Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ1021

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/113, AWB 08/118 en AWB 08/120
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten behoeve van in Marokko woonachtige kinderen werd na het overlijden van de verzekerde vader een halfwezenuitkering toegekend. Na het overlijden van de niet verzekerde moeder bestaat niet langer recht op de halfwezenuitkering, noch op een wezenuitkering.

Aangezien de halfwezenuitkering aan de overleden moeder van eisers toekwam is geen sprake van ontneming van eigendom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 08/113, AWB 08/118 en AWB 08/120

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaken [eiser1], [eiser2]

en hun wettelijk vertegenwoordiger [wettelijk vertegenwoordiger]

allen wonende te [woonplaats] in Marokko,

eisers,

gemachtigde: mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

gevestigd te Amstelveen

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. A. Slovàcek.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 9 juli 2007 heeft verweerder de aanvragen om een wezenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (Anw) voor de kinderen [eiser1] en [eiser2] afgewezen.

Bij besluiten van 27 november 2007 heeft verweerder de daartegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard (hierna: de bestreden besluiten I en II)

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat de Anw-halfwezenuitkering van hun moeder [de moeder] (hierna: de moeder) is beëindigd.

Bij besluit van 27 november 2007 heeft verweerder het daartegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit III), AWB 08/120).

Eisers hebben tegen de besluiten I, II en III beroep ingesteld (geregistreerd onder de nummers AWB 08/113, AWB 08/118 respectievelijk AWB 08/120).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2009.

Zowel eisers als verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Achtergrond

2.1.1. [eiser1] (geboren op [geboortedatum]) en [eiser2] (geboren op [geboortedatum]) zijn broer en zus. Zij wonen bij hun oudere broer [wettelijk vertegenwoordiger] (geboren op [geboortedatum]), die tevens hun wettelijk vertegenwoordiger is.

De vader van de kinderen was (in ieder geval) in 2005 overleden. De vader was ten tijde van zijn overlijden verzekerd ingevolge de Anw, waardoor de moeder van de kinderen recht had op zowel een Anw-nabestaandenuitkering als op een Anw-halfwezenuitkeringen ten behoeve van de kinderen.

2.1.2. Nadat de moeder van de kinderen op 27 januari 2007 is komen te overlijden, hebben eisers bij verweerder een aanvraag om een volle wezen uitkering ingevolge de Anw ingediend. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en de halfwezenuitkering beëindigd.

2.2. Standpunt partijen

2.2.1. Niet in geschil tussen partijen is het feit dat de overleden moeder niet verzekerd is geweest ingevolge de Anw.

2.2.2. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de beëindiging en afwijzing van de (half) wezenuitkering ten onrechte is gerelateerd aan de verzekeringspositie van hun overleden moeder. Zij zijn van mening dat hun recht op een uitkering ingevolge de Anw volgt uit de verzekeringspositie van hun overleden vader, als de kostwinnaar.

2.2.3. Daarbij hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat de moeder fictief als opvolgend verzekerde dient te worden aangemerkt op grond van het Verdrag tussen Nederland en Marokko (NMV), waardoor eisers niet kan worden tegengeworpen dat de moeder niet Anw verzekerd is geweest. Op grond van artikel 21, derde lid, van het NMV dient verweerder de moeder postuum vrijwillig te verzekeren ingevolge de Anw, omdat zij binnen de aanmeldingstermijn is overleden.

2.2.4. Eisers hebben aangevoerd dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 22 van de Anw. De oudere broer [wettelijk vertegenwoordiger] is de wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen en geldt daarmee in de opvatting van eisers als nabestaande, omdat hij een wees in zijn huishouden verzorgt als ware hij de ouder. Op grond hiervan zijn eisers van mening dat [wettelijk vertegenwoordiger] recht heeft op een nabestaandenuitkering.

2.2.5. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat de afwijzing van de aanvragen en de beëindiging van de halfwezenuitkering strijdig zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) en met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).

2.2.6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat voor het recht op een wezenuitkering een kind ouderloos moet zijn geworden door het overlijden van een verzekerde ouder. Aangezien de overleden moeder niet verzekerd is geweest ingevolge de Anw, kan geen recht op uitkering bestaan.

