Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ3176

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
429088 / KG RK 09-2259 en 429094 / FA RK 09-4070
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond, voorlopige voorziening afgewezen wegens gebrek aan belang. Verweerder heeft het besluit terecht genomen. Toetsing ex nunc leidt echter tot de conclusie dat het huisverbod niet in stand kan worden gelaten. Situatie verzoeker en verblijf belanghebbende elders. Vernietigen besluit met in stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 429088 / KG RK 09-2259 en 429094 / FA RK 09-4070

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

gedaan op 3 juni 2009 naar aanleiding van het beroep als bedoeld in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[verzoeker], verzoeker,

wonende te [woonplaats], thans verblijvende in [adres],

gemachtigde mr. G. Beydals,

en

de burgemeester van de gemeente Laren, verweerder,

zetelende te Laren,

gemachtigde [gemachtigde verweerder],

in welke zaak als belanghebbende is aangemerkt:

[echtgenote verzoeker], echtgenote van verzoeker,

wonende te [woonplaats].

De procedure:

Bij besluit van 27 mei 2009 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd, alsmede een contactverbod.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 29 mei 2009 beroep ingesteld.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 29 mei 2009 de voorzieningenrechter verzocht de beslissing tot het tijdelijk huisverbod op te schorten, althans een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank geraden voorkomt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde verweerder].

De beslissing:

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven tot heden;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb af;

- bepaalt dat de burgemeester van de gemeente Laren aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 300,- vergoedt;

Partijen is ter zitting meegedeeld dat zij tegen de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer: 429094 / FA RK 09-4070) binnen zes weken na de datum van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De gronden van de beslissing:

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit aan verzoeker meegedeeld dat hij het adres [adres] te [woonplaats] onmiddellijk dient te verlaten en deze woning vanaf 27 mei 2009 22.30 uur tot 6 juni 2009 22.30 uur niet mag betreden, noch daarin aanwezig mag zijn of zich daarbij mag ophouden. Gedurende deze periode mag verzoeker geen contact opnemen met [echtgenote verzoeker].

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd.

Verzoeker betwist dat hij zijn echtgenote tweemaal, op 29 mei 2009 en vorig jaar, heeft geduwd. Wel heeft hij zijn echtgenote onlangs bij de schouders gepakt en zijn werkkamer uitgewerkt. Zij is vervolgens over het tapijt in de hal gevallen. Voorts heeft hij gesteld dat zijn echtgenote zichzelf destijds in de badkamer heeft opgesloten. Het incident met opsluiting in de w.c. herinnert hij zich niet. Deze feiten kunnen de beslissing tot een tijdelijk huisverbod niet dragen. Ten onrechte is eenzijdig uitgegaan van de door de echtgenote naar voren gebrachte feiten, die in het proces-verbaal uitvoerig worden beschreven. De feiten die door verzoeker naar voren zijn gebracht zijn nauwelijks weergegeven in het proces-verbaal.

Verweerder heeft daar het volgende tegenover gesteld.

De maatregel van huisverbod heeft als doel om bij escalatie een afkoelingsperiode in te lassen. Na contact met de verzoeker, zijn echtgenote en de dochter is verweerder tot de conclusie gekomen dat er de afgelopen tijd veel is gebeurd in het gezin, dat de zaak escaleerde en dat daarom een afkoelingsperiode nodig was en hulpverlening moest worden ingeschakeld. Verzoeker was niet voor rede vatbaar en bagatelliseerde de situatie, reden waarom verweerder de kans op herhaling aanwezig achtte.

De voorzieningenrechter overweegt voorts als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2009 van de politie Gooi en Vechtstreek komt het volgende naar voren.

Op 27 mei 2009 heeft de echtgenote aangifte gedaan van mishandeling door verzoeker. Zij heeft blijkens een ter zake opgemaakt proces-verbaal (p-v) daarbij - onder meer - verklaard dat zij op genoemde datum door haar echtgenoot is mishandeld. Hij heeft haar een duw gegeven waardoor zij ten val is gekomen. Vorig jaar heeft haar echtgenoot haar ook met geweld vastgepakt en op de grond gegooid. Hiervan heeft zij geen aangifte gedaan. In 2007 heeft haar echtgenoot haar tweemaal opgesloten. [echtgenote verzoeker] heeft voorts verklaard dat ze wil scheiden en dat ze vreest dat het geweld zal toenemen.

Verzoeker is door de verbalisant verhoord over het voorgevallene.

Verzoeker heeft volgens het p-v als volgt verklaard: de relatie tussen hem en [echtgenote verzoeker] is bekoeld. Hij vindt dat hij wordt gekleineerd door zijn echtgenote. Hij heeft meerdere malen aangegeven dat de maat vol is. Dit is de reden waarom hij haar de twee keren heeft vastgepakt en de kamer uitgeduwd.

Ter zitting is door de echtgenote een schriftelijke verklaring overgelegd waarmee zij aangifte heeft gedaan van mishandeling.

Verzoeker heeft eveneens een schriftelijke verklaring ingezonden.

De rechter acht aannemelijk dat verzoeker op woensdag 27 mei 2009 zijn echtgenote zodanig heeft vastgepakt dat zij is gevallen. De rechter komt tot dit oordeel op grond van het p-v, de waarneming van de hulpofficier van justitie, zoals ter zitting naar voren gebracht, en de verklaring ter zitting van verzoeker zelf. De rechter acht voorts de kans op herhaling aanwezig, gezien de verklaringen van de dochter van verzoeker en de echtgenote dat het niet de eerste keer is dat verzoeker geweld gebruikt jegens zijn echtgenote, alsmede gezien de houding van opgekropte woede en frustratie bij verzoeker. De rechter sluit niet uit dat beide partijen mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die frustratie, maar dit doet niet af aan de constatering dat verzoeker is overgegaan tot het gebruik van huiselijk geweld. Dit feit en de kans op herhaling levert, mede gelet op haar leeftijd, een onmiddellijk en dreigend gevaar op voor de veiligheid van de echtgenote van verzoeker. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van het huisverbod. Verweerder heeft in het bestreden besluit bij de afweging van belangen aangegeven dat er tijdelijk rust moet komen voor beiden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Ex nunc toetsend, gelet op de situatie van verzoeker en het feit dat de echtgenote vanaf heden elders woont, ziet de voorzieningenrechter evenwel aanleiding het besluit te vernietigen met ingang van heden. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat gelet op de gegrondverklaring van het beroep verzoeker geen belang meer heeft bij een voorlopige voorziening.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Gelet op artikel 8:74 van de Awb dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 300,- aan hem te vergoeden.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: