Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ3200

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
429307 / KG RK 09-2312 en 429338 / FA RK 09-4128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Huisverbod naar aanleiding van mishandeling. Incident onder invloed van alcohol. Geen verzet tegen opleggen huisverbod op moment besluit, alleen tegen in stand blijven ervan. Beroep ongegrond, verzoek voorlopige voorziening afgewezen. Gevaar nog niet geweken. Wel hulpverlening, maar nog in intakefase. Huisverbod blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

zaaknummer / rekestnummer: 429307 / KG RK 09-2312 en 429338 / FA RK 09-4128

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

gedaan op 4 juni 2009

in de gedingen tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te onbekend,

verzoeker

gemachtigde mr. W.H. Boomstra,

en

de burgemeester van de gemeente Bussum,

zetelende te Bussum,

verweerder

gemachtigde: mr. K. Dankers, advocaat en mevrouw [beleidsmedewerker], beleidsmedewerker gemeente Bussum,

in welke zaak als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats].

1. Procedure:

1.1 Bij besluit van 29 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd van vrijdag 29 mei 2009 10.00 uur tot zondag 7 mei 2009 om 10.00 uur, alsmede een contactverbod (hierna: huisverbod).

1.2 Verzoeker heeft bij brief van 2 juni 2009 beroep ingesteld. Voorts heeft verzoeker bij brief van 2 juni 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigden van verweerder.

1.5 Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 4 juni 2009 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2. De beslissing:

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

3. De gronden van de beslissing:

Wettelijk kader

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421 (hierna: Wth)) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Feiten

3.3 Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.4 De verzoekende partij en de belanghebbende wonen gezamenlijk op het adres [adres] te [woonplaats]. Tevens is woonachtig op dit adres de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum].

De minderjarige is erkend door de verzoekende partij, die niet de biologische vader is.

3.5 Op 29 mei 2009 heeft zich in de woning een incident voorgedaan in de huiselijke sfeer. Uit het proces-verbaal van een agent van politie blijkt dat belanghebbende heeft verklaard door de verzoekende partij te zijn geslagen. Naar aanleiding daarvan heeft de hulpofficier van justitie een nader onderzoek ingesteld.

Op vrijdag 29 mei 2009 heeft de hulpofficier in het kader van het onderzoek een gesprek gevoerd met belanghebbende, waarin zij verklaarde dat zij met de verzoekende partij de woning voor een half jaar huurt, dat er in het verleden al meerdere geweldsincidenten hebben plaatsgevonden tussen haar en verzoekende partij, dat zij de dag daarvoor zodanig hard was vastgepakt dat ze behoorlijke kneuzingen had opgelopen ten gevolge waarvan ze blauwe plekken op haar armen had. Zij heeft voorts aan de hulpofficier verklaard dat zij bang was dat als de verzoekende partij thuis zou komen er weer geweld tegen haar gebruikt zou gaan worden. Uit het proces-verbaal van de hulpofficier van Justitie blijkt dat hij blauwe plekken op de armen van de belanghebbende heeft waargenomen.

Op voornoemde datum heeft de hulpofficier een gesprek gevoerd met verzoeker op het politiebureau te Hilversum. Verzoeker heeft toen aangegeven normaalgesproken geen geweld te gebruiken, maar dat hij dit toch had gedaan, omdat de belanghebbende daartoe aanleiding had gegeven. Voorts heeft hij verklaard dat er geen herhalingen zouden plaatsvinden, tenzij de belanghebbende hier weer aanleiding toe zou geven.

De hulpofficier heeft in het kader van het onderzoek het formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) ingevuld. Op basis daarvan heeft hij geconcludeerd dat een huisverbod diende te worden opgelegd. Het voornemen om een huisverbod aan de verzoeker op te leggen is aan hem kenbaar gemaakt. Diens zienswijze luidde dat hij het jammer vond en dat hij niet weet waar hij naar toe kan.

Bij het bestreden besluit is de verzoeker gelast op grond van artikel 2 Wet tijdelijk huisverbod (Wth) de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf 29 mei 2009 van 10.00 uur tot 7 mei 2009 tot 10.00 uur niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Tevens is bij dit besluit een contactverbod gelast met belanghebbende en de minderjarige die in dezelfde woning wonen.

3.6 Verweerder heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Het verbod is opgelegd naar aanleiding van gepleegde mishandeling door verzoekende partij met kans op herhaling. In het verleden hebben zich meerdere incidenten voorgedaan. Alcoholgebruik heeft een belangrijke rol gespeeld bij de mishandeling. Uit het RiHG blijkt dat verzoekende partij hoogstwaarschijnlijk dronken was toen het feit werd gepleegd en dat zowel verzoekende partij als belanghebbende problemen hebben met alcoholgebruik.

3.8 Verzoeker heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Hoewel hij zich niet verzet tegen het opleggen van het huisverbod op 29 mei 2009, stelt hij zich op het standpunt dat een toetsing ex nunc, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden op het moment van toetsing in aanmerking worden genomen met zich brengt dat het besluit geen stand meer kan houden. De verzoekende partij heeft zich aan het huisverbod gehouden en meegewerkt met de hulpverlening die hem in het kader daarvan is aangeboden. Hij heeft een afspraak met de Jellinekkliniek. De verzoekende partij heeft van het huisverbod geleerd en gaat confrontaties voortaan uit de weg. Hij betwist dat hij een alcoholprobleem heeft, maar is wel bereid mee te werken met de hulpverlening. Er is dus volgens de verzoekende partij geen sprake meer van ernstig gevaar indien hij naar de woning zou terugkeren.

3.9 De verwerende partij heeft daar tegenover gesteld dat de hulpverlening weliswaar is opgestart, maar dat slechts intakegesprekken hebben plaatsgevonden en verweerder daar nog geen gegevens van heeft ontvangen noch een advies van het steunpunt huiselijk geweld ten aanzien van een eventuele verlenging van het huisverbod. Namens de verwerende partij is ter zitting verklaard dat het raadzaam is deze informatie af te wachten alvorens te beoordelen of het huisverbod kan worden opgeheven.

Beoordeling

3.10 De voorzieningenrechter beschouwt de datum 7 mei 2009 als genoemd in het bestreden besluit als een kennelijke verschrijving. Ter zitting is door verweerder bevestigd dat dit 7 juni 2009 moet zijn.

3.10 Niet in geschil is dat verweerder het bestreden besluit op 29 mei 2009 terecht heeft opgelegd. De vraag die dan ook thans ter beoordeling van de voorzieningenrechter voorligt is of de omstandigheden inmiddels zodanig zijn gewijzigd dat geen sprake meer is van een ernstig en onmiddellijk gevaar.

3.12 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het ernstige gevaar op grond waarvan het huisverbod is opgelegd nog niet geweken. Verzoeker en belanghebbende verkeren in een gecompliceerde privésituatie nu belanghebbende inmiddels een relatie met een andere man heeft. Verzoeker en belanghebbende maken zich blijkens de voorhanden gegevens met enige regelmaat schuldig aan drankmisbruik. Deze factoren hebben tot fysiek geweld aan de zijde van verzoeker geleid, naar aanleiding waarvan het bestreden besluit is genomen. Daarnaast is niet betwist dat zich in het verleden meerdere incidenten in dezelfde sfeer hebben voorgedaan tussen de verzoeker en belanghebbende.

Verder is van belang dat partijen een kind van nog geen drie jaar hebben, dat het risico loopt geconfronteerd te worden met geweld tussen partijen, en dat niet voor zichzelf kan opkomen. Gebleken is dat de hulpverlening aan de verzoekende partij en belanghebbende zich nog in de intakefase bevindt, en dat van behandeling nog geen sprake is. Van een verandering van de situatie ten opzichte van die van 29 mei 2009 is dan ook geen sprake.

3.14 Verzoeker heeft gesteld dat hij belang heeft bij het gebruik van de woning. Hij verblijft nu op verschillende adressen, waaronder die van zijn broer. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoe zeer verzoekende partij ook belang heeft bij de bewoning van de woning die hij met belanghebbende deelt, dit belang niet opweegt tegen het belang van belanghebbende en het minderjarige kind op rust in een veilige woonomgeving.

3.15 Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Het beroep is derhalve ongegrond verklaard.

3.16 Voor een veroordeling in de proceskosten heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien.

Deze uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. Th. P. J. de Graaf, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.K. van Wijk, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: