Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4857

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
13/400638-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Raadkamerbeslissing. Uit artikel 67a lid 1 onder a Sv volgt niet dat de enkele omstandigheid dat een verdachte over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt, betekent dat geen sprake van vluchtgevaar kan zijn. Daaraan dienen immers aanvullende persoonlijke gedragingen, feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen die deze conclusie rechtvaardigen. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het Unieburgerschap is overwogen, geldt dit niet alleen voor een verdachte van wie een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld, maar evenzeer voor onderdanen van de EU van wie in een andere lidstaat van de EU een vaste woon- of verblijfplaats kan worden vastgesteld.

Bij een onderdaan van de EU van wie een vaste woon- of verblijfplaats in een andere lidstaat van de EU kan worden vastgesteld, dient derhalve op grond van de specifieke (persoonlijke) omstandigheden een afweging van alle betrokken belangen te worden gemaakt met betrekking tot de vraag of in dat specifieke geval het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis op de grond vluchtgevaar is aangewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 67a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/400638-09

BEVEL GEVANGENHOUDING

In de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2009 is de vordering gevangen-houding d.d. 23 april 2009 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam behandeld tegen:

[verdachte]

geboren te [woonplaats] (Tsjechië) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het HvB Almere Binnen te Almere,

verdacht van overtreding van de artikelen 197, 285b, 300 lid 1 en 416/417bis Wetboek van Strafrecht (Sr).

De officier van justitie heeft tijdens de zitting de gevangenhouding van verdachte voor een periode van 90 dagen gevorderd. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het recht van de Europese Unie (EU) geen beletsel vormt verdachte wegens vluchtgevaar gevangen te houden. De toelichting van de officier van justitie is op schrift gesteld.

In raadkamer is verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat te Amsterdam, gehoord.

De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat in het licht van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 juli 2003 (Smirnova vs Rusland, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AP0733) in onvoldoende mate kan worden vastgesteld dat in het geval van zijn cliënt van vluchtgevaar sprake is. Ten aanzien van de ernstige bezwaren en de overige in het bevel bewaring genoemde gronden heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Tijdens het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de ernstige bezwaren tegen verdachte nog in volle omvang aanwezig zijn.

Met betrekking tot de gronden overweegt de rechtbank het volgende.

Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven, indien geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van verdachte kan worden vastgesteld (art. 67 Wetboek van Strafvorde-ring (Sv)). Een op die grond gebaseerd bevel kan slechts worden gegeven, indien uit bepaalde gedragingen van verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, van ernstig gevaar voor vlucht blijkt (art. 67a lid 1 onder a Sv).

De rechtbank ziet zich in deze voor de vraag gesteld of van vluchtgevaar sprake is, indien van een verdachte die onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie is, geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld, terwijl van deze verdachte wel een vaste woon- of verblijfplaats in een andere lidstaat van de EU kan worden vastgesteld.

Daarover overweegt de rechtbank in algemene zin het volgende.

In het eerste lid van artikel 17 van het EG-Verdrag is bepaald dat een burgerschap van de EU wordt ingesteld (het Unieburgerschap). Burger van de EU is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Iedere burger van de EU heeft het recht vrij op het grondgebied van de lid-staten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld (art. 18 lid 1 EG-Verdrag).

Het effectueren van een bevel tot voorlopige hechtenis leidt uit zijn aard ertoe dat de betrokken verdachte wordt belemmerd in de uitoefening van zijn recht vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten. Als deze belemmering voortvloeit uit een beperking of voorwaarde die bij het EG-Verdrag of een bepaling ter uitvoering daarvan is gesteld, is sprake van een gerechtvaardigde belemmering van dat recht.

Als de belemmering niet voortvloeit uit een beperking of voorwaarde die bij het EG-Verdrag of een bepaling ter uitvoering daarvan is gesteld, moet worden nagegaan of deze belemmering kan worden gerechtvaardigd door objectieve overwegingen van algemeen belang die losstaan van de nationaliteit van de betrokken persoon en evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel. Ten aanzien van dit laatste dient een afweging plaats te vinden tussen het belang van verdachte zijn vrijheid niet te verliezen en het belang van de overheid deze verdachte zijn vrijheid te ontnemen (proportionaliteitstoets). Voorts dient te worden beoordeeld of het te bereiken doel niet met minder ingrijpende middelen dan vrijheidsontneming zou kunnen worden bewerkstelligd (subsidiairiteitstoets).

Uit artikel 67a lid 1 onder a Sv volgt niet dat de enkele omstandigheid dat een verdachte over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt, betekent dat geen sprake van vluchtgevaar kan zijn. Daaraan dienen immers aanvullende persoonlijke gedragingen, feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen die deze conclusie rechtvaardigen. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het Unieburgerschap is overwogen, geldt dit niet alleen voor een verdachte van wie een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld, maar evenzeer voor onderdanen van de EU van wie in een andere lidstaat van de EU een vaste woon- of ver-blijfplaats kan worden vastgesteld.

Bij een onderdaan van de EU van wie een vaste woon- of verblijfplaats in een andere lidstaat van de EU kan worden vastgesteld, dient derhalve op grond van de specifieke (persoonlijke) omstandigheden een afweging van alle betrokken belangen te worden gemaakt met betrekking tot de vraag of in dat specifieke geval het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis op de grond vluchtgevaar is aangewezen.

In het onderhavige geval is in raadkamer komen vast te staan dat van verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland of in een andere lidstaat van de EU kan worden vastgesteld. Verdachte heeft immers verklaard dat hij niet bekend wil maken waar in Nederland hij verblijft, omdat hij zijn verblijfplaats in verband met zijn ongewenstverklaring voor de justitiele autoriteiten verborgen wil houden. Hij beschikt ook niet over een vaste woon- of verblijf-plaats buiten Nederland. Het beroep van de raadsman op het arrest Smirnova vs Rusland wordt verworpen, omdat gezien de hiervoor genoemde omstandigheden de kans bestaat dat verdachte zich bij vrijlating aan zijn berechting zal onttrekken. Ernstig gevaar voor vlucht is derhalve aanwezig.

Daarnaast wordt verdachte ervan verdacht onder meer het misdrijf van artikel 416 Sr te heb-ben begaan en zijn nog geen vijf jaren verlopen sinds de dag waarop een vonnis onherroepelijk is geworden, waarbij hij wegens één (of meer) van de in artikel 67a lid 3 Sv vermelde misdrijven tot één (of meer) van de daar genoemde sancties is veroordeeld. Dat betekent dat ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat verdachte één (of meer) soortgelijke misdrijven zal begaan. Derhalve is eveneens gevaar voor herhaling aanwezig.

De conclusie luidt dan ook dat is gebleken van gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vorderen. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een verlenging van de voorlopige hechtenis met een periode van zestig dagen voldoende, omdat de zaak van verdachte binnen die termijn op de openbare terechtzitting kan worden behandeld.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de gevangenhouding van verdachte voor de duur van zestig dagen worden bevolen.

De rechtbank heeft hierbij de artikelen 63, 64, 67, 67a, en 78 van het Wetboek van Strafvor-dering en de artikelen 197, 285b, 300 en 416/417bis van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking genomen.

BESLISSING:

Beveelt de gevangenhouding van verdachte [verdachte] voor een termijn van zestig dagen en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een daartoe bij of krachtens de wet aangewezen Huis van Bewaring in Nederland.

Aldus gedaan op 23 april 2009 door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. W.F. Korthals Altes en S.A. Krenning, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke - van den Berg, griffier.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte.

Amsterdam,

de officier van justitie.

ingaande:

Gezien op

De directeur van het Huis van Bewaring,