tussen het in het verkeer brengen van de Nobrandaplaten zonder waarschuwing en de ziekte van [A].

Volgens [A] leidt de omkeringsregel ertoe dat, nu Nefalit haar waarschuwingsplicht heeft verzaakt en [A] de ziekte mesothelioom heeft opgelopen, het aan Nefalit is om te bewijzen dat [A] de ziekte ook zou hebben opgelopen indien de Nobrandaplaten niet bij de verbouwing in 1972 in haar woning zouden zijn aangebracht.

[A] wordt hierin gevolgd. Krachtens vaste rechtspraak wordt bij schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot, het bestaan van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen de onrechtmatige gedraging en het ontstaan van de schade aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken, bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Het is immers, gelet op de bescherming die een dergelijke norm beoogt te bieden, redelijk (behoudens tegenbewijs) ervan uit te gaan dat, als het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen, zich heeft verwezenlijkt, zulks een gevolg moet zijn geweest van deze normschending (vgl. Hoge Raad 29 november 2002, NJ 2004, 305).

In dit geval is door Nefalit de specifieke norm, dat er een waarschuwingsplicht bestaat voor een producent indien deze producten in het verkeer brengt die bij gebruik het specifieke gevaar van gezondheidsrisico’s meebrengen, geschonden (zie hiervoor onder 4.6.3.). Het gevaar van het gezondheidsrisico van mesothelioom is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk vergroot doordat destijds onder meer Nobrandaplaten in het verkeer werden gebracht zonder waarschuwing. Nefalit heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd, die – indien bewezen - tot het oordeel zouden leiden dat de ziekte mesothelioom zich ook bij [A] zou hebben voorgedaan indien bij de verbouwing in 1972 geen Nobrandaplaten zouden zijn gebruikt. Nefalit wijst er wel op dat de broers van [A] elektricien en werknemer bij NDSM zijn geweest en Nefalit veronderstelt dat hun kleding asbestdeeltjes bevatte en thuis werd uitgeklopt en gewassen. Ook wijst Nefalit erop dat er altijd en overal wel asbeststof in de lucht is. Deze stellingen en veronderstelling van Nefalit maken het echter naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat [A] de ziekte mesothelioom niet heeft opgedaan als gevolg van de bewerking en verwerking van Nobrandaplaten in haar woning, maar als gevolg van het feit dat haar broers tijdens hun werkzaamheden mogelijk met asbest in aanraking zijn gekomen of door een andere, onbekend gebleven oorzaak. Daarom neemt de rechtbank aan dat de ziekte mesothelioom bij [A] het gevolg is van haar blootstelling in 1972 aan asbeststof, afkomstig van Nobrandaplaten.

4.11. Uit al het voorgaande volgt dat de vorderingen van [A] zijn verjaard, maar dat aan Nefalit geen beroep op verjaring toekomt omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verder luidt het oordeel dat Nefalit onzorgvuldig heeft gehandeld door in 1972 Nobrandaplaten op de markt te brengen zonder daarbij te waarschuwen voor gezondheidsrisico’s. Het is voldoende aannemelijk dat [A] als gevolg daarvan de ziekte mesothelioom heeft opgelopen. Nefalit is aansprakelijk voor haar schade.

Nefalit voert tegen de door [A] gevorderde verklaring voor recht aan dat zij daar geen belang bij heeft naast de vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding en van materiële schade, nader op te maken bij staat. Nu echter uit het voorgaande volgt dat Nefalit onrechtmatig heeft gehandeld en aangenomen wordt dat [A] als gevolg daarvan de ziekte mesothelioom heeft opgelopen, heeft [A] voldoende belang bij een verklaring voor recht waarin het onrechtmatig handelen van Nefalit en haar aansprakelijkheid voor de schade van [A] worden vastgesteld.

Tegen de vordering tot betaling van EUR 50.000,- aan immateriële schade voert Nefalit aan dat het bedrag beperkt moet blijven tot het normbedrag dat in het kader van de bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers wordt uitgekeerd, hetgeen in dit geval leidt tot een bedrag van EUR 48.717,-. Tegenover dit verweer heeft [A] het door haar gevorderde bedrag niet nader onderbouwd. Daarom zal de rechtbank het verweer volgen en aan [A] EUR 48.717,- toekennen, te vermeerderen met de gevorderde en niet weersproken wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 2007.

Tot slot voert Nefalit aan dat de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure moet worden afgewezen. Zoals hiervoor onder 4.6.1. is overwogen heeft [A] de aard en omvang van haar materiële schade in het geheel niet onderbouwd. Zij heeft dan ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij materiële schade lijdt. Daarom is haar vordering tot vergoeding van materiële schade, nader op te maken bij staat, niet toewijsbaar.

4.12. Nefalit zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- betaald vast recht 231,00

- in debet gesteld vast recht 869,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.335,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Nefalit onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] en daardoor jegens haar schadeplichtig is,

5.2. veroordeelt Nefalit tot betaling aan [A] van een bedrag van EUR 48.717,00 (achtenveertig duizendzevenhonderdzeventien euro), te vermeerderden met de wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 2007 tot aan de voldoening,

5.3. veroordeelt Nefalit in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 3.335,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.4. verklaart deze betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.?