Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI9961

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
428795 / KG ZA 09-1136 AD/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Manderen heeft in kort geding - kort gezegd - gevorderd om Stadgenoot te verbieden een eerder gewezen bodemvonnis, op grond waarvan Manderen aan Stadgenoot een bedrag moet betalen, verder te executeren. Vordering is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 428795 / KG ZA 09-1136 AD/MV

Vonnis in kort geding van 25 juni 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ MANDEREN B.V.,

gevestigd te Maarn,

eiseres bij dagvaarding van 2 juni 2009,

advocaat mr. A. Köker te Amstelveen,

tegen

de vereniging

WONINGBOUWVERENIGING STADGENOOT,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.T. Craemer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Manderen en Stadgenoot worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 10 juni 2009 heeft Manderen gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Stadgenoot heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig aan de zijde van Manderen [statutair directeur], statutair directeur, met mr. Köker en aan de zijde van Stadgenoot [manager juridische zaken], manager juridische zaken, met mr. Craemer.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Manderen is in verschillende juridische procedures verwikkeld met zowel Stadgenoot als de gemeente Amsterdam. Stadgenoot (althans haar rechtsvoorgangster Woningbouwvereniging Het Oosten) en de gemeente Amsterdam hebben ten laste van Manderen vier conservatoire beslagen gelegd op een onder notaris [notaris] (hierna de notaris) te Amsterdam rustend, en aan Manderen verschuldigd, depot van € 3.000.000,- (exclusief rente). Deze beslagen zijn:

(1) een door Stadgenoot op 27 september 2007 gelegd beslag ingevolge verlof verleend voor een bedrag van € 1.800.000,-;

(2) een door de gemeente Amsterdam op 11 maart 2008 gelegd beslag ingevolge verlof verleend voor een bedