Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ3927

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
AWB 06-5726 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn rechterlijke fase aan te rekenen aan bestuursorgaan. Behandeling driemaal geschorst omdat bestuursorgaan aangaf een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/5726 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.H. Lo Fo Sang.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 21 augustus 2006 de uitkering van eiser over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 herzien en de over deze periode onverschuldigd betaalde bijstand van in totaal € 9.509,13 teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 november 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser voor zover dat is gericht tegen de herziening en intrekking ongegrond verklaard en voor zover het is gericht tegen de hoogte van het terugvorderings- en aflossingsbedrag gegrond verklaard, het terug te vorderen bedrag vastgesteld op in totaal € 6.149,65 bruto en het aflossingsbedrag op € 69,49 per maand.

Eiser heeft tegen het besluit van 23 november 2006 beroep ingesteld (hierna: bestreden besluit I).

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2008. Eiser is daar – met kennisgeving – niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat verweerder heeft aangegeven dat er een nieuw besluit op bezwaar zal worden genomen.

De rechtbank heeft de behandeling van het onderzoek ter zitting hervat op 12 september 2008. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is – zonder kennisgeving – niet verschenen. Ter zitting is gebleken dat verweerder bij besluit van 26 augustus 2008 het bestreden besluit I heeft herzien. Eiser heeft ter zitting een kopie van het besluit van 26 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit II) overgelegd en gesteld dat met dit besluit niet aan zijn bezwaren is tegemoet gekomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting wederom geschorst en de behandeling van het onderzoek ter zitting op 29 september 2008 hervat. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die op zitting naar voren heeft gebracht dat er wederom een nieuw besluit op bezwaar zal worden genomen. In overleg met eiser heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting wederom geschorst.

Bij besluit van 7 april 2009 (hierna: bestreden besluit III) heeft verweerder het besluit van 26 augustus 2008 (bestreden besluit II) herzien en het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij bestreden besluit III een bedrag van in totaal € 4.544,23 netto teruggevorderd.

Ter zitting van 26 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek hervat en gesloten. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij bestreden besluit III de eerder genomen besluiten op bezwaar, zijnde de bestreden besluiten I en II, heeft ingetrokken en een nieuw besluit op het bezwaar van eiser heeft genomen. Nu bestreden besluit III niet volledig tegemoet komt aan het bezwaar van eiser acht de rechtbank het beroep van eiser op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede gericht tegen bestreden besluit III.

Nu verweerder bij bestreden besluit III een nieuw besluit heeft genomen dat in de plaats is gekomen van de bestreden besluiten I en II, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van laatstgenoemde besluiten. Het beroep voor zover dat is gericht tegen de bestreden besluiten I en II zal daarom, vanwege het ontbreken van procesbelang, niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2. In bestreden besluit III heeft verweerder het volgende overwogen. Eiser is sinds 2 december 2003 gehuwd met mevrouw [persoon 1] (hierna: [persoon 1]). Hoewel eiser dit feit en de inkomsten van [persoon 1] aan verweerder heeft meegedeeld, is eisers uitkering destijds ongewijzigd voortgezet. Gelet op de gemeentelijke basisadministratie (GBA), het inlichtingenformulier van [persoon 1] en de huurovereenkomst tussen [persoon 1] en eiser enerzijds en woningbouwvereniging Rochdale anderzijds, stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser in ieder geval sinds 1 oktober 2004 samenwoont met [persoon 1]. Verweerder heeft destijds besloten om de uitkering van eiser ongewijzigd voort te zetten, omdat [persoon 1] een inkomen uit studiefinanciering heeft en daardoor geen recht heeft op bijstand. Na het afstuderen van [persoon 1] heeft verweerder besloten eisers bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande om te zetten naar de norm voor een gezin. Bij besluit van 30 november 2005 is eisers bijstandsuitkering beëindigd, omdat hij inkomen had boven de bijstandsnorm. Op 7 maart 2006 is gebleken dat [persoon 1] sinds 26 augustus 2004 een Wajonguitkering ontving.

Verweerder stelt dat sinds de voltrekking van het huwelijk op 2 december 2003 niet van belang is wanneer eiser en [persoon 1] zijn gaan samenwonen, maar dat moet worden vastgesteld of er sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. Volgens verweerder is hiervan geen sprake, omdat niet kan worden gezegd dat in het geval van eiser sprake is van een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Nu geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, hebben eiser en [persoon 1] sinds 2 december 2003 recht op een uitkering naar de norm van een gezin. Daarbij moet rekening gehouden worden met de inkomsten van [persoon 1] uit studiefinanciering en met haar Wajonguitkering. Verweerder herziet de uitkering van eiser over de periode 2 december 2003 tot en met 30 november 2005.

Nu eiser de inlichtingenplicht ten aanzien van zijn huwelijk en de studiefinanciering van [persoon 1] niet heeft geschonden, is de terugvorderingsperiode voor zover beperkt tot zes maanden. De tengevolge van de met terugwerkende kracht ontvangen Wajonguitkering teveel betaalde bijstandsuitkering wordt door verweerder wel in zijn geheel teruggevorderd. Gelet hierop bedraagt de teveel verstrekte bijstand over voornoemde periode € 8.763,28. Verweerder heeft dit bedrag gematigd tot een bedrag van in totaal € 4.544,23 netto, omdat verweerder hiervan al bij bestreden besluit I (besluit op bezwaar van 23 november 2006) is uitgegaan en bij bestreden besluit III niet tot een hoger terugvorderingsbedrag wil besluiten. Verweerder ziet geen aanleiding om in afwijking van het beleid of vanwege dringende redenen af te zien van terugvordering

2.3. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn uitkering heeft herzien en teruggevorderd. Eiser stelt dat hij altijd overal mededeling van heeft gedaan bij verweerder. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de Marokkaanse huwelijksakte. Hij is destijds alleen voor de Nederlandse wet getrouwd, omdat dit verplicht is alvorens voor de Marokkaanse wet te trouwen. Eiser vindt dat hij pas als gehuwd kan worden aangemerkt met ingang van de datum van de Marokkaanse trouwakte. Bovendien stelt eiser dat hij pas na voltrekking van het Marokkaanse huwelijk is gaan samenwonen met [persoon 1]. Wel hadden zij zich samen ingeschreven bij het GBA en de woningbouwvereniging, omdat zij anders niet in aanmerking zouden komen voor een driekamerwoning. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte de met terugwerkende kracht aan [persoon 1] toegekende Wajonguitkering in de herziening en terugvordering betrokken.

Eiser stelt voorts dat de lengte van de onderhavige procedure en de verschillende door verweerder genomen besluiten hangende de rechterlijke procedure het gevolg zijn van door verweerder gemaakte fouten en dat dit een grote impact heeft op het leven van eiser en [persoon 1]. Eiser spreekt de wens uit dat er aan deze procedure nu eindelijk een einde komt.

2.4.1. In geschil is onder meer de vraag of verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser en [persoon 1] vanaf 2 december 2003 recht hebben op een bijstandsuitkering naar de norm van een gezin.

2.4.2. Vast staat dat eiser en [persoon 1] op grond van de Nederlandse wet op 2 december 2003 met elkaar in het huwelijk zijn getreden. Als gevolg van dit huwelijk hebben eiser en [persoon 1] ingevolge artikel 3 van de WWB in beginsel recht op gezinsbijstand. Het feit dat het Marrokaanse huwelijk op een later tijdstip heeft plaats gevonden doet daar niet aan af.

2.4.3. Voorts is de rechtbank van oordeel dat van duurzaam gescheiden leven als

bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB geen sprake is. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser en [persoon 1] altijd de intentie hebben gehad om, na sluiting van het Marrokaanse huwelijk, met elkaar te gaan samenleven, wat zij bovendien hebben gedaan. Voorts heeft eiser op zitting naar voren gebracht dat zij overdag bij elkaar verbleven, en, vanwege omstandigheden in de privésfeer, ‘s avonds en ‘s nachts niet bij elkaar verbleven. Onder deze omstandigheden kan, mede gelet op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld CRvB 22 april 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer BD0844 en CRvB 19 maart 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer AO6231), niet van duurzaam gescheiden leven worden gesproken. Dit leidt tot de slotsom dat eiser vanaf 2 december 2003 niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt. Verweerder heeft derhalve op goede gronden overwogen dat eiser vanaf 2 december 2003 recht heeft op gezinsbijstand.

2.5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder bij de herziening en terugvordering ten onrechte met de Wajonguitkering van [persoon 1] heeft rekening. Niet in geschil is dat [persoon 1] een Wajonguitkering heeft ontvangen met terugwerkende kracht vanaf 26 augustus 2004. Nu eiser vanaf 2 december 2003 recht heeft gezinsbijstand, vanwege zijn huwelijk met [persoon 1], heeft verweerder op goede gronden bij de herziening en de terugvordering met de Wajonguitkering van [persoon 1] rekening gehouden.

2.6. De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht door eiser. Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan verweerder de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Derhalve kan ook wanneer geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht tot herziening en terugvordering worden overgegaan.

2.7. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot herziening en terugvordering. Het feit dat verweerder heeft erkend dat bestreden besluit I en II wat betreft de motivering van de herziening en de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet juist zijn, heeft niet tot gevolg dat verweerder bij bestreden besluit III in redelijkheid niet meer tot herziening en terugvordering kon overgaan. (vgl. CRvB 1 maart 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer AT1551). Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering gebruik had kunnen maken.

2.8. Gelet op de bovenstaande overwegingen is het beroep van eiser in zoverre ongegrond.

2.9.1. Eiser heeft aangevoerd dat de onderhavige procedure onredelijk lang heeft geduurd vanwege fouten van verweerder en het hangende de rechterlijke procedure door verweerder nemen van bestreden besluiten II en III. De rechtbank heeft eisers beroepsgronden aangevuld in de zin dat eiser een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en in dit verband heeft verzocht om immateriële schadevergoeding. De rechtbank overweegt hierover verder als volgt.

2.9.2. Met verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer BH1009) komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking als de redelijke termijn voor bezwaar en beroep gezamenlijk de duur van twee jaar heeft overschreden. Hiervan is in de onderhavige procedure sprake. In dit geval heeft eiser op 27 augustus 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder en zal deze uitspraak door de rechtbank in het openbaar worden uitgesproken op 3 juli 2009. In totaal is derhalve sprake van een termijn van meer dan 2 jaar.

2.9.3. Aangezien eiser op 27 augustus 2006 bezwaar heeft gemaakt en bestreden besluit I op 23 november 2006 is genomen, kan worden vastgesteld dat de bezwaarfase in totaal 3 maanden heeft geduurd.

2.9.4. Het beroep is bij de rechtbank ingesteld op 28 november 2006, terwijl deze uitspraak door de rechtbank in het openbaar zal worden uitgesproken op 3 juli 2009. Nu de beroepsprocedure in totaal 2 jaar en 7 maanden (31 maanden) heeft geduurd, is sprake van overschrijding van de termijn van 1 jaar en 6 maanden (18 maanden) die voor de procedure bij de rechtbank in voormelde uitspraak van de CRvB is bepaald.

2.9.5. Met verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 12 maart 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer BH7955) is de rechtbank van oordeel dat een groot deel van de overschijding in de rechterlijke procedure dient te worden toegerekend aan verweerder. Verweerder heeft op de eerste zitting van 15 februari 2008 te kennen gegeven bestreden besluit I niet te zullen handhaven en een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen. Op de derde zitting van 29 september 2008 heeft verweerder te kennen gegeven bestreden besluit II niet te zullen handhaven en wederom een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen. Uiteindelijk heeft verweerder op 7 april 2009 bestreden besluit III genomen. Dit betekent dat het bestuurlijk aandeel ten aanzien van overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase is vast te stellen op 14 maanden.

2.9.6. Het voorgaande heeft tot gevolg dat geen sprake is van een rechterlijk aandeel in overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege het bestuurlijk aandeel van 14 maanden in de rechterlijke fase, worden slechts 17 maanden (31 - 14) aan de rechtbank toegerekend. Hiermee blijft de rechtbank binnen de door de CRvB bepaalde termijn van 18 maanden.

2.9.7. Ingevolge voornoemde jurisprudentie geldt voor het bestuursorgaan een redelijke termijn van 6 maanden. De rechtbank stelt het bestuurlijk aandeel vast op in totaal 17 maanden (14 + 3).

2.9.8. De overschrijding van de redelijke termijn leidt ingevolge genoemde jurisprudentie tot een recht op schadevergoeding van € 500 per half jaar. Nu voor de berekening van de schadevergoeding aan verweerder in totaal 8 maanden moeten werden toegerekend (14 maanden minus de toegestane 6 maanden), stelt de rechtbank de schadevergoeding vast op in totaal € 1.000. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van dit bedrag aan eiser.

2.9.9. Bij gebreke van een wettelijke voorziening dan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb, is de rechtbank gehouden om, teneinde schadevergoeding toe te kunnen kennen, het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Aangezien verweerder, gelet op wat de rechtbank onder 2.2 tot en met 2.8 heeft overwogen, op goede gronden tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.

2.9.10. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit III (het besluit van 7 april 2009) gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 april 2009 geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade ad € 1.000 (zegge: duizend euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiser;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiser betaalde griffierecht van € 38 (zegge: achtendertig euro) aan hem vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Speksnijder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B