2.2.7. Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat vrijwillige verzekering op grond van het NMV niet eerder in kan gaan dan op 1 november 2004. Verzekering is mogelijk voor de echtgenotes van verplicht verzekerden. De man was op 1 november 2004 niet verplicht verzekerd, zodat de overleden vrouw niet voor deze verzekering in aanmerking komt.

2.3. Wettelijk kader

2.3.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Anw wordt onder halfwees verstaan een ongehuwd kind, van wie één van beide ouders is overleden en van wie die ouder op de dag van overlijden verzekerd was op grond van deze wet en dat als gevolg van dat overlijden nog een overlevende ouder heeft.

2.3.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Anw moet onder wezenuitkering worden verstaan een uitkering voor een kind dat ouderloos is geworden door het overlijden van degene die op de dag van overlijden verzekerd is ingevolge de Anw.

2.3.3. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Anw heeft de nabestaande die een halfwees heeft, jonger dan 18 jaar, die niet tot het huishouden van een ander behoort recht op een halfwezenuitkering.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt voor het recht op halfwezenuitkering onder nabestaande tevens verstaan de ouder van een halfwees of de persoon die als ware hij ouder zorg draagt voor een halfwees die tot zijn huishouden behoort.

2.3.4. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Anw, heeft een kind dat door het overlijden van een verzekerde ouderloos is geworden, recht op een wezenuitkering zolang het de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.

2.3.5. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Anw, wordt na het overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering is toegekend, met ingang van de dag na het overlijden een overlijdensuitkering betaald aan de minderjarige kinderen van de overledene.

2.3.6. Ingevolge artikel 21 , derde lid, van het algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV), geldt dat de op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko wonende echtgenoot van een werknemer die onderworpen is aan het stelsel van verplichte verzekering uitsluitend bevoegd is zich krachtens deze wettelijke regelingen vrijwillig te verzekeren over tijdvakken gelegen na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, gedurende welke de werknemer krachtens deze wettelijke regelingen verplicht verzekerd is. Deze bevoegdheid eindigt op de dag waarop het tijdvak van verplichte verzekering van de werknemer eindigt. Deze bevoegdheid eindigt echter niet wanneer de verplichte verzekering van de werknemer onderbroken is ten gevolge van het overlijden van de werknemer en wanneer de bovengenoemde echtgenoot slechts een pensioen ontvangt krachtens de AWW.

2.4. Beoordeling

2.4.1. Ten aanzien van eisers standpunt dat de verzorgende oudere broer ten behoeve van zijn jongere broer en zus recht heeft op een halfwezenuitkering heeft verweerder zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat aan artikel 22 van de Anw altijd een aanvraag ten grondslag moet liggen. Nu dit niet het geval is behoeven de gronden van eisers volgens verweerder geen bespreking. Ter zitting is echter gebleken dat het doen van een aanvraag door de oudere broer niet noodzakelijk is en dat eerder door verweerder is toegezegd het bezwaar van eisers te betrekken bij verweerders afwegingen ten aanzien van de beëindiging van de halfwezenuitkering. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen en zal eisers gronden dienaangaande betrekken in haar beoordeling.

2.4.2. De rechtbank is van oordeel dat artikel 22 van de Anw alleen van toepassing is op degene die voor een halfwees zorgt.

De kinderen [eiser1] en [eiser2] zijn als gevolg van het overlijden van hun beide ouders niet langer halfwees, zodat er voor [wettelijk vertegenwoordiger], ondanks dat hij hun wettelijk vertegenwoordiger en verzorger is, op grond van de Anw geen recht op een nabestaandenuitkering bestaat.

2.4.3. Omdat de overleden moeder van eisers niet verzekerd is geweest ingevolge de Anw, kunnen eisers naar het oordeel van de rechtbank als wees evenmin rechten aan de Anw ontlenen. Voor de stelling van eisers dat de moeder fictief als rechtsopvolger van de vader moet worden gezien op grond van het NMV, vindt de rechtbank geen steun in het NMV.

2.4.4. Het beroep op vrijwillige verzekering op grond van het NMV kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen. De overleden moeder voldoet niet aan de voorwaarden voor deze verzekering. Daarbij maakt het naar het oordeel van de rechtbank geen verschil welk moment van overlijden wordt aangehouden. Voor zover het ervoor moet worden gehouden dat de man is overleden in 1998, is op dat moment de verplichte verzekering geëindigd en kan de verzekering van de moeder, welke eerst per 1 november 2004 kan ingaan, niet worden aangevangen voor de tijdvakken van verplichte verzekering van de man. Voor zover van een datum van overlijden in Marokko in 2005 moet worden uitgegaan, is de verplichte verzekering van de man met het verval van artikel 26 van het Koninklijk Besluit 746 in samenhang met zijn remigratie naar Marokko ten einde gekomen (en niet als gevolg van zijn overlijden), zodat, wat verder zij van een aanmelding binnen de daartoe bestemde termijn, na het overlijden geen bevoegdheid tot verzekering meer bestond.

2.5. Het beroep op internationale bepalingen

2.5.1. Eisers hebben aangevoerd dat sprake is van het ontnemen van eigendom en hebben daartoe een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol (EP). Ter ondersteuning van hun standpunt hebben zij gewezen op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) van 16 september 1996, Gaygusuz vs. Oostenrijk (LJN: AL8781) en van 6 juli 2005, Stec vs. Verenigd Koninkrijk (LJN: AU4054).

2.5.2. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige casus geen sprake is van eigendom, zodat een onrechtmatige ontneming daarvan van eisers dan ook niet aan de orde is.

2.5.3. Met betrekking tot de beëindiging van de halfwezenuitkering overweegt de rechtbank dat de halfwezenuitkering aan de overleden moeder van eisers toekwam. Een eigendom van eisers betrof dit derhalve niet.

2.5.4. Met betrekking tot het niet verkrijgen van een volle wezenuitkering overweegt de rechtbank dat een wezenuitkering een uitkering betreft welke toekomt aan een kind dat door het overlijden van een verzekerde ouderloos is geworden, hetgeen zich in casu, zoals in 2.4.3. geoordeeld, onbetwist niet voordoet, zodat de verwachting een dergelijke uitkering te verkrijgen niet als een eigendom kan worden aangemerkt. De rechtbank laat daarbij in het midden of een mogelijke toekenning van een wezenuitkering, een recht afhankelijk van een onzekere gebeurtenis, als zodanig als een eigendom danwel als vallend binnen het bereik van het eigendomsbegrip is aan te merken.

2.5.5. Ter zitting is namens eisers aangevoerd dat het IVRK materiële rechten van het kind betreft die gerealiseerd kunnen worden via de ouders. Aangezien eisers volledig afhankelijk waren van het inkomen van de overleden vader, zijn eisers van mening op grond van het IVRK recht te hebben op een wezenuitkering.

In dit verband merkt de rechtbank op dat Nederland uitdrukkelijk een voorbehoud heeft gemaakt bij artikel 26 van het IVRK. Dit artikel bepaalt dat staten voor ieder kind het recht erkennen de voordelen te genieten van voorzieningen der sociale zekerheid, met inbegrip van sociale verzekeringen. Op grond van het voorbehoud aanvaardt Nederland het bepaalde in artikel 26 van het IVRK zolang deze bepaling niet verplicht tot een zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheid. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat, zoals reeds is overwogen, eisers geen rechthebbende zijn van een halfwezenuitkering en uit dien hoofde niet voldoen aan de in de Anw gestelde voorwaarden. Voor een wezenuitkering komen eisers niet aanmerking wegens onverzekerdheid van moeder.

2.5.6. Voor het overige merkt de rechtbank op dat de bepalingen van artikel 27 IVRK, gelet op hun formulering, geen norm bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.

Uit deze bepalingen vloeit geen rechtstreekse verplichting voor verweerder voort om de primaire verantwoordelijkheid van ouders om voor hun kind te zorgen over te nemen. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn jurisprudentie (vgl. zijn uitspraken met nummers LJN: AS9909 en AZ9524) bepaald dat dit artikel geen rechtstreekse werking heeft.

2.5.7. Eisers beroep op het IVRK kan gelet op het bovenstaande niet slagen.

2.6. Conclusie

2.6.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden de halfwezenuitkering ten behoeve van eisers heeft beëindigd en de aanvraag om een volle wezenuitkering heeft afgewezen. De rechtbank zal de beroepen van eisers daarom ongegrond verklaren.

2.6.2. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2009 door mr. C.G. Meeder, voorzitter en mrs. M.T. Boerlage en N.M. van Waterschoot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Slooten, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B