Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4886

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
13-480129-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steunfraudezaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/480129-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 10 juli 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.F. de Boer, en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw, mr. G. van der Wal, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

zij in de periode vanaf 16 oktober 2003 tot en met 4 maart 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, in strijd met een hem en/of haar mededader(s) bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Amsterdam en/of de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (in die periode en op die plaats) geheel of gedeeltelijk voor genoemde dienst verzwegen dat zij en/of haar mededader(s)

- samenwoonde(n) en/of had(den) samengewoond en/of een gezamenlijke huishouding voerde(n) en/of had(den) gevoerd en/of

- (oncontroleerbare) inkomsten ontving(en) en/of had(den) ontvangen en/of werkzaamheden verrichtte(n) en/of had(den) verricht en/of

- beschikte(n) en/of had(den) beschikt over vermogen hoger dan het vrij te laten bescheiden vermogen

zijnde dit gegeven(s) waarvan zij en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en/of Wet Werk en Bijstand dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander;

Artikel 227b juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 De ter terechtzitting niet ter discussie staande feiten

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast.

Verdachte is van 10 februari 1988 tot 17 november 2004 gehuwd geweest met medeverdachte [medeverdachte]. Uit dit huwelijk zijn 3 kinderen geboren.i

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben in de periode van 16 oktober 2003 tot 4 maart 2008 een uitkering ontvangen van aanvankelijk de Gemeentelijke Sociale Dienst te Amsterdam en later van de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam. Tot 30 augustus 2004 ontvingen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een uitkering naar de norm: gezin. Daarna ontvingen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] beiden een eigen uitkering naar de norm: alleenstaande.ii

Verdachte heeft van 1 november 1997 tot en met 23 juni 2002 ingeschreven gestaan op het adres [adres]. Van 24 juni 2002 tot 22 augustus 2002 heeft verdachte samen met haar kinderen ingeschreven gestaan op het adres [adres 2], zijnde een blijf-van-mijn-lijf-huis. Sedert 23 augustus 2002 staan verdachte en haar kinderen weer ingeschreven op het adres [adres].iii

Medeverdachte [medeverdachte] heeft van 1 november 1997 tot en met 25 augustus 2004 tevens ingeschreven gestaan op het adres [adres]. Verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en hun kinderen woonde in deze periode, met uitzondering van 24 juni 2002 tot en met 22 augustus 2002, samen op voornoemd adres. iv

Medeverdachte [medeverdachte] heeft van 26 augustus 2004 tot en met 13 juli 2005 ingeschreven gestaan op het adres [adres 3]. Medeverdachte [medeverdachte] heeft hierna van 14 juli 2005 tot in ieder geval 4 maart 2008, de datum van beëindiging van zijn uitkering, ingeschreven gestaan op het adres [adres 4].v

De hiervoor vermelde adressen waren telkens de bij de Gemeentelijke Sociale Dienst/Dienst Werk en Inkomen bekende uitkeringsadressen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft vanaf 2005 tot ten minste 4 maart 2008 met enige regelmaat tegen betaling werkzaamheden verricht. Medeverdachte [medeverdachte] heeft in deze periode oud ijzer verkocht en als chauffeur opgetreden. Voor zijn chauffeurwerkzaamheden kreeg medeverdachte [medeverdachte] zwart betaald. Verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte] heeft/hebben niet aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Amsterdam en later ook niet aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam doorgegeven dat medeverdachte [medeverdachte] werkzaamheden verrichtte en/of had verricht en evenmin dat hij hiervoor inkomsten ontving en/of had ontvangen.vi

Verdachte heeft vanaf circa 2001 tot 2007 onroerend goed, zijnde een huis, in Turkije in bezit gehad. Ook medeverdachte [medeverdachte] heeft vanaf eind jaren negentig tot 2007 onroerend goed, zijnde een huis en een stuk grond, in Turkije in bezit gehad. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] hebben het bezit van dit vermogen niet gemeld aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Amsterdam en later ook niet aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam.vii

Indien de in de telastelegging genoemde gegevens bij de Gemeentelijke Sociale Dienst te Amsterdam respectievelijk de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam bekend waren geweest, was aan verdachte en aan medeverdachte [medeverdachte] geen dan wel een lagere bijstandsuitkering verstrekt.viii

De rechtbank acht voornoemde feiten en omstandigheden bewezen op grond van de hiervoor als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het telastegelegde feit bewezen. Zij noemt als bewijsmiddelen in het bijzonder de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] zoals afgelegd tegenover de opsporingsambtenaren van de Dienst Werk en Inkomen. De bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] vindt bovendien steun in de getuigenverklaringen van de verschillende buren en in de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. De andersluidende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting met betrekking tot het al dan niet samenwonen dient als ongeloofwaardig te worden beschouwd, aldus steeds de officier van justitie.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

Niet kan worden bewezen dat er na de scheiding in 2004 sprake was van samenwonen en/of het voeren van een gezamenlijke huishouding. Verdachte heeft hierover duidelijk verklaard. De andersluidende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] tegenover de opsporingsambtenaren van de Dienst Werk en Inkomen dient in het licht te worden geplaatst van de wens van medeverdachte [medeverdachte] dat de relatie met zijn ex-vrouw weer zou worden hersteld. Ook de twee rapporteurs van de Dienst Werk en Inkomen concluderen, blijkens hun rapporten, dat van samenwonen en/of het voeren van een gezamenlijke huishouding geen sprake was. Bij het huisbezoek aan de woning van medeverdachte [medeverdachte] wordt een normaal bewoonde woning aangetroffen. Getuige [getuige 3] ondersteunt de verklaring van verdachte en medeverdachte [medeverdachte], zoals afgelegd ter terechtzitting.

Tevens kan niet worden bewezen dat verdachte inkomsten heeft ontvangen en/of werkzaamheden heeft verricht, nu vast is komen te staan dat medeverdachte [medeverdachte] de inkomsten heeft ontvangen en de werkzaamheden heeft verricht. Verdachte was van dit alles niet op de hoogte.

Voorts kan niet worden bewezen dat verdachte heeft beschikt over vermogen hoger dan het vrij te laten bescheiden vermogen. De waarde van het onroerend goed valt, zo meent de raadsvrouw blijkens de ter zitting door haar overgelegde stukken, onder de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen.

Tot slot was er bij verdachte geen sprake van opzet. Verdachte is de Nederlandse taal niet machtig. Bovendien is zij analfabeet. Verdachte is zich geenszins bewust geweest van haar nalatigheid, aldus steeds de raadsvrouw.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de raadsvrouw ten aanzien van de volgende door de rechtbank te beoordelen onderwerpen van mening verschillen.

Samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding

Voor de vraag of na de scheiding in 2004 sprake was van samenwonen en/of het voeren van een gezamenlijke huishouding is artikel 3 van de Wet werk en bijstand van belang. Dit artikel bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Blijkens lid 4 van dit artikel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in de dezelfde woning en

a: zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van 2 jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b: uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c: zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

d: zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

Nu verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met elkaar gehuwd zijn geweest (én uit dit huwelijk meerdere kinderen zijn geboren) dient thans alleen nog te worden onderzocht of medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 31 augustus 2004, zijnde de begindatum van de uitkeringen naar de norm alleenstaande, tot en met 4 maart 2008, de datum van beëindiging van de uitkeringen, zijn hoofdverblijf had op het adres [adres]. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben hierover ter terechtzitting verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] van maandag tot en met vrijdag bij de kinderen op bezoek kwam in de woning aan de [adres]. Hij was van ’s- middags tot ’s-avonds in de woning aanwezig. Hij hielp mee met de opvoeding van de kinderen. Hij speelde met de kinderen. Hij keek televisie en hij at mee met verdachte en de kinderen.ix De oudste zoon van verdachte heeft in dit verband ter terechtzitting als getuige verklaard dat zijn jongste broertje niet eens wist dat zijn ouders gescheiden waren.x Voorts is komen vast te staan dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en de kinderen gelijktijdig naar Turkije afreisden. In 2007 zaten zij in hetzelfde vliegtuig.xi De oudste zoon hielp zijn vader vanuit de woning met de handel in oud ijzer. Verschillende buren hebben bovendien verklaard dat zij medeverdachte [medeverdachte] veelvuldig hebben gezien bij de woning aan de [adres].xii Deze feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] ook in genoemde periode zijn hoofdverblijf had op het adres [adres]. Dit oordeel brengt mee dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in bedoelde periode samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden. De omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte] in de woning aan de [adres 3] zou hebben geslapen maakt dit oordeel niet anders, nog los van de vraag of deze verklaring als geloofwaardig dient te worden beschouwd.

