Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ1244

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/2805 WAO, AWB 08/2828 WAO, AWB 08/2830 CSV e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering verleende korting/vrijstelling basispremie WAO (art. 77b WAO oud) over de jaren 1998 tot en met 2001 naar aanleiding van fraude-onderzoek. Verjaringstermijn artikel 13, eerste lid CSV van toepassing. Beroep UWV op contra-legem jurisprudentie Centrale Raad van Beroep. Jurisprudentie ziet niet op onderhavige situatie. Geen sprake van bijzondere omstandigheden waarin afwijking van dwingendrechtelijke regels mogelijk is. Aanhaken bij juridisch kader van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2003 (www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AL6396) inzake contra-legem handelen door bestuur. Ook dan geen grond voor terugvordering en nadere vaststelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 08/2805 WAO, AWB 08/2828 WAO, AWB 08/2830 CSV,

AWB 08/3612 WAO, AWB 08/3613 WAO, AWB 08/3696 WAO, AWB 08/3699 WAO, AWB 08/3791 CSV, AWB 08/3792 CSV, AWB 08/3898 CSV, AWB 08/3941 CSV,

AWB 08/3949 CSV, AWB 08/3950 CSV, AWB 08/3974 CSV, AWB 08/3981 CSV,

AWB 08/3982 CSV, AWB 08/3983 CSV, AWB 08/3986 CSV, AWB 08/3987 CSV,

AWB 08/3988 CSV, AWB 08/4082 CSV, AWB 08/4083 CSV, AWB 08/4084 CSV,

AWB 08/4194 WAO, AWB 08/4195 WAO, AWB 08/4196 WAO, AWB 4198 WAO,

AWB 08/4199 WAO en AWB 08/4200 WAO.

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen de:

besloten vennootschap Stork B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

besloten vennootschap Stork Food Dairy Systems B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

besloten vennootschap Stork FDO Inoteq B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

besloten vennootschap Stork Materieel B.V.,

gevestigd te Naarden,

besloten vennootschap Stork RMO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

besloten vennootschap Stork Special Products B.V.,

gevestigd te Zwolle,

besloten vennootschap Stork Bronswerk B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

besloten vennootschap Stork Turbo Blading B.V.,

gevestigd te Sneek,

besloten vennootschap Stork Veco B.V.,

gevestigd te Eerbeek,

besloten vennootschap Stork Fokker AESP B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

besloten vennootschap Stork Fokker AESP B.V.,

gevestigd te Papendrecht, vestiging Hoogeveen,

besloten vennootschap Stork Gears & Services B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

besloten vennootschap Interlas B.V.,

gevestigd te Rozenburg,

besloten vennootschap HW Technics B.V.,

gevestigd te Brielle,

besloten vennootschap Stork Digital Imaging B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

besloten vennootschap Stork Industry Services B.V.,

gevestigd te Elsloo, regio Zuidoost,

besloten vennootschap Stork Titan B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

besloten vennootschap Stork PMT B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

besloten vennootschap Stork Prints B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

besloten vennootschap Stork Brabant B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

besloten vennootschap Koninklijke Machinefabriek Stork B.V.,

gevestigd te Hengelo,

besloten vennootschap Stork Thermeq B.V.,

gevestigd te Hengelo,

besloten vennootschap Tonnen Vlaardingen B.V.,

gevestigd te Hengelo,

besloten vennootschap Stork Industry Services B.V.,

gevestigd te Utrecht,

besloten vennootschap Fokker Elmo B.V.,

gevestigd te Hoogerheide,

besloten vennootschap Fokker Services B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

besloten vennootschap Hitecs B.V.,

gevestigd te Utrecht,

besloten vennootschap Conrad-Stork Beheer B.V.,

gevestigd te Haarlem,

stichting Stichting Pensioenfonds Stork,

gevestigd te Amersfoort,

eisers,

gemachtigde: mr. R.S. Ferouge,

en:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Scholtes.

1. Procesverloop

Bij separate besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de herziening van de besluiten waarbij premievrijstelling en korting is verleend krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in elke procedure een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 1 april 2009.

Eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde en mr. [bedrijfsjuriste], bedrijfsjuriste bij de besloten vennootschap Stork Special Products B.V. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en de heer [projectleider], projectleider.

2. Overwegingen

Feitelijk relevante achtergrond

In 2006 hebben eisers op grond van artikel 77b van de WAO - zoals dat tot 1 januari 2002 gold - afzonderlijk aanvragen ingediend voor korting en vrijstelling van de basispremie WAO over de jaren 1998 tot en met 2001 – voor zover van belang – voor een aantal arbeidsgehandicapte werknemers.

