Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4219

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
AWB 08-4915 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Motiveringsvernietiging. Zonder een adequate rolstoel kan de verstrekte voorziening niet als een voldoende compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo worden beschouwd, omdat eiseres zonder die rolstoel niet van het rolstoelvervoer gebruik kan maken. Verweerder heeft voorts niet gemotiveerd om welke reden de meerkosten van de individuele rolstoeltaxi zijn vastgesteld ten opzichte van de kosten van taxivervoer en niet ten opzichte van de kosten van vervoer per eigen auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/4915 WMO

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.F. Vermaat,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.P.E. de Zwart.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 14 maart 2008 meegedeeld dat eiseres is geïndiceerd voor individueel rolstoeltaxivervoer. Mede gelet op de hoogte van haar inkomen is aan eiseres een vervoerskostenvergoeding toegekend. De aanvraag voor een vergoeding van de meerkosten van de aanschaf en aanpassingskosten van een auto heeft verweerder afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 19 mei 2009. Eiseres is in persoon verschenen bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Achtergrond van het geding

2.1.1. Eiseres is een 64-jarige vrouw die als gevolg van een aangeboren aandoening aan het ruggenmerg lijdt aan een hoge dwarslaesie. Eiseres heeft op 16 mei 2007 een aanvraag ingediend voor vergoeding van de meerkosten en aanpassingskosten van een nieuw aan te schaffen auto, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo). Bij besluit van 14 maart 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en beslist dat eiseres in aanmerking komt voor individueel rolstoeltaxivervoer. Mede gelet op de hoogte van het inkomen van eiseres heeft verweerder een vervoerskostenvergoeding toegekend, ter hoogte van de meerkosten van een rolstoeltaxivergoeding ten opzichte van een reguliere taxivergoeding ad € 672,55. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

2.1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft de hoogte van de aan eiseres toegekende vervoerskostenvergoeding van de meerkosten van binnenregionaal rolstoeltaxivervoer aangepast en een vergoeding van

€ 1901,- toegekend. De afwijzing van de vergoeding van de autokosten heeft verweerder gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2006 gemeente Amstelveen (hierna: Vmo) geldt dat het primaat ligt bij het collectief vervoer. Uit de voorliggende adviezen van deskundigen is verweerder niet gebleken dat eiseres van het collectief vervoer geen gebruik zou kunnen maken.

2.1.3. Eiseres heeft zich in beroep gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd.

Eiseres heeft ten eerste aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een tweede deskundigenadvies is gevraagd en het eerste advies van mevrouw Hobbelt-Stoker van Argonaut BV van 6 juli 2007 (hierna: advies 1) niet is opgevolgd. De overweging van verweerder dat uit het eerste advies onvoldoende blijkt dat het beleid is meegewogen, laat zich volgens eiseres moeilijk begrijpen. Het is niet aan het adviesorgaan om de bevindingen al te toetsen aan het beleid. Verder heeft verweerder verzuimd aan eiseres te melden dat nog een nader advies zou worden gevraagd. Dit acht eiseres onzorgvuldig, te meer omdat zij op basis van het eerste advies in de veronderstelling verkeerde dat de aanpassingen zouden worden vergoed en daar ook naar heeft gehandeld. Eiseres doet daarom een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij wijst daarbij tevens op het antwoord dat een medewerker van verweerder haar per e-mail heeft gegeven op de vraag of zij de gewenste auto vast kon bestellen. Het tweede advies van de heer Biersteker van Argonaut BV van 30 januari 2008 (hierna: advies 2) gaat naar de mening van eiseres in grote mate uit van de uitgangspunten van het beleid. Verweerder vergeet echter dat de Wmo een ander toetsingskader kent dan de Wet voorzieningen gehandicapten. Onder de Wmo moeten ook de psychosociale problematiek, de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager bij de besluitvorming worden betrokken. Het uitgangspunt van verweerder om uit te gaan van de goedkoopst adequate oplossing past niet zonder meer in dit toetsingskader en vereist nadere motivering. Deze ontbreekt naar de mening van eiseres. Eiseres stelt verder dat uit het laatste advies van mevrouw Koning - Van den Berg van Saparoea van Trompetter & Van Eeden van 27 juni 2008 (hierna: advies 3) blijkt dat een rolstoeltaxi in combinatie met een elektrische rolstoel een oplossing kan zijn. De kosten van een nieuwe, elektrische rolstoel hadden door verweerder bij de oordeelsvorming moeten worden betrokken. Tenslotte pleit eiseres voor vergoeding van de volledige kosten van rolstoelvervoer in plaats van slechts de meerkosten ten opzichte van de gewone taxi.

2.2. Wettelijk kader

2.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wmo – voor zover hier van belang – wordt in de Wmo verstaan onder maatschappelijke ondersteuning:

5° het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6° het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

2.2.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Op grond van het tweede lid van dit artikel houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

2.2.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoongebonden budget.

2.2.4. Ingevolge artikel 19 van de Wmo kan de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

2.2.5. Op grond van artikel 2 van de Vmo kan een voorziening slechts worden toegekend voorzover:

a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;

b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.

2.2.6. Op grond van artikel 21 van de Vmo kan de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening

bestaan uit:

a. een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;

b. een vervoersvoorziening in natura;

c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.

2.2.7. Op grond van artikel 22 van de Vmo kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet voor de in artikel 21 onder a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek:

a. het gebruik van het openbaar vervoer of

b. het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.

2.2.8. Op grond van artikel 23 van de Vmo kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet voor de in artikel 21, onder b en c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:

a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a, onmogelijk maken dan wel

b. een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a, niet aanwezig is.

2.2.9. Ingevolge artikel 24 van de Vmo wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Amstelveen voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen, zodat een auto en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding.

2.2.10. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Vmo wordt bij de te verstrekken vervoersvoorziening ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve

van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel zal de te verstrekken vervoersvoorziening maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken.

2.2.11. Op grond van artikel 18, aanhef en onder a, van de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning 2006 gemeente Amstelveen (hierna: Beleidsregels) – voor zover hier van belang – wordt bij een inkomen hoger dan 1,5 maal het norminkomen de klant geacht zelf de kosten van vervoer te kunnen dragen, tenzij er een indicatie is voor een individuele rolstoeltaxi. In dat geval worden de meerkosten van de individuele rolstoeltaxi ten opzichte van de kosten voor eigen vervoer per auto of taxi wel vergoed.

2.3. Ten aanzien van het geschil

2.3.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder met de toekenning van een vergoeding van de meerkosten van rolstoeltaxivervoer de beperkingen die eiseres ondervindt in haar zelfredzaamheid bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan, rekening houdend met haar persoonskenmerken en behoeften, heeft gecompenseerd als bedoeld in artikel 4 van de Wmo.

2.3.2. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn besluitvorming een drietal deskundigenadviezen gevraagd en verkregen. In tegenstelling tot hetgeen eiseres heeft betoogd stond het verweerder naar het oordeel van de rechtbank vrij om in aanvulling op het eerste advies een nieuw advies te vragen, nu in het eerste advies naar de mening van verweerder onvoldoende is ingegaan op de vraag of eiseres kon deelnemen aan het rolstoeltaxivervoer en daarmee, zo begrijpt de rechtbank, de vraag welke voorziening als goedkoopst adequaat kon worden aangemerkt, onvoldoende kon worden beantwoord. De rechtbank acht deze motivering voldoende om een tweede deskundige in te schakelen. Dat verweerder pas enige tijd na het uitbrengen van het eerste advies om een tweede advies heeft gevraagd en eiseres daar niet voorafgaand van op de hoogte heeft gesteld acht de rechtbank onzorgvuldig jegens eiseres. De rechtbank ziet in deze onzorgvuldigheid echter geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit, mede gelet op hetgeen hierna in 2.3.3 wordt overwogen.

2.3.3. Met betrekking tot het beroep dat eiseres doet op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet sprake zijn van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de zijde van het bevoegde orgaan, wil een beroep op het vertrouwensbeginsel in rechte kunnen worden gehonoreerd. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval van een dergelijke toezegging geen sprake. Het e-mail bericht van mevrouw [naam 1] van 13 december 2007 waarop eiseres doelt, kan niet als zodanig worden gekwalificeerd nu daaruit niet ondubbelzinnig blijkt dat de gevraagde vergoeding zal worden toegekend. De omstandigheid dat eiseres mede op basis van het eerste deskundigenadvies in de veronderstelling verkeerde dat de aanpassingen zouden worden vergoed, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, aangezien er nog steeds geen sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging.

2.3.4. Verweerder heeft de bestreden besluitvorming gebaseerd op de drie verkregen deskundigenadviezen, met name op het laatste advies. De adviezen behelzen – kort samengevat – het volgende.

Advies 1 indiceert een vervoersvoorziening in de vorm van aanpassing van de auto, omdat eiseres geen gebruik kan maken van het regiovervoer en valys aangezien zij incontinent is voor urine en ontlasting. Tevens heeft zij toenemend osteoporose waardoor zij snel fracturen krijgt als zij getild moet worden. Ook heeft zij bij lagere buitentemperaturen door de slechte bloedsomloop in haar benen moeite met het op peil houden van de temperatuur in haar benen. De participatieproblemen van eiseres met betrekking tot het vervoer bestaan op het gebied van tussenmenselijke interacties en relaties (zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen), bezoek aan familieleden en bekenden, behoud zelfstandigheid, recreatie, vrijwilligerswerk en bezoek aan de specialist.

Blijkens advies 2 is vervoer middels een individuele rolstoeltaxi mogelijk voor die plekken van vervoer die binnen de termijn van 1 à 1,5 uur te bereiken zijn. Buiten wachten op de taxi is gezien de weersgevoeligheid van de aandoening niet mogelijk zodat er bij deze individuele voorziening ook een voorkeur en vaste tijdshantering van de chauffeur nodig is.

De langere afstanden zijn niet met de individuele rolstoeltaxi in te vullen omdat dit de noodzaak van het meenemen en gebruiken van een chemisch toilet met zich mee brengt.

Na ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres heeft verweerder nogmaals om advies gevraagd. Blijkens advies 3 is er geen contra-indicatie voor het gebruik van collectief (rolstoeltaxi) vervoer, mits eiseres in een adequate rolstoel wordt vervoerd, individueel wordt vervoerd en in ongunstige weersomstandigheden gebruik kan maken van deur tot deur begeleiding.

2.3.5. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de laatste twee adviezen genoegzaam dat eiseres in staat moet worden geacht middels een individuele rolstoeltaxi te worden vervoerd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat de medische onderzoeken door de artsen die deze adviezen hebben opgesteld onzorgvuldig zouden zijn geweest. De rapporten zijn voorts goed gemotiveerd. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de bevindingen en de daarop gebaseerde conclusies van de artsen mogelijk onjuist zouden zijn. De rechtbank is voorts niet gebleken dat deze voorziening als onvoldoende compensatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo moet worden beschouwd, mits is voldaan aan de door de deskundigen gestelde additionele eisen van vervoer. Tot die vereisten behoort dat eiseres moet worden vervoerd in een adequate rolstoel. Uit advies 3 blijkt dat als een adequate rolstoel moet worden beschouwd: een rolstoel met elektrische aandrijving, extra rugondersteuning en een goede zijdelingse stabiliteit. Voor het rolstoelvervoer dient eiseres volgens deze deskundige te beschikken over een adequate rolstoel waarbij tevens een hoofdsteun en rompfixatie is aangebracht.

2.3.6. Niet in geschil is dat eiseres op dit moment niet beschikt over een adequate rolstoel als in overweging 2.3.5. is bedoeld. Verweerder heeft de indicatie voor een dergelijke rolstoel in het bestreden besluit ook niet overgenomen, zodat aan eiseres een dergelijke rolstoel niet is toegekend. Gelet op het advies 3 kan zonder een dergelijke rolstoel de verstrekte voorziening naar het oordeel van de rechtbank echter niet als een voldoende compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo worden beschouwd, omdat eiseres zonder die rolstoel niet van het rolstoelvervoer gebruik kan maken. Het bestreden besluit ontbeert naar het oordeel van de rechtbank dan ook een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit zal om die reden worden vernietigd.

2.3.7. Nu het bestreden besluit wordt vernietigd zal verweerder met inachtneming van deze uitspraak de bezwaren van eiseres dienen te heroverwegen. Daarbij zal verweerder nog het volgende moeten betrekken. Eiseres wenste de voorziening niet in natura maar in de vorm van een persoonsgebonden budget te ontvangen. Aldus moet in heroverweging aan de orde komen de vraag of aanleiding bestaat om, naast de in het bestreden besluit geboden voorziening, ook tot een persoonsgebonden budget voor de kosten van bedoelde rolstoel te besluiten en zo ja, of dat persoonsgebonden budget voor de adequate rolstoel in samenhang met de in het bestreden besluit geboden voorziening, goedkoper is dan de voorziening zoals deze eiseres voor ogen stond. Daarbij dient verweerder ook te bezien of een tillift noodzakelijk is voor het vervoer van eiseres en of er aanleiding bestaat de eventuele kosten van een dergelijke lift, eveneens bij de heroverweging te betrekken.

2.3.8. De rechtbank constateert verder dat verweerder de meerkosten van de individuele rolstoeltaxi heeft vastgesteld ten opzichte van de kosten van taxivervoer en niet ten opzichte van de kosten van vervoer per eigen auto. Nu voor deze keuze noch in verweerders besluit, noch in verweerders Beleidregels een motivering is terug te vinden en verweerder desgevraagd ook ter zitting geen motivering voor deze keuze kon geven, ontbeert het bestreden besluit ook op dit punt een deugdelijke motivering en kan het niet in stand blijven. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat haar vooralsnog niet is gebleken van een redelijke grond voor een beleid om bij een bepaald norminkomen de hoogte van de vervoerskostenvergoeding voor een rolstoeltaxi te beperken tot de meerkosten van een rolstoeltaxi afgezet tegen het gebruik van een taxi in plaats van een personenauto.

2.3.9. Gelet op het vorenstaande zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van eiseres, welke zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht met betrekking tot het beroep te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Amstelveen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad

€ 143,- (zegge: honderd drieënveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amstelveen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mrs. B.E. Mildner en

C.G. Meeder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Leijen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2009.

de griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en een bestuursorgaan binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB