Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ0854

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
AWB 08-543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenhang Wav en paragraaf B5/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000

De vreemdeling is in ieder geval van 20 oktober 1998 tot 19 oktober 1999 en vervolgens van 18 december 2001 tot 19 oktober 2002 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Op 18 december 2001 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsdocument waarop de aantekening staat: “Arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist”. Gelet op de ingangsdatum van de eerste verblijfsvergunning van 19 oktober 1998, en de einddatum van de laatst verleende verblijfsvergunning van 19 oktober 2002, is er aanleiding te veronderstellen dat de vreemdeling ten tijde van de afgifte van het verblijfsdocument op 18 december 2001 voldeed aan de voorwaarde van drie jaar beschikken over een verblijfsvergunning, zoals weergegeven in paragraaf B5/3.2. van de Vc 2000. Volgens dit beleid geldt voor de werkgever de verplichting van het beschikken van een twv niet voor een vreemdeling die drie jaar in het bezit is geweest van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Hierbij is niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige. Nu er een samenhang bestaat tussen de Wav en het beleid van de staatssecretaris van Justitie, had het op de weg van verweerder gelegen nader onderzoek te doen naar de verblijfsstatus van de vreemdeling en de daarmee samenhangende vraag of voor de door vreemdeling verrichte arbeid voor eiseres sinds 2002, een twv was vereist. Het besluit komt voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 3:2 van de Awb en 7:12 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/543

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuurszaken

in het geding tussen:

V.O.F. [naam], eiseres,

gemachtigde: mr. J.A. Kroes, advocaat te Amsterdam

en:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder,

gemachtigde: mr. W. de Bakker, ambtenaar op verweerders ministerie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2007 heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 8000,-- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Hiertegen heeft eiseres op 20 februari 2007 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 28 december 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op 8 februari 2008 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 28 december 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2009. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens is verschenen [naam vennoot], vennoot van eiseres.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten

2. Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd van € 8000,-- en aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Tijdens een controle op 10 februari 2006 is iemand [naam] van Poolse nationaliteit, werkend aangetroffen in het bedrijf van eiseres, een bloembinderij. Eiseres beschikte niet over een tewerkstellingsvergunning (twv) voor deze vreemdeling. Aan het verblijfsdocument van de vreemdeling kon eiseres niet de conclusie verbinden dat de vreemdeling ook als werknemer arbeid kon verrichten. Het was de vreemdeling toegestaan om als zelfstandige arbeid te verrichten in het kader van “Export van Gebruikte Caravans enz”, maar hij kon niet als werknemer arbeid verrichten. Daarbij komt dat de vreemdeling ten tijde van de controle niet beschikte over een geldig verblijfsdocument aangezien dit geldig was tot 19 oktober 2002.

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

3. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav is onder meer bepaald dat het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing is met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, voor zover deze vreemdeling arbeid verricht als zelfstandige.

4. In artikel 4, eerste lid, van de Wav is bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, evenmin van toepassing is met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een krachtens de Vw 2000 afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

In het tweede lid staat dat een zodanige aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling - voor zover hier van belang - die gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

5. In paragraaf B5/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 staat dat artikel 4 van de Wav bepaalt dat het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder twv arbeid te laten verrichten niet geldt voor een vreemdeling die beschikt over een vergunning welke is voorzien van een aantekening van de Minister waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist’.

Zo’n aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling die onder meer gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

Ten aanzien van een vreemdeling die drie jaar de beschikking heeft gehad over een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldt voor de werkgever niet langer de verplichting te beschikken over een twv. Het is hierbij niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige. Deze vreemdeling krijgt op het verblijfsdocument de aantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist’. Deze wijziging wordt bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning doorgevoerd bij de aanvraag van het verblijfsdocument, dat wil zeggen nadat de vreemdeling drie jaar houder van de voor arbeid geldige vergunning is geweest.

6. Eiseres heeft in beroep het volgende aangevoerd. De vreemdeling is sinds oktober 2001 vrij op de Nederlandse arbeidsmarkt, dat wil zeggen dat een twv voor hem niet is vereist. Niet relevant is of sprake is geweest van arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige. Eiseres wijst op het beleid in de Vc 2000. De vreemdeling werkt sedert 2002 voor eiseres en heeft na 2002 zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland verplaatst. Het recht om arbeid te verrichten heeft hij dus steeds behouden, ongeacht de vraag of hij in de tussentijd in het bezit was van een verblijfsvergunning. Weliswaar was de vreemdeling ten tijde van de controle niet in het bezit van een verblijfsdocument, maar hij had als Pool sedert 1 mei 2004 een geldig verblijfsrecht op basis van het EU-Verdrag. Ten slotte stelt eiseres dat sedert 1 mei 2007 ten aanzien van Poolse onderdanen geen twv is vereist.

7. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiseres voor de vreemdeling verrichte arbeid over een twv diende te beschikken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

8.1 In beroep heeft eiseres een besluit van 1 maart 1999 van de staatssecretaris van Justitie gericht aan de vreemdeling overgelegd, waarin is vermeld dat hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking “arbeid als zelfstandige”, met ingang van 20 oktober 1998 geldig tot 19 oktober 1999. Verder blijkt uit een in bezwaar overgelegd op zijn naam gesteld verblijfsdocument dat hij beschikte over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgegeven op 18 december 2001 en geldig tot 19 oktober 2002. Op dit document staat “arbeid als zelfstandige Export van Gebruikte Caravans enz”. Arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist”.

8.2. Uit voornoemde documenten kan worden afgeleid dat de vreemdeling in ieder geval van 20 oktober 1998 tot 19 oktober 1999 en vervolgens van 18 december 2001 tot 19 oktober 2002 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Op 18 december 2001 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsdocument waarop de aantekening staat: “Arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist”. Ingevolge het hiervoor weergegeven beleidsonderdeel in de Vc 2000 wordt zo’n aantekening afgegeven aan een vreemdeling die onder meer gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

Gelet op de ingangsdatum van de eerste verblijfsvergunning van 19 oktober 1998, en de einddatum van de laatst verleende verblijfsvergunning van 19 oktober 2002, is er aanleiding te veronderstellen dat de vreemdeling ten tijde van de afgifte van het verblijfsdocument op 18 december 2001 voldeed aan de voorwaarde van drie jaar beschikken over een verblijfsvergunning, zoals weergegeven in het beleid van de Vc 2000, reden waarom de aantekening “arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist” op zijn verblijfsdocument is geplaatst. Dit beleidsonderdeel in de Vc 2000 gold reeds in 2002. Volgens dit beleid geldt voor de werkgever de verplichting van het beschikken van een twv niet voor een vreemdeling die drie jaar in het bezit is geweest van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Hierbij is niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige. Verweerders stelling dat de verblijfsaantekening “Twv niet vereist” enkel betrekking heeft op het verrichten van arbeid als zelfstandige, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Nu er een samenhang bestaat tussen de Wav en het beleid van de staatssecretaris van Justitie, had het, gelet op het voorgaande, op de weg van verweerder gelegen nader onderzoek te doen naar de verblijfsstatus van de vreemdeling en de daarmee samenhangende vraag of voor de door vreemdeling verrichte arbeid voor eiseres sinds 2002, een twv was vereist. Immers, het gaat om een punitieve sanctie, zodat aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen moeten worden gesteld. Het ter zitting ingenomen standpunt dat de vreemdeling niet onafgebroken drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning is in het licht van het vorenstaande onvoldoende onderbouwd om dit aan te nemen.

8.3. Verder heeft eiseres aangevoerd dat Poolse onderdanen vanaf 1 mei 2004 niet over een verblijfsvergunning hoefden te beschikken ten bewijze van hun verblijfsrecht. De rechtbank kan deze stelling volgen. Met de toetreding van Polen tot de EU op 1 mei 2004 behoefde de vreemdeling sindsdien als EU-onderdaan geen document te hebben waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt. Het rechtmatig verblijf vloeit immers rechtstreeks voort uit de bepalingen van het EG-verdrag. Dat de vreemdeling ten tijde van de controle niet over een verblijfsdocument beschikte, leidt dus niet zonder meer tot de conclusie dat hij geen rechtmatig verblijf genoot.

8.4. Nu gelet op het voorgaande niet is uitgesloten dat de vreemdeling sedert 2002 arbeid mocht verrichten zonder dat eiseres over een twv voor hem moest beschikken en deze situatie na 1 mei 2004 niet is gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en een draagkrachtige motivering ontbeert.

9. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond. Verweerder zal met inachtneming van het voorgaande binnen zes weken een beslissing op bezwaar dienen te nemen.

10. Op grond van het voorgaande bestaat aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In lijn met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op € 644,--. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde per punt is € 322,--. Deze kosten dienen te worden vergoed door de Staat der Nederlanden.

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 143,--.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiseres;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 143,-- (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G. Panday, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2009.

De griffier is verhinderd De voorzitter,

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: GP

Coll.: YHK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.