Na toekenning van de premievrijstelling en korting in 2006 heeft verweerder een nader onderzoek verricht op grond waarvan verweerder heeft geconcludeerd dat aan eisers ten onrechte of tot een te hoog bedrag premievrijstelling of korting is toegekend. Verweerder heeft daarop de eerdere toekenningsbesluiten in 2007 en 2008 herzien en de teveel betaalde bedragen over de jaren 1998 tot en met 2001 – voor zover van belang – van eisers teruggevorderd.

Eisers hebben tegen deze correctiebesluiten bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de bezwaren bij de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

In beroep hebben eisers – kort samengevat - aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is om tot terugvordering over te gaan omdat de terugvorderingstermijnen over de betreffende jaren verjaard zijn. Verweerder heeft de in 2006 ingediende aanvragen voor de jaren 1998 tot en met 2001 zonder voorbehoud gehonoreerd. Verweerder heeft op grond van efficiency-overwegingen controlemaatregelen afgeschaft. Het is de verantwoordelijkheid van verweerder de aanvragen voor premievrijstelling en korting ten aanzien van arbeidsgehandicapte werknemers te controleren. Door het verstrijken van de tijd is de bewaartermijn van de bewijzen van de arbeidsgehandicapte (agh)-status voor de werkgever verlopen. Het risico daarvan dient voor rekening van verweerder te komen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig waardoor buiten de verjaringstermijn mag worden teruggevorderd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, aangezien uit strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat de aanvragen uit 2006 onjuist zijn afgehandeld, een te hoog bedrag aan korting of vrijstelling premie WAO is berekend. Naar aanleiding van signalen over integriteitsschending op het gebied van aanvragen en toekenning van korting en vrijstelling van WAO-premie, is een breed integriteitsonderzoek binnen de eigen organisatie uitgevoerd. Uit dat onderzoek is gebleken dat sprake was van grootschalige fraude waarbij ook derden zijn betrokken. De aanvragen zijn door een voormalig medewerker van verweerder, die voor werkgevers, waaronder eisers, als adviseur optrad, bewust gemanipuleerd ten einde te komen tot hogere premiekortingen voor die werkgevers. Verweerder heeft in dat kader vastgesteld dat de namens eisers ingediende aanvragen van onjuiste dan wel onvolledige informatie waren voorzien en dat deze hebben geleid tot een onjuiste premievaststelling. Uit het onderzoek is onder andere naar voren gekomen dat de aanvragen waren voorzien van lijsten met namen en sofinummers van personen van wie bij verweerder geen agh-status bekend was dan wel dat de betreffende personen slechts een gedeelte van het jaar in bezit waren van de agh-status.

Verweerder heeft aangegeven dat eisers in bezwaar niet hebben onderbouwd dat de nu uitgesloten werknemers in de betreffende jaren toch de status van arbeidsgehandicapte hadden. Verweerder is verder van oordeel dat een beroep op het vertrouwensbeginsel geen doel treft omdat eisers hadden kunnen/moeten vaststellen dat de aanvraag niet volledig en/of deels onjuist was. Eisers hadden zich immers ervan moeten vergewissen of de aanvragen waren voorzien van alle vereiste stukken en ten aanzien van de op de lijsten voorkomende personen juist waren. Voor zover al enige vorm van vertrouwen is gewekt, moet dit wijken voor een juiste toepassing van de wet- en regelgeving. Verweerder acht eventuele strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel voldoende hersteld in het bestreden besluit en acht het voor de motivering van het standpunt niet vereist dat eisers beschikken over gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek.

Verder heeft verweerder zijn standpunt nader onderbouwd door zich te beroepen op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer neergelegd in een uitspraak van de CRvB van 7 december 2006 (www.rechtspraak.nl, LJN: AZ4086), inhoudende dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd kan komen met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de zeer specifieke feiten en zeer bijzondere omstandigheden van het geval de termijnstelling in het eerste lid van artikel 13 CSV niet in de weg mag staan aan de nadere premievaststelling in 2007 en 2008.Verweerder heeft aangegeven dat het om publieke gelden gaat en acht het van groot belang dat ten onrechte tot een te laag bedrag vastgestelde premie in de publieke kas terugvloeit.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) geschiedt de vaststelling van de door de werkgever verschuldigde premie, alsmede de invordering daarvan, door het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (UWV).

Ingevolge artikel 77b, vierde lid, van de WAO kent het UWV een korting toe op de door de werkgever verschuldigde basispremie in een bepaald jaar in het geval voor dat jaar de basispremie over het loon van een arbeidsgehandicapte werknemer ingevolge de leden 1 tot en met 3 van dit artikel niet of deels niet is verschuldigd.

Ingevolge artikel 13, eerste lid van de CSV wordt premie niet meer vastgesteld indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.

De overwegingen van de rechtbank

In geding is de vraag of verweerder terecht in 2007 en 2008 nader premie heeft vastgesteld over de jaren 1998 tot en met 2001.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat premievaststelling in het kader van artikel 77b van de WAO aangemerkt dient te worden als een besluit tot premievaststelling in de zin van artikel 11, eerste lid, van de CSV en dat voor deze bepaling artikel 13, eerste lid, van de CSV leidend is. Evenmin is in geschil dat verweerder door alsnog in 2007 en 2008 (WAO)-premie vast te stellen over de jaren 1998 tot en met 2001 de termijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV heeft overschreden.

De rechtbank ziet het geschil zich aldus toespitsen op de vraag of verweerder desondanks bevoegd was nader premie vast te stellen, zoals hij heeft gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van verweerder op jurisprudentie van de CRvB, in het bijzonder de eerder aangehaalde uitspraak van 7 december 2006, niet kan slagen. Blijkens deze jurisprudentie heeft de CRvB voor gevallen waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard geen rechtsplicht meer kan zijn, steeds het oog gehad op een situatie waarin door het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd (onjuiste of onvolledige) inlichtingen zijn verschaft die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Deze door de CRvB toegestane uitzondering ziet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die gelden ter bescherming van de burger. Deze jurisprudentie ziet niet op een situatie van het afzien van strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling ten behoeve van het bestuur c.q. in het kader van het algemeen belang.

Nog afgezien daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder voor de onderbouwing van de bijzondere omstandigheden doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het strafrechtelijk onderzoek, maar ter zitting is naar voren gekomen dat eisers daarin (vooralsnog) niet zijn betrokken. Daar komt bij dat niet is gebleken dat verweerder destijds op enigerlei wijze de aanvragen van eisers aan een onderzoek heeft onderworpen.

Waar het betreft de vraag of er in dit geval aanleiding bestaat om af te zien van toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling ten behoeve van het bestuur c.q. in het kader van het algemeen belang, neemt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2003 (LJN AL6396) tot uitgangspunt.

De Afdeling overweegt daar dat ook in het bestuursrecht het verbod van misbruik van recht door een justitiabele ook buiten daartoe strekkende wettelijke voorschriften gelding heeft.

De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe. In de door het bestuursrecht beheerste verhoudingen waarin de aanwending ter behartiging van het openbaar belang van begrensde bestuursbevoegdheden met beperkte middelen centraal staat, zal bij evenbedoelde beoordeling niet het oogmerk van benadeling richtsnoer kunnen zijn. Zo valt niet uit te sluiten dat reeds bij een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten wegens evenbedoelde beperkingen van benadeling van de overheid gesproken kan worden, hoewel van misbruik nog geen sprake hoeft te zijn, terwijl anderszijds het oogmerk van benadeling in deze context praktisch niet aantoonbaar zal zijn. In bestuursrechtelijke verhoudingen zal van misbruik van recht sprake zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident worden ingeroepen en gebruikt zonder enig redelijk doel dan wel voor een ander doel dan waartoe ze gegeven zijn, dat dat inroepen en gebruiken ervan blijk geeft van kwade trouw.

Verweerder heeft niet aangetoond dat in dit geval van deze laatste situatie sprake is geweest. Ter zitting is namens verweerder ook opgemerkt dat verweerder niet de integriteit van Stork ter discussie stelt, maar wel vaststelt dat Stork de onregelmatigheden in de aanvragen had kunnen onderkennen. Deze stelling kan mogelijk grond vormen voor de conclusie dat sprake is geweest van benadeling, maar is onvoldoende om de conclusie van kwade trouw te schragen.

Gelet op het vorenoverwogene berusten de bestreden besluiten niet op een deugdelijke motivering.

De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal verweerder opdragen nieuwe besluiten op de bezwaren van eisers te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank zal verweerder opdragen het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om het griffierecht van € 288,-- aan elk van eisers (tot een totaal bedrag van € 8.352,- (zegge: achtduizend driehonderd en tweeënvijftig euro)) te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter, en mrs. H.J. Tijselink en

C.J. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.M. Tol, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB