Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ0889

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
AWB 08-3966 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na vernietiging in hoger beroep alsnog bijstand toegekend maar slechts tot aan de datum van een nieuwe aanvraag die buitenbehandeling was gesteld. De nieuwe aanvraag was niet nodig geweest als destijds bijstand was toegekend . Een algemeen uitgangspunt in het schadevergoedingsrecht is dat de rechtsgevolgen van een door de rechter vernietigd besluit zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt Bezien dient alsdan te worden welke situatie die zich redelijkerwijze zou hebben voorgedaan, indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen. Dat betekent dat achteraf bezien zo nodig dient te worden geabstraheerd van de werkelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/3966 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: [gemachtigde]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde verweerder]

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft verweerder, gevolg gevend aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 augustus 2008, opnieuw beslist op het bezwaar van eiser, dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 4 mei 2005 ingetrokken en alsnog bijstand toegekend aan eiser met ingang van 28 januari 2005 tot en met 9 mei 2005.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Bij uitspraak van 14 augustus 2008 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BE8935) heeft de Centrale Raad van Beroep (verder CRvB) geoordeeld dat er geen gerede twijfel bestond omtrent de feitelijke woonsituatie van eiser, dat eiser verweerder had voorzien van alle gevraagde bescheiden en dat niet staande kan worden gehouden dat het recht op bijstand van eiser als gevolg van schending van de inlichten- en medewerkingsverplichting niet kan worden vastgesteld. De verwikkelingen rond het voorgenomen huisbezoek konden daar niet aan afdoen, nu voor een dergelijk bezoek een redelijke grond ontbrak, aldus de CRvB.

2.2 In het thans bestreden besluit heeft verweerder de bijstand alsnog verleend met ingang van de aanvraagdatum, echter slechts tot 10 mei 2005 omdat eiser op dat moment een nieuwe aanvraag heeft gedaan. Dat die aanvraag bij besluit van 14 juni 2005 buiten behandeling is gesteld doet daar niet aan af, volgens verweerder.

2.3 Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat de verlening van bijstand tot 10 mei 2005 bijstand onjuist is omdat hij geen nieuwe aanvraag zou hebben ingediend als hem destijds met ingang van 28 januari 2005 bijstand was toegekend. Verweerder had moeten onderzoeken tot welke datum het recht op bijstand bestond en heeft dit ten onrechte niet gedaan. Eiser is uiteindelijk gaan werken op 23 mei 2005, echter voor een zeer korte periode, waarna het recht op bijstand weer zou herleven.

2.4 De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de uitspraak van de CRvB en de daarop volgende herroeping door verweerder van het primaire besluit van 4 mei 2005, is komen vast te staan dat het primaire besluit tot weigering van bijstand van 4 mei 2005 onrechtmatig was.

2.5 De rechtbank is, met eiser, van oordeel dat verweerder, gevolg gevend aan de uitspraak van de CRvB, ten onrechte de bijstand slechts heeft toegekend tot 10 mei 2005, zijnde de datum waarop eiser een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Een algemeen uitgangspunt in het schadevergoedingsrecht is dat de rechtsgevolgen van een door de rechter vernietigd besluit zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 februari 2000, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AA5249). Bezien dient alsdan te worden welke situatie die zich redelijkerwijze zou hebben voorgedaan, indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen. Dat betekent dat achteraf bezien zo nodig dient te worden geabstraheerd van de werkelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht wat er, achteraf bezien, redelijkerwijze zou zijn gebeurd als de bijstand op 4 mei 2005 niet zou zijn geweigerd maar was verleend. In dat geval zou er voor eiser geen noodzaak zijn geweest op 10 mei 2005 een nieuwe aanvraag om bijstand in te dienen, omdat eiser, achteraf bezien, zonder het onrechtmatige besluit, bijstand zou hebben genoten. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend en heeft ook ter zitting desgevraagd niet kunnen motiveren waarom bij het ongedaan maken van de gevolgen van het onrechtmatige besluit van 4 mei 2005 met de aanvraag van 10 mei 2005 rekening moet worden gehouden.

2.6 Overigens vermag de rechtbank niet in te zien waarom de datum van een nieuwe aanvraag bepalend is voor de –achteraf vast te stellen- duur van de bijstand. Allereerst is die aanvraag van 10 mei 2005 buiten behandeling gesteld zodat daarop geen inhoudelijk besluit is genomen. In de tweede plaats, en van groter gewicht, is dat voor de achteraf te bepalen einddatum van de bijstand wel relevant is dat is komen vast te staan dat eiser op enig tijdstip niet meer voldoet aan de voorwaarden voor bijstandsverlening, bijvoorbeeld doordat eiser voor langere tijd aan het werk is gegaan of uit de gemeente is vertrokken; niet is in te zien dat een nieuwe aanvraag op zichzelf voor die afweging van belang is. Zolang achteraf niet vast komt te staan dat eiser in het geheel niet meer voldoet aan de voorwaarden voor bijstand, dient deze, achteraf, te worden toegekend.

2.7 Eiser stelt dat hij slechts kort aan het werk geweest in mei 2005. Alsdan brengt het ongedaan maken van de gevolgen van het vernietigde en dus onrechtmatige besluit tot intrekking van bijstand mee dat die inkomsten –achteraf- in mindering worden gebracht op de bijstand, die in mei dan wel juni 2005 had moeten worden verleend. Het gedurende een korte periode werken is mitsdien evenmin op zich zelf een grond om aan te nemen dat de bijstand op dat moment definitief zou zijn beëindigd.

2.8 De rechtbank komt mitsdien tot het oordeel dat verweerder geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de CRvB van 14 augustus 2008. Het bestreden besluit zal worden vernietigd omdat dit niet deugdelijk is gemotiveerd, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal voorts bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak. Gelet op de tijd die verstreken is sedert het primaire, onrechtmatige besluit van verweerder van 4 mei 2005 en gelet voorts op de omstandigheid dat nader onderzoek door verweerder moet worden verricht ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder binnen acht weken een nieuw besluit neemt. Gelet op de omstandigheid dat verweerder zonder motivering geen juist gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de CRvB ziet de rechtbank voorts aanleiding om een dwangsom op te leggen, teneinde een finale geschillen beslechting te bevorderen.

2.9. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, forfaitair begroot op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting). Deze dienen aan de griffier te worden betaald omdat eiser met een toevoeging (4HC3882) heeft geprocedeerd. Verweerder dient daarnaast het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 29 augustus 2008;

3. bepaalt dat verweerder binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak, op straffe van een dwangsom van € 100,- (zegge: honderd euro) per dag dat verweerder hiermee in gebreke blijft, door verweerder te betalen aan eiser;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank.

5. bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 39,- (zegge: negenendertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2009, door Y.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van R.E. Toonen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier, de rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

DOC: B

Afschrift verzonden op: