Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4810

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
13/497036-2007 RK nummer: 09/3105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale Rechtshulpkamer (IRK)

EAB Polen. Overlevering wordt gevraagd van een Nederlander voor het uitzitten van twee onherroepelijke vrijheidsstraffen. Hiervoor wordt de overlevering geweigerd. Overlevering wordt toegestaan voro vervolging van nieuw feit ("corruptie"). Verweren gevoerd ten aanzien van artikel 7, eerste lid, a, sub 1 OLW, een onschuldverweer, artikel 11 OLW (overschrijding redelijke termijn, geen eerlijk proces te verwachten, schending proportionaliteitsbeginsel) humanitair verweer. Alle verweren zijn verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497036-2007

RK nummer: 09/3105

Datum uitspraak: 22 juli 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 mei 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 18 oktober 2006 door de Judge of the Provincial Court, delegated to the Regional Court in Bydgoszcz, III Penal Department, Bydgoszcz, Polen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juli 2009. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt het volgende ten grondslag:

- een arrestatiebevel, te weten een decision of the Provincial Court in Inowroclaw II Penal Department, gedateerd 16 mei 2003, met betrekking tot een ‘temporary arrest’ voor de duur van drie maanden vanaf de datum dat de detentie ingaat (dossiernummer II K 893/02)

- een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, gewezen door the Provincial Court in Inowroclaw II Penal Department, gedateerd 22 oktober 2004 (dossiernummer II K 568/02)

- een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, gewezen door hetzelfde gerecht en gedateerd 19 december 2005 (dossiernummer II K 1276/02)

2.1 Het EAB houdt ten eerste het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

2.2 Ten tweede wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van respectievelijk één jaar en zes maanden (II K 568/02) en een jaar en acht maanden (II K 1276/02).

Uit het EAB blijkt dat van deze straffen nog respectievelijk elf maanden en veertien dagen (II K 568/02) en een jaar, drie maanden en achttien dagen (II K 1276/02) moeten worden uitgezeten.

Beide vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen, gewezen door het Provincial Court te Inowroclaw II Penal Department en zijn gedateerd respectievelijk 22 oktober 2004 en 19 december 2005 (dossiernummers II K 568/02 en II K 1276/02).

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in de reeds eerder genoemde door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

2.3 De weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, van de OLW.

Met betrekking tot de verzochte overlevering in de zaken, aangeduid met de dossiernummers

II K 1276/02 en II K 568/02 stelt de rechtbank vast dat het hier twee onherroepelijke vonnissen betreft, zoals ook blijkt uit de mededeling gedaan in een brief d.d. 29 mei 2009, afkomstig van de Regional Court in Bydgoszcz. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit.

Artikel 6, tweede lid van de OLW bepaalt dat de overlevering van een Nederlander niet wordt toegestaan indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank zal de overlevering voor zover deze is gevraagd met betrekking tot de vonnissen met dossiernummers II K 568/02 en II K 1276/02 dan ook weigeren.

De rechtbank zal zich verder beperken tot een beoordeling van het EAB, voor zover het betreft de verzochte overlevering voor het feit, waarop dossiernummer II K 893/02 betrekking heeft.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit, waarop - naar de rechtbank begrijpt - het in Polen gestarte strafrechtelijk onderzoek betrekking heeft (II K 993/02), aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De raadsman heeft bestreden dat het hier een dergelijk feit betreft. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Poolse autoriteiten ten onrechte in het EAB hebben aangegeven dat de verdenking ten aanzien van de opgeëiste persoon gekwalificeerd dient te worden als “corruptie”. Het standpunt van de verdediging is dat genoemde verdenking ex artikel 229 van het Poolse Wetboek van Strafrecht niet valt te brengen onder "corruptie", omdat die kwalificatie niet kan gelden voor personen die een ander tot corruptie bewegen, zoals hier het geval is. Daarmee is niet voldaan aan de kwalificatie van een zogenaamd lijstfeit ex artikel 7, eerste lid onder a, sub 1 van de OLW, zodat overlevering niet is toegestaan.

De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat de feiten die genoemd worden op de bij de OLW behorende bijlage 1 breder zijn dan alleen een kwalificatie. Onder het begrip "corruptie" vallen alle delicten die pogen de normale uitoefening en correcte werking van het publieke gezag aan te tasten, waaronder ook valt hetgeen de opgeëiste persoon wordt verweten.

De rechtbank verwerpt het verweer en volgt de officier van justitie in haar standpunt. De uitvoerende justitiële autoriteit toetst aan de hand van de feitsomschrijving in het EAB of de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat een bepaald feit valt onder een categorie van de lijst. De rechtbank is van oordeel dat, uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens, de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het hier een feit betreft waarvan de dubbele strafbaarheid niet behoeft te worden getoetst.

Het feit valt onder nummer 7 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

corruptie.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit.

Zijn raadsman heeft namens hem op dit punt onder meer het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon wordt ervan beschuldigd een gevangenisbewaarder te hebben willen omkopen en hem daartoe een bedrag van 100 zloty (omgerekend + € 21,-) te hebben aangeboden. De opgeëiste persoon spreekt echter geen woord Pools en volgens ingewonnen informatie bij de Poolse raadsman van de opgeëiste persoon, maakt de bewaarder in zijn rapport geen melding van ‘omkoping’ (‘bribery’), maar slechts van het overhandigen van geld door de opgeëiste persoon aan de bewaarder. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij door tussenkomst van de bewaarder het geld op zijn rekening in de gevangenis wilde laten zetten. Verder blijkt dat er van omkoping geen sprake kan zijn omdat de Poolse autoriteiten het geldbedrag op de rekening van de opgeëiste persoon hebben teruggestort. Tenslotte heeft de raadsman verwezen naar een verklaring van een medegedetineerde, inhoudende dat de opgeëiste persoon hem heeft uitgelegd dat het geld bestemd was voor zijn eigen gevangenisrekening en dat hij, de opgeëiste persoon, nimmer iemand om alcohol heeft gevraagd, aldus het verweer van de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Geen van de door de raadsman aangevoerde argumenten kan leiden tot de conclusie dat de opgeëiste persoon onschuldig is in de zin van artikel 26, vierde lid van de OLW. Dat de opgeëiste persoon het hem verweten feit onmogelijk gepleegd kan hebben, is door of namens de opgeëiste persoon geenszins aangetoond. Veeleer is sprake van een alternatieve lezing van de feiten. Een dergelijk verweer heeft betrekking op het bewijs en dient gevoerd te worden voor de Poolse rechter die inhoudelijk over de strafzaak zal oordelen en die – anders dan de Internationale Rechtshulpkamer – zal beschikken over het volledige dossier dat aan de strafzaak ten grondslag ligt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn beweerde onschuld tijdens het verhoor ter zitting niet heeft kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De Judge of the Provincial Court, II Penal Department, B. Malatyríska heeft bij brief

d.d. 16 juni 2009 de volgende garantie gegeven:

Refers: European Arrest Warrant of [opgeëiste persoon].

In accordance with the article 5 paragraph 3 of the European Frame Decision dated June 13, 2002 on the European Arrest Warrant, the Court provides for the possibility to guarantee handing over the person [opgeëiste persoon] to serve the penalty in the Netherlands due to his Dutch nationality, so he shall have the opportunity to execute the penalty in the Netherlands in case of passing of the condemning sentence. In order to do it, immediately after the valid and binding completion of the penal proceedings, he shall be handed over to serve his possible penalty in the Netherlands.

De President of the II Penal Department, Judge of the Provincial Court, M. Jarzebska, heeft bij brief d.d. 30 juni 2009 de volgende, aanvullende garantie gegeven:

Refers: European Arrest Warrant of [opgeëiste persoon].

The District Court deciding on admissibility of transfer shall undoubtedly take into account the provision 5 item 3 of the European Frame Decision of June 13, 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States.

When the execution of the penalty shall be transferred to the Netherlands – the application of the procedure of the penalty’s adaptation shall be admissible by virtue of the provisions of the article 11 of the above mentioned Convention on the Transfer of Sentenced Persons of March 21, 1983.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan. Ook het onder 4.1 bedoelde feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

Een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen, in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Verweer ex artikel 11 van de OLW

De raadsman heeft – kort samengevat – betoogd dat de opgeëiste persoon in Polen zal worden blootgesteld aan een flagrante schending van fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op een eerlijk proces en de uitoefening van effectieve verdedigingsrechten.

Ten eerste is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tegen deze schending staat onvoldoende ‘effective remedy’ in de zin van artikel 13 EVRM open, aldus de raadsman.

Ten tweede zal overlevering leiden tot de mogelijkheid dat de Poolse justitie alsnog de restantstraf van de twee, inmiddels onherroepelijk geworden verstekvonnissen ten uitvoer zal leggen. Op die manier zal de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid van de OLW worden omzeild.

Ten derde zal de opgeëiste persoon, indien hij zich na overlevering in voorlopige hechtenis in Polen zal bevinden, niet of onvoldoende gelegenheid worden geboden zijn verdediging voor te bereiden. Overlevering zou ook Nederland medeverantwoordelijk maken voor deze schending van de uitoefening van effectieve verdedigingsrechten.

Ten vierde heeft de raadsman er op gewezen dat de Poolse procesgang op gespannen voet staat met het EVRM. Ter onderbouwing heeft hij een hem op18 juni 2009 toegezonden verklaring overgelegd van een ex-collega van de opgeëiste persoon, die voor zover hier van belang luidt: “ik denk dat alle processen die er gevoerd zijn in deze zaken oneerlijk waren en er geen recht gesproken werd”.

Ten vijfde betwist de opgeëiste persoon de processuele gang van zaken zoals neergelegd in de “Bill of Indictment” van de Poolse aanklager, de heer [X].

Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht een ‘bagatelzaak’ betreft, gelet op het vermeend aangeboden geldsbedrag ter waarde van 100 zloty (€ 21,-). Overlevering is in dit geval niet proportioneel.

De officier van justitie heeft de door de raadsman aangevoerde punten bestreden en aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM en dat er bovendien, indien nodig, een effective remedy openstaat. De overige verweren zijn niet of onvoldoende onderbouwd, waardoor het beroep op de weigeringsgrond niet kan slagen.

De rechtbank verwerpt de verweren.

Een beroep op de weigeringsgrond van artikel 11 van de OLW kan slechts slagen in die gevallen waarin naar het oordeel van de rechtbank een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon, zoals gewaarborgd in het EVRM. Bovendien dient vast te staan dat tegen een dergelijke schending geen rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM meer kan worden aangewend.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een dergelijk verweer is het feit dat Polen partij is bij het EVRM en het individueel klachtrecht kent. De uitvoerende justitiële autoriteit gaat uit van het vertrouwen dat zij stelt in de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het naleven van de in het EVRM gewaarborgde rechten. In principe zullen dergelijke verweren dan ook gevoerd dienen te worden voor de Poolse rechtbank.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn stelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM zou zijn overschreden. Wat er ook zij van het feit dat de rechtbank, met de officier van justitie, constateert dat eerdere pogingen om de verblijfplaats van de opgeëiste persoon te achterhalen zijn mislukt omdat de opgeëiste persoon zich kennelijk voor de Poolse justitiële autoriteiten verborgen hield, het verweer dient gevoerd te worden voor de Poolse rechter die het dan in zijn oordeel zal betrekken. De jurisprudentie waarnaar de raadsman heeft verwezen is achterhaald sinds het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358 en de vervolgens in november 2008 gewezen uitspraken van deze rechtbank (LJN BG6622 en LJN BG6606).

De raadsman heeft zijn beroep op artikel 11 van de OLW tevens gebaseerd op een aantal andere stellingen. Een beroep op de weigeringsgrond van artikel 11 van de OLW vereist een zeer gedegen onderbouwing met concrete feiten en omstandigheden. De geponeerde stellingen voldoen niet aan dit vereiste. Een zeer algemeen gestelde mededeling over oneerlijke processen in een brief van een persoon die bij het feit dat de opgeëiste persoon verweten wordt, niet aanwezig is geweest, kan niet gelden als onderbouwing in de zin van dit artikel. De aannemelijkheid van de stelling dat de Poolse justitie met voorbijgaan aan de beslissing van deze rechtbank een aantal vonnissen ten uitvoer zal leggen, is evenmin voldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de opgeëiste persoon in Polen onvoldoende gelegenheid zal krijgen zijn verdediging voor te bereiden, waarbij de rechtbank voorts nog opmerkt dat de opgeëiste persoon thans reeds over rechtsbijstand in Polen beschikt.

Steeds geldt hier dat de opgeëiste persoon zijn stellingen dat Poolse justitiële autoriteiten de in het EVRM gewaarborgde rechten van de opgeëiste persoon niet zullen respecteren, op inadequate wijze heeft onderbouwd, zodat deze niet berusten op feiten en omstandigheden in de zin van artikel 11 van de OLW. Zoals reeds eerder is overwogen is het uitgangspunt het vertrouwen dat een lidstaat die partij is bij het EVRM de daaruit voortvloeiende rechten zal onderkennen. Er is onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat dit in onderhavig geval anders zal zijn.

Hetzelfde geldt voor de stelling dat er voor de opgeëiste persoon geen rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM voorhanden zou zijn. De opgeëiste persoon heeft grotendeels volstaan met de stelling dat hij die verwachting heeft.

Met betrekking tot de stelling dat het hier, gelet op de hoogte van het geldsbedrag, een bagatelzaak betreft, is de rechtbank van oordeel dat niet het in het geding zijnde geldbedrag maatgevend is voor de importantie van de strafzaak, maar het geschonden belang, zoals door de uitvaardigende justitiële autoriteit gepresenteerd in het EAB. Van een schending van het proportionaliteitsbeginsel is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

8. Humanitair verweer

De opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op humanitaire gronden om zijn overlevering niet te laten plaatsvinden. In een uitvoerig en emotioneel geladen betoog heeft hij uiteengezet hoe rampzalig een overlevering naar Polen en een daaropvolgende detentie voor hem en zijn gezin zou zijn.

De Overleveringswet biedt de rechtbank geen mogelijkheid om met een dergelijk betoog rekening te houden bij haar beslissing. Zij kan slechts verwijzen naar de ruimte die artikel 35, derde lid van de OLW biedt aan de officier van justitie wanneer sprake is van ernstige humanitaire redenen die aan de feitelijke overlevering in de weg staan. De officier van justitie is bij uitsluiting bevoegd om op dit punt een beslissing te nemen.

9. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

10. Toepasselijke wetsartikelen

artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge of the Provincial Court, delegated to the Regional Court in Bydgoszcz, III Penal Department, Bydgoszcz, Polen, ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge of the Provincial Court, delegated to the Regional Court in Bydgoszcz, III Penal Department, Bydgoszcz, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, opgelegd bij de beide vonnissen, gewezen door het Provincial Court te Inowroclaw II Penal Department en zijn gedateerd respectievelijk 22 oktober 2004 en 19 december 2005 (dossiernummers II K 568/02 en II K 1276/02).

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. P.H.A. Knol en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juli 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]