Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ1359

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/1581 GEMWT, AWB 08/1582 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL8738, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Om bij aanvragen om een vervangingsvergunning als hier aan de orde, te kunnen spreken van een "woonschip" dient de betreffende woonboot niet alleen te voldoen aan de (ruimere) begripsomschrijving in het bestemmingsplan Borneo, Sporenburg en Rietlanden maar ook aan de (engere) begripsomschrijving in de Nota Woonschepenbeleid Zeeburg 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 08/1581 GEMWT en AWB 08/1582 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eisers1],

beiden wonende te [woonplaats]

eisers I,

en

[eiser2],

wonende te [woonplaats],

eiser II,

hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden: mrs. E.G. Blees en M.J.M. Pietersz.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder],

wonende te [woonplaats],

vergunninghouder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 14 september 2007 de door vergunninghouder gevraagde vervangingsvergunning om de woonboot “[woonboot]” te vervangen voor een nieuw te bouwen woonboot verleend en de vergunning geweigerd voor wat betreft het hekwerk op de achterzijde van de nieuw te bouwen woonboot (primair besluit).

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft verweerder de daartegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard (bestreden besluit).

Eisers hebben tegen dit besluit afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld op de zitting van 20 april 2009. Namens eisers I is [persoon1] verschenen. Eiser II is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde. Vergunninghouder is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 18 juni 2007 heeft vergunninghouder een vervangingsvergunning aangevraagd om zijn woonboot “[woonboot]” gelegen aan de [adres] te vervangen door het nieuw te bouwen woonboot “[woonboot2]”. Bij primair besluit heeft verweerder besloten de vergunning te verlenen behalve voor het hekwerk op de achterzijde van de nieuw te bouwen woonboot aangezien dit hekwerk in strijd is met het vigerende bestemmingsplan Borneo, Sporenburg en Rietlanden (hierna: het bestemmingsplan). Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat het uitgangspunt van de Nota Woonschepenbeleid Zeeburg 2003 (hierna: de Nota) is dat vervanging van woonboten wordt toegestaan binnen de regels van het betreffende bestemmingsplan. De “[woonboot2]” wordt op grond van het bestemmingsplan als een woonschip aangemerkt. De voor deze categorie geldende maximale maatvoering wordt door de “[woonboot2]” niet overschreden, zodat de vervanging op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Omdat de “[woonboot2]” op grond van de Nota onder de categorie “overige woonboten” valt, heeft verweerder de aanvraag voorgelegd aan de welstandscommissie, welke heeft aangegeven geen bezwaar tegen verlening van de vergunning te hebben. Verweerder is niet gebleken dat de privacy onvoldoende wordt gewaarborgd.

2.3. Eisers hebben zich in beroep gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. Zij hebben - kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. Eisers betogen vooreerst dat de wijze van bekendmaking van het bestreden besluit niet zorgvuldig is geweest, omdat het bestreden besluit alleen aan de vergunninghouder is geadresseerd. De omstandigheid dat zij wel tijdig bezwaar hebben gemaakt doet daaraan niet af. Eisers betogen voorts dat de belangen van de omwonenden onvoldoende zijn meegewogen. Zij vrezen aantasting van hun privacy. Eisers voeren verder aan dat de maten van het nieuwe schip onduidelijk zijn dan wel dat het nieuwe schip de toegestane maten overschrijdt. Eisers stellen voorts dat het advies van de welstandscommissie onzorgvuldig is, nu het niet is gemotiveerd maar enkel een stempel op het ontwerp inhoudt met daarop “geen bezwaar”. Eisers betogen tenslotte dat zij op grond van de regelgeving erop mochten vertrouwen dat aan de [kade] enkel woonschepen (in de zin van de Nota) zouden mogen afmeren.

2.4. Op grond van artikel 2.3.3, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: Vhb) is het verboden zonder vergunning van het College een woonboot te vervangen. Op grond van het derde lid van dit artikel is artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu en de vlotte veilige doorvaart. Verweerder voert ter zake van vervanging en verbouwing van boten met een ligplaatsvergunning een beleid. Dit beleid is neergelegd in de Nota.

2.5. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerders keuze om van de in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb neergelegde weigeringsbevoegdheid in het onderhavige geval geen gebruik te maken in rechte kan standhouden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het geschil met name gaat om de vraag aan de hand van welke regels de kwalificatie van de onderhavige nieuw te bouwen woonboot dient te geschieden. Zowel de Nota als het bestemmingsplan kennen het begrip “woonschip”. Dit begrip is in het bestemmingsplan anders uitgewerkt dan in de Nota.

2.6. In de Vhb wordt verstaan onder:

- woonboot: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf, niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet (artikel 2.2.1, aanhef en onder a).

Op grond van art 2.3.3, eerste lid, van de Vhb is het toegestaan onderscheid maken naar categorieën woonboten. Verweerder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en is overgegaan tot een nadere onderverdeling. Dit is neergelegd in de Nota.

2.7. In de Nota wordt verstaan onder:

- woonschip: een woonboot die aan romp en opbouw herkenbaar is als een van origine varend schip met een authentieke opbouw. De herkenbaarheid van het vaartuig kan zich manifesteren in de aanwezigheid van een originele stuurhut, een roer, gangboorden, mast, zwaarden of een grotendeels intacte luikenkap;

- overige woonboten: alle niet-woonschepen (voorheen onderscheiden in woonvaartuigen en woonarken).

Nieuwbouwboten zijn, blijkens de aanbiedingsbrief bij de Nota, geen van origine varende schepen, maar ze hebben op het eerste gezicht wel het uiterlijk van een woonschip.

2.8. In het bestemmingsplan wordt verstaan onder:

- woonboot: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot hoofdverblijf (voorschrift 1, onder 48));

- woonschip: een woonboot die aan de romp en opbouw herkenbaar is als een schip (voorschrift 1, onder 49) en

- overige woonboot: overige woonboten, niet zijnde woonschepen (voorschrift 1, onder 50).

2.9. Vast staat dan ook dat de nieuw te bouwen “[woonboot2]” geen woonschip is in de zin van de Nota. De “[woonboot2]” valt daarentegen naar de letter wel onder het begrip woonschip in het bestemmingsplan.

2.10. Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat uit moet worden gegaan van de definitiebepaling in het bestemmingsplan overweegt de rechtbank dat zij dit standpunt niet onderschrijft. Volgens de aanbiedingsbrief is in de Nota gekozen voor een strikte definitie van woonschip (waarin is opgenomen dat een woonschip een van origine varend schip moet zijn) om ondubbelzinnig onderscheid te kunnen maken tussen woonschepen en overige woonboten. De reden voor het maken van onderscheid is, aldus de Nota, gelegen in het feit dat woonschepen enerzijds en de overige woonboten anderzijds, dermate verschillend van vormgeving kunnen zijn dat qua maatbepaling, maatvoering en welstand gedifferentieerde regelgeving nuttig en soms nodig is. Hieruit leidt de rechtbank af dat juist met het oog op maten (en welstand) dit onderscheid is aangebracht.

2.11. Weliswaar staat in de Nota (hoofdstuk III, vervangings- en verbouwingsvergunningen) dat vervanging van woonboten met een ligplaatsvergunning voortaan is toegestaan binnen de regels van het betreffende bestemmingsplan, maar daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat het bestemmingsplan in alle opzichten leidend is. In de Nota (hoofdstuk III, vervangings- en verbouwingsvergunningen) staat namelijk expliciet aangegeven wat met deze zinsnede is bedoeld. De betekenis van deze zinsnede is dat de toegestane maximale maatvoering van een woonboot die maat is, die in het bestemmingsplan is toegestaan. Het betekent ook dat van bootsoort kan worden gewisseld indien het bestemmingsplan dat toestaat, aldus de Nota. De rechtbank leidt hieruit af dat het bestemmingsplan doorslaggevend is voor zover het de maatvoering en toegestane bootsoort betreft.

2.12. In de Nota (hoofdstuk III, bestemmingsplannen en ligplaatsenkaart) staat voorts expliciet aangegeven dat bij definiëring van soort boot in een bestemmingsplan in Zeeburg de omschrijvingen worden gebruikt zoals met deze Nota worden vastgesteld. De rechtbank constateert dat dit niet is gebeurd. Het bestemmingsplan hanteert een andere, ruimere, omschrijving van het begrip “woonschip” dan de Nota. Het bestemmingsplan en de toelichting bij het bestemmingsplan bieden evenwel geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de definiëring van het begrip “woonschip” in het bestemmingsplan (voortaan) doorslaggevend is bij vervangingsvergunningen als de onderhavige.

2.13. Vorenstaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat om, bij aanvragen om een vervangingsvergunning als hier aan de orde, te kunnen spreken van een “woonschip” de betreffende woonboot niet alleen dient te voldoen aan de (ruimere) begripsomschrijving in het bestemmingsplan maar ook aan de (engere) begripsomschrijving in de Nota. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de “[woonboot2]”, nu deze woonboot niet voldoet aan de begripsomschrijving uit de Nota, moet worden gekwalificeerd als “overige woonboot”.

2.14. Op grond van artikel 16, elfde lid, aanhef en onder b t/m e van het bestemmingsplan in samenhang bezien met de daarbij behorende plankaart gelden voor overige woonboten gelegen aan de [kade] de volgende maximale maten: 20 meter in lengte, 8 meter in breedte en 2,5 meter in hoogte. Daarnaast mag volgens artikel 16, elfde lid, onder e, van het bestemmingsplan over maximaal 25% van de lengte een hoogte van maximaal 3,5 meter worden behaald. Uitgaande van het ontwerp van de “[woonboot2]” zoals dat onderdeel uitmaakt van de gedingstukken constateert de rechtbank dat de maximale waarden in lengte, breedte en hoogte ruim worden overschreden: de lengte is 39,90 meter (vergunninghouder heeft dit later nog bijgesteld naar 39 meter), de breedte is 5,98 meter en de hoogte is 4,84 meter (de overkapping aan de mast niet meegerekend).

2.15. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerders keuze om geen gebruik te maken van de in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb neergelegde weigeringsbevoegdheid, gelet op het terzake door hem gevoerde beleid, niet in rechte kan standhouden. De beroepen zijn derhalve gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De overige gronden van eisers behoeven tegen deze achtergrond geen nadere bespreking.

2.16. Aangezien de “[woonboot2]” op grond van het huidige ontwerp en de geldende regelgeving niet voor een vergunning tot vervanging van de “[woonboot]” in aanmerking komt, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de bezwaren gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en de aanvraag voor een vervangingsvergunning van 18 juni 2007 af te wijzen. Verweerder zal tevens de door eisers betaalde griffierechten van elk € 145,- aan hen moeten vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart de bezwaarschriften van eisers gegrond en herroept het primaire besluit van 14 september 2007;

- wijst de aanvraag van 18 juni 2007 voor een vervangingsvergunning af;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat het stadsdeel Zeeburg aan eisers I het door hen betaalde griffierecht van

€ 145,- (zegge: honderd vijfenveertig euro) vergoedt;

- bepaalt dat het stadsdeel Zeeburg aan eiser II het door hem betaalde griffierecht van € 145,- (zegge: honderd vijfenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter in tegenwoordigheid van

mr. S. Leijen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2009.

de griffier, de rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB