Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4746

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
426224 / HA ZA 09-1362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In dit incidentele vonnis van de meervoudige kamer is afgewezen de vordering van de Stichting FortisEffect en anderen om de Staat der Nederlanden voor de verdere duur van de bodemzaak te verbieden om zonder voorafgaande toestemming van Fortis N.V. de aandelen in Fortis Verzekeringen Nederland N.V. en Fortis Corporate Insurance N.V. te vervreemden, stemrecht op die aandelen uit te oefenen, bestuursdaden te verrichten, etc. Ook het door de Stichting FortisEffect gevorderde voorschot op haar schade is afgewezen. De eisers zijn veroordeeld in de kosten van het incident. De bodemzaak staat nu op de rol van 16 september 2009 voor conclusie van antwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Meervoudige civiele kamer

zaaknummer / rolnummer: 426224 / HA ZA 09-1362

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING FORTISEFFECT,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VALUAS SECURITIES B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser 6],

wonende te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. A.J. de Gier,

tegen

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN, meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,

zetelend te 's-Gravenhage,

advocaat mr. A.R.J. Croiset van Uchelen,

2. DE BELGISCHE STAAT,

zetelend te Brussel (België),

advocaat mr. G.C. Endedijk,

3. de vennootschap naar Belgisch recht

FEDERALE PARTICIPATIE- EN INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Brussel (België),

advocaat mr. D.M. de Knijff,

4. de naamloze vennootschap

FORTIS N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat mr. H.J. de Kluiver,

5. de naamloze vennootschap

FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

advocaat mr. I. Wassenaar,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident.

Partijen zullen hierna gezamenlijk de Stichting c.s. respectievelijk de Staat c.s. worden genoemd, en afzonderlijk de Stichting, Valuas, [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 6], de Staat, de Belgische Staat, FPIM, Fortis NV en Fortis Nederland.

1. De procedure

in de hoofdzaak en in het incident

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties,

- de akte vermindering eis in incident,

- de incidentele conclusie van antwoord aan de zijde van de Staat,

- de akte vordering proceskosten aan de zijde van de Belgische Staat,

- de akte uitlating intrekking provisionele eis aan de zijde van FPIM,

- de akte aan de zijde van Fortis Nederland.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling

in het incident

2.1. De Stichting c.s. vordert, na eiswijziging, dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, in dier voege dat de Staat wordt verboden om, tenzij (en voor zover) hij daartoe van Fortis N.V. vooraf toestemming heeft verkregen:

1. de aandelen in (a) Fortis Verzekeringen Nederland N.V. en (b) Fortis Corporate Insurance N.V., dan wel de activiteiten en activa en passiva van die vennootschappen, te vervreemden, te bezwaren met een beperkt recht en/of een daartoe strekkende verplichting aan te gaan,

2. het stemrecht op de aandelen in de onder (a) en (b) genoemde vennootschappen uit te oefenen,

3. bestuursdaden te verrichten en bestuurders en personeel te ontslaan en/of te benoemen,

4. met een dwangsom van EUR 250.000.000,- voor iedere keer dat hij enig deel van dit vonnis geheel of gedeeltelijk overtreedt, te vermeerderen met een dwangsom van EUR 25.000.000,- voor iedere dag dat de overtreding of de daardoor veroorzaakte situatie voortduurt,

5. en met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

De Stichting en Valuas vorderen onder 6 de Staat te veroordelen tot betaling aan hen van EUR 1.000.000,- bij wijze van voorschot op hun vorderingen, met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2009, en met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2. De Staat c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3. Voor zover het gevorderde onder 1 tot en met 4 Fortis Corporate Insurance N.V. betreft, is het niet toewijsbaar, nu als onweersproken vast staat dat de Staat de aandelen in Fortis Corporate Insurance N.V. op 2 juni 2009 heeft verkocht.

2.4. Ook voor het overige is het gevorderde onder 1 tot en met 4 niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat Fortis NV, één van de gedaagden, bereid is om haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de gevorderde voorzieningen. Evenmin wordt gevorderd Fortis NV daartoe te veroordelen. Verder heeft de Stichting c.s. niets naar voren gebracht over de procedurevoorschriften waarmee bij uitvoering van de gevorderde voorzieningen de goede bedrijfsvoering van de vennootschap kan worden gewaarborgd, of over verklaringen van geen bezwaar, die bij uitvoering van de gevorderde voorzieningen vereist kunnen zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht. De gevorderde voorzieningen onder 1, 2 en 3 zijn daarmee niet reëel en zullen in de praktijk onuitvoerbaar zijn. Alleen om die redenen kan van toewijzing al geen sprake zijn.

2.5. Met betrekking tot het onder 1 tot en met 6 gevorderde geldt het volgende.

De Staat voert aan dat hij bij uitvoering van de gevorderde voorzieningen omvangrijke schade zal kunnen lijden, nu hij daardoor in ernstige mate in zijn handelingsvrijheid zal worden beperkt, terwijl deze schade niet zal kunnen worden verhaald op de Stichting c.s. De Staat beroept zich daarmee op een verhaals- en restitutierisico. De Stichting c.s. heeft hiertegenover niets ingebracht.

Bij deze stand van zaken is er een gerede kans dat de Staat bij uitvoering van de gevorderde voorzieningen de door hem aangevoerde schade zal lijden, dat hij, indien hij in de hoofdzaak in het gelijk wordt gesteld, jegens de Stichting c.s. aanspraak zal kunnen maken op vergoeding van deze schade en dat de Stichting c.s. die vergoeding niet zal kunnen betalen en daarvoor geen verhaal zal bieden.

Het gevorderde onder 1 tot en met 6 is (ook) om deze redenen niet toewijsbaar.

2.6. Daar komt met betrekking tot het onder 6 gevorderde voorschot bij, dat de Stichting op grond van artikel 3:305a lid 3 slot van het Burgerlijk Wetboek geen rechtsvordering kan instellen tot voldoening van schadevergoeding in geld, en dat het in strijd met de goede procesorde is dat Valuas na eiswijziging dit voorschot eist, terwijl in het geheel niet is toegelicht op welke gronden zij op dit punt naast de Stichting als eiseres wil gaan optreden.

Verder geldt dat een afweging van de materiële belangen van partijen het gevorderde voorschot niet rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval indien de proceskansen van de eisende partij rooskleurig zijn en de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Hiervan is in dit geval geen sprake. De door de Stichting en Valuas gestelde schade kan in dit stadium zelfs niet bij benadering worden vastgesteld.

2.7. Tot slot zijn (voorshands terecht) vraagtekens gezet bij de ontvankelijkheid van de Stichting c.s. Dit geldt allereerst met betrekking tot de cessies waarop de Stichting en Valuas zich beroepen. Ook is in dit stadium niet komen vast te staan dat de Stichting voldoet aan de eisen die in artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek worden gesteld aan haar bevoegdheid tot instelling van een rechtsvordering. Voor de particuliere eisers geldt dat nog niet vast staat dat zij aandeelhouder zijn of zijn geweest van Fortis, en zo ja van hoeveel aandelen. Het debat tussen partijen op al deze punten heeft nog niet plaatsgevonden en op de beslissingen daarover kan in dit stadium niet vooruit worden gelopen.

2.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde in al zijn onderdelen zal worden afgewezen.

2.9. De Stichting c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.

De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op EUR 3.211,- (1 punt × tarief EUR 3.211,00). Hierbij is de buitengewone omvang en complexiteit van het incident van belang. De behandeling van het incident vergt een grondige bestudering van de 77 bladzijdes tellende dagvaarding met de 53 daarbij overgelegde producties.

2.10. De vrijdag vóór de roldag van 10 juni 2009 heeft de Stichting c.s. voor het eerst bericht dat zij haar eis verminderde, in die zin dat zij de incidentele vorderingen tegen de overige gedaagden niet langer handhaafde.

Die strekten onder meer tot betaling aan de Stichting van een voorschot van

EUR 2.500.000,-. Daarmee heeft de Stichting c.s. nodeloos kosten veroorzaakt bij die overige gedaagden, die hun conclusies van antwoord in het incident op dat moment (bijna) gereed moesten hebben. De omvang en complexiteit van het incident en de hoogte van het gevorderde bedrag zijn aanleiding ook hier tarief VIII te hanteren.

De door Fortis Nederland gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

in de hoofdzaak

2.11. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 16 september 2009 voor conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt de Stichting c.s. in de proceskosten aan de zijde van de Staat, tot op heden begroot op EUR 3.211,00,

3.3. veroordeelt de Stichting c.s. hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van de Belgische Staat, des dat de één betalende de ander bevrijd zal zijn, tot op heden begroot op EUR 3.211,00,

3.4. veroordeelt de Stichting c.s. hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van FPIM, des dat de één betalende de ander bevrijd zal zijn, tot op heden begroot op

EUR 3.211,00,

3.5. veroordeelt de Stichting c.s. in de proceskosten aan de zijde van Fortis NV, tot op heden begroot op EUR 3.211,00,

3.6. veroordeelt de Stichting c.s. in de proceskosten aan de zijde van Fortis Nederland, tot op heden begroot op EUR 3.211,00, vermeerderd met de na dit vonnis ontstane kosten, tot op heden begroot op EUR 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.7. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 3.2 en 3.6 hiervoor uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.8. verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2009 voor conclusie van antwoord aan de zijde van alle gedaagden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzitter, en mrs. S.P. Pompe en

L.S. Frakes, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2009.?