Inkomsten en/ of werkzaamheden

Vast is komen te staan dat medeverdachte [medeverdachte] vanaf 2005 oncontroleerbare inkomsten ontving en/of had ontvangen en tevens werkzaamheden verrichtte en/of had verricht. De vraag die thans dient te worden beantwoord is of verdachte hier op enigerlei wijze bij betrokken was. De rechtbank overweegt als volgt.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft tegenover de opsporingsambtenaren van de Dienst Werk en Inkomen verklaard dat zijn vrouw wist dat hij handelde in ijzer en chauffeurwerkzaamheden verrichtte.xiii Verdachte heeft tegenover de opsporingambtenaren van de Dienst Werk en Inkomen verklaard dat zij wel iets wist van het door medeverdachte [medeverdachte] ophalen van oud ijzer. Zij heeft verklaard dat de kinderen wel eens mee gingen met medeverdachte [medeverdachte]. Ter terechtzitting heeft verdachte dienaangaande verklaard dat zij zag dat medeverdachte [medeverdachte] oud ijzer in- en uitlaadde. Hiermee acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] werkzaamheden verrichtte. Verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank ook hebben geweten dat medeverdachte [medeverdachte] niet om niet voornoemde werkzaamheden verrichtte. Verdachte moet dus hebben geweten dat medeverdachte [medeverdachte] voor zijn werkzaamheden inkomsten ontving en/of had ontvangen. Gezien het feit dat de rechtbank, op grond van het vorenstaande, ervan uit gaat dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de telastegelegde periode samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden en op grond daarvan feitelijk bezien ook een gezinsuitkering dienden te hebben ontvangen, rustte ook op verdachte de verplichting om bedoelde gegevens door te geven aan de Gemeentelijke Sociale Dienst respectievelijk de Dienst Werk en Inkomen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

Waarde van het vermogen

Vast is komen te staan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij de aanvraag van de uitkering gehuwd waren. Zij hebben om die reden dan ook een uitkering naar de norm gezin aangevraagd en ontvangen.xiv Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij vanaf eind jaren negentig tot 2007 een huis en een stuk grond in Turkije in bezit heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat ook zij vanaf ongeveer 2001 tot 2007 een huis in Turkije in bezit heeft gehad. Bij de aanvraag van de uitkering in 2003 hadden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen dus 2 huizen en een stuk grond in bezit. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] de 2 huizen in 2007 heeft verkocht voor circa € 20.000,-. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [verdachte] in de telastegelegde periode beschikte en had beschikt over vermogen hoger dan het vrij te laten bescheiden vermogen. De rechtbank gaat met betrekking tot de waarde van het vermogen dus uit van de verklaring van verdachte zelf. De verklaring van verdachte wordt bovendien bevestigd door de ter terechtzitting afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte], welke verklaring ook in de strafzaak tegen verdachte kan worden gebruikt. Het verweer van de raadvrouw behoeft derhalve geen verdere bespreking.

Opzettelijk nalaten de benodigde gegevens te verstrekken

De rechtbank zal thans de vraag beantwoorden of verdachte opzet heeft gehad op het nalaten gegevens te verstrekken waarvan zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van haar recht op een uitkering dan wel voor de hoogte of de duur van deze uitkering.

De rechtbank overweegt als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij de aanvraag van een uitkering wordt uitgelegd wat de aan een uitkering verbonden verplichtingen zijn. Tevens zijn dienaangaande informatiefolders in tal van talen beschikbaar waaronder het Turks. De rechtbank is van oordeel dat niemand redelijkerwijze kan denken dat aan een uitkering in het geheel geen verplichtingen zijn verbonden. Van iedereen die een uitkering aanvraagt of ontvangt, mag daarom een actieve houding worden verwacht met betrekking tot het inwinnen van informatie. De rechtbank oordeelt dan ook dat verdachte redelijkerwijs op zijn minst moest vermoeden dat de in de telastelegging genoemde gegevens van belang waren voor de vaststelling van haar recht op een uitkering dan wel voor de hoogte of de duur van deze uitkering.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zelf de op haar naam staande in het dossier bevindende inkomstenformulieren heeft ondertekend.xv De betekenis van het zetten van een handtekening moet verdachte duidelijk zijn geweest. De omstandigheid dat verdachte analfabeet zou zijn maakt nog niet dat zij niet weet wat de betekenis. De rechtbank is, gezien het hiervoor overwogene, van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij met het zetten van haar handtekening een niet naar waarheid ingevuld formulier heeft ondertekend en dit vervolgens heeft verstrekt als zijnde de waarheid, en daarbij heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsvrouw.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode vanaf 16 oktober 2003 tot en met 4 maart 2008 te Amsterdam, tezamen in vereniging met een ander, in strijd met een haar en haar mededader bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te Amsterdam en de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam, immers hebben zij en haar mededader, in die periode en op die plaats, voor genoemde diensten verzwegen dat zij en haar mededader

- samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden en

- oncontroleerbare inkomsten ontvingen en/of hadden ontvangen en/of werkzaamheden verrichtten en/of hadden verricht en

- beschikten en/of hadden beschikt over vermogen hoger dan het vrij te laten bescheiden vermogen

zijnde dit gegevens waarvan zij en haar mededader redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming – namelijk een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en Wet Werk en Bijstand dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank heeft haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan, gegrond op de hiervoor onder 4.1 en 4.4 in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstandigheden zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 (twee) jaren).

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot een eventuele strafoplegging verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte geen geld heeft ontvangen uit de verkoop van de huizen in Turkije. Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op de omstandigheid dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] feitelijk bezien geen voordeel hebben genoten van het feit dat zij een alleenstaanden uitkering ontvingen in plaats van een gezinsuitkering. Immers dienden van het bedrag dat zij nu meer ontvingen de vaste lasten voor de woning aan de [adres 3] te worden betaald.

7.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft bij haar strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met haar mededader gedurende een langere periode zogenoemde bijstandsfraude gepleegd. Verdachte heeft gedurende deze periode verzwegen voor de Sociale Dienst respectievelijk de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam dat zij samenwoonde, werkzaamheden verrichtte, inkomsten ontving en onroerend goed bezat in Turkije.

Het sociale zekerheidsstelsel is gebaseerd op solidariteit. Burgers betalen belastingen en premies teneinde de voorzieningen te bekostigen die bedoeld zijn om middelen van bestaan te garanderen aan diegenen die niet bij machte zijn deze op eigen kracht te verwerven. Het draagvlak in de samenleving voor verstrekkingen van uitkeringen is tanende. Een van de oorzaken hiervoor is het (grote) misbruik dat wordt gemaakt van deze uitkeringen. Ook verdachte heeft misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Verdachte heeft dit sociale zekerheidsstelsel ondermijnd, zichzelf verrijkt ten koste van de maatschappij en de samenleving aanzienlijke schade berokkend. Verdachte heeft in het bijzonder degenen benadeeld die net als verdachte van buitenlandse afkomst zijn en in Nederland een uitkering ontvangen. Immers nemen met name ten aanzien van die groep personen de gevoelens van solidariteit hard af. De ernst van het bewezen geachte, in aanmerking genomen de hoogte van het benadelingsbedrag en de duur van de periode, rechtvaardigt dan ook een forse straf.

Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte bij het bewezen geachte feit beperkter was dan die van haar mededader. Verdachte heeft immers niet de werkzaamheden verricht en evenmin inkomsten hieruit ontvangen. Ook heeft verdachte geen inkomsten ontvangen uit de verkoop van de huizen in Turkije. De rechtbank zal dit in de onderscheidenlijke strafopleggingen tot uitdrukking brengen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met de inhoud van haar betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 maart 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft met betrekking tot de strafoplegging als uitgangspunt genomen de eis van de officier van justitie.

De rechtbank oordeelt, tevens in aanmerking genomen de door de raadsvrouw gevoerde verweren, dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank zal daarom de eis van de officier van justitie volgen, nu zij deze passend en geboden acht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a(oud), 14a, 14b(oud), 14b, 14c, 47 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die haar in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. W.M. de Vries en G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.P. Friperson, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2009.

De jongste rechte is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

i Het proces-verbaal van relaas van 25 maart 2008 met nummer 2008/56, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pag. 1-42, in het bijzonder pag. 14 en 15).

ii Het proces verbaal van relaas genoemd in noot 1 (in het bijzonder pag. 7 en 8), alsmede het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 5 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pag. 114-130, in het bijzonder pag. 115 en 116).

iii Het proces-verbaal van relaas genoemd in noot 1 (in het bijzonder pag. 14 en 15), alsmede de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.

iv Het proces verbaal van relaas genoemd in noot 1 (in het bijzonder pag. 14).

v Het proces verbaal van relaas genoemd in noot 1 (in het bijzonder pag. 14).

vi Het proces-verbaal verhoor van verdachte [medeverdachte] van 6 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pag. 92-113, in het bijzonder pag. 99), alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 11 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 3], inhoudende onder meer de verklaring van [getuige 1] (doorgenummerde pag. 210-211) en tevens het geschrift zijnde een kopie van een inkoopbon van [getuige 1] met betrekking tot de inkoop van oud ijzer (doorgenummerde pag. 80) en ook het proces-verbaal van relaas genoemd in noot 1 (in het bijzonder pag. 41).

vii De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 26 juni 2009, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting van 26 juni 2009 in de zaken die gezamenlijk maar niet gevoegd zijn behandeld, alsmede het proces-verbaal verhoor verdachte genoemd in noot (in het bijzonder pag. 123) en het aanvullend proces-verbaal van 21 april 2008 met nummer 2008/56, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1].

viii Het proces-verbaal van relaas genoemd in noot 1 (in het bijzonder pag. 37-39).

ix Verklaring verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting van 26 juni 2009.

x Verklaring getuige [medeverdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting van 26 juni 2009.

xi Geschriften, zijnde formulieren ten behoeve van het melden van vakanties en formulieren terugmelding van vakanties met bijlagen van de Dienst Werk en Inkomen ten name van [medeverdachte] en [verdachte] (doorgenummerde pag. 335-339 en 363-373) alsmede het geschrift, zijnde een kopie van een reisovereenkomst ten name van [verdachte] (doorgenummerde pag. 306-307).

xii Het proces-verbaal van 5 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5], inhoudende onder meer de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] (doorgenummerde pag. 169-175) alsmede het proces-verbaal verhoor getuige van 6 maart 2008 met nummer 2008/, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 5] en [opsporingsambtenaar 4], inhoudende onder meer de verklaring van [persoon 4](doorgenummerde pag. 180-183) en het proces-verbaal van 7 maart 2008, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5], inhoudende onder meer de verklaring van [persoon 3] (doorgenummerde pag. 184-186).

xiii Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] genoemd in noot 6 (in het bijzonder pag. 109).

xiv Het proces-verbaal van relaas genoemd in noot 1 (in het bijzonder doorgenummerde pag. 7 en 8).

xv Verklaring verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 26 juni 2009.

Parketnummer: 13/480129-08

Inzake: [verdachte]