Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ0726

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
13.497.180-2009 / 09/1597
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2 en 9 OLW. Overlevering voor een deel van de feiten geweigerd in verband met vervolging in Nederland, dan wel omdat vervolging in Nederland voor zelfde feiten aannemelijk is en de stukken op dit punt onvoldoende helderheid verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.180-2009

RK nummer: 09/1597

Datum uitspraak: 24 april 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 maart 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 3 maart 2009 door de Justice of the Peace bij de Preston Magistrates’ Court te Preston, Lancashire, Verenigd Koninkrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het huis van bewaring “Nieuwegein” te Nieuwegein,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 april 2009. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, gehoord. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling van de vordering aanwezig te zijn.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB liggen ten grondslag:

- Een warrant of arrest in First instance, issued in respect of 10 offences, by Mr David Peet Justice of the Peace Preston Magistrates’Court d.d. 3 maart 2009;

- en een warrant issued by the Crown Court at Kongston Upon Thames in respect of 2 offences d.d. 19 augustus 2004.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 14 naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Britse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 1 tot en met 10 aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 en 6 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

Illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De feiten 11 en 12 zijn zowel naar het recht van het Verenigd Koninkrijk als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Medeplegen van mishandeling;

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat, nu deze feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn, de overlevering dient te worden geweigerd voor de feiten 13 en 14. Deze feiten zijn omschreven als het verzuimen om zich over te geven voor hechtenis bij de rechtbank na op borgtocht te zijn vrijgelaten.

5. Artikelen 2 en 9 van de OLW.

De raadsman heeft er op gewezen dat de opgeëiste persoon voor een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht in Nederland wordt vervolgd en reeds door de rechtbank Haarlem is veroordeeld. In de Haarlemse strafzaak is hem naast betrokkenheid bij diverse specifiek aangeduide cocaïnetransporten tevens telastegelegd dat hij zich in de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008 heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen aangaande cocaïnehandel. Onder deze voorbereidingshandelingen kan vrijwel alles worden begrepen wat niet geschaard kan worden onder de afzonderlijk vermelde transporten en fungeert aldus als een ‘veegbepaling’, aldus de raadsman. Het is daarom lastig uit te maken voor welke feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht de opgeëiste persoon reeds in Nederland wordt vervolgd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering integraal dient te worden toegestaan voor de feiten 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11 en 12.

Wat betreft de feiten 1 en 6 is zij van mening dat deze feiten voor een deel dezelfde strafbare gedragingen omvatten als waarvoor de opgeëiste persoon thans in Nederland wordt vervolgd. Voor het cocaïnetransport dat heeft plaatsgevonden op 19 december 2007 kan dit met zekerheid worden vastgesteld, zodat hier artikel 9 van de OLW aan overlevering in de weg staat.

Wat betreft de overige in de periode van 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008 aan de opgeëiste persoon verweten gedragingen betreffende cocaïne, bestaan er sterke aanwijzingen dat de opgeëiste persoon hier ook in Nederland voor wordt vervolgd in het kader van de door de raadsman genoemde voorbereidingshandelingen. De stukken geven echter onvoldoende helderheid en zijn op dit punt dan ook ongenoegzaam.

De officier van justitie is van mening dat de overlevering voor de feiten 1 en 6 dient te worden toegestaan, uitgezonderd waar het betreft de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de overlevering voor de feiten 1 en 6 dient te worden geweigerd voor zover het betreft de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008. De opgeëiste persoon is in Nederland vervolgd voor het cocaïnetransport dat op 19 december 2007 in het Verenigd Koninkrijk is onderschept. De overlevering voor dit transport dient derhalve te worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, van de OLW. Wat betreft de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008 is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat aannemelijk is dat de opgeëiste persoon voor een deel van de verweten gedragingen zoals vermeld in het EAB ook in Nederland wordt vervolgd. Nu de stukken hieromtrent onvoldoende helderheid verschaffen acht de rechtbank de omschrijving van de feiten 1 en 6, voor zover het betreft de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008, ongenoegzaam.

6. Onschuldverweer

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in de periode dat hij gedetineerd zat in verband met de Haarlemse strafzaak onmogelijk de hem verweten feiten kan hebben gepleegd. Hij acht de onschuld van de opgeëiste persoon voor die periode aangetoond.

Naar het oordeel van de rechtbank kan verblijf in detentie in beginsel een reden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een feit waarvan hij wordt verdacht onmogelijk kan hebben gepleegd, echter alleen in gevallen waarbij de feitelijke aanwezigheid van de opgeëiste persoon is vereist voor het begaan van dat delict. In het onderhavige geval wordt de opgeëiste persoon verdacht van in deelneming begane feiten, te weten het in vereniging handel drijven in, en de invoer van, verdovende middelen en vuurwapens, waarbij de opgeëiste persoon als hoofdorganisator van de misdaadgroep wordt aangemerkt. Verblijf in detentie sluit deelneming aan deze feiten niet uit. Het verweer wordt verworpen.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

Uit het dossier blijkt dat een aantal van de feiten waarvoor de justitiële autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de opgeëiste persoon willen vervolgen, gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond nu:

• de drugs bestemd waren voor de Britse markt waardoor de rechtsorde in Groot-Brittannië rechtstreeks is aangetast.

• de opsporing en de vervolging van de opgeëiste persoon en medeverdachten reeds zijn aangevangen in Groot-Brittannië; aldaar bevinden zich tevens de stukken en het bewijs.

• Dit een omvangrijk onderzoek betreft, lopende vanaf september 2006 met 200 getuigen.

De raadsman acht vervolging in Nederland aangewezen nu aannemelijk is dat het bewijs voornamelijk door de Nederlandse justitie is vergaard en vervolgens aan de Britse justitiële autoriteiten is doorgespeeld. De aan de opgeëiste persoon verweten gedragingen hebben grotendeels in Nederland plaatsgevonden. De raadsman is op grond hiervan van mening dat het gebruik van het bewijs is voorbehouden aan de Nederlandse justitie.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, zij in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Gelet op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de OLW dient daarom te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Overige verweren

Artikel 6 EVRM

De raadsman heeft er op gewezen dat in de brief van de Crown Advocate d.d. 1 april 2009 opgenomen informatie – dat de leden van de criminele groep, waaronder de opgeëiste persoon, voorafgaande aan een transport elastische handschoenen droegen – merkwaardigerwijze niet voorkomt in het Haarlemse onderzoek. De raadsman acht het aannemelijk dat deze observaties zijn gedaan door Nederlandse opsporingsambtenaren die deze informatie vervolgens aan de Britse autoriteiten hebben doorgezonden. De raadsman ziet hierin een aanwijzing voor schending van artikel 6 EVRM.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman, nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd.

9. Slotsom

Nu ten aanzien van een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd, te weten de feiten vermeld in onderdeel e) van het EAB onder 1 met uitzondering van de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008, 2, 3, 4, 5, 6 met uitzondering van de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008, 7, 8, 9, 10, 11 en 12, is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan voor deze feiten. Voor het overige dient de overlevering te worden geweigerd.

10. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 47, 300 en 310 Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de OLW.

11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Justice of the Peace bij de Preston Magistrates’ Court te Preston, Lancashire, Verenigd Koninkrijk, ten behoeve van het in het Verenigd Koninkrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten vermeld in onderdeel e) van het EAB onder 1 met uitzondering van de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008, 2, 3, 4, 5, 6 met uitzondering van de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008, 7, 8, 9, 10, 11 en 12, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Justice of the Peace bij de Preston Magistrates’ Court te Preston, Lancashire, Verenigd Koninkrijk, ten behoeve van het in het Verenigd Koninkrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten vermeld in onderdeel e) van het EAB onder 1 voor zover het betreft de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008, 6 voor zover het betreft de periode 19 mei 2007 tot en met 18 januari 2008, 13 en 14, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.C. Boeree, voorzitter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en J.H.J. Evers, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 april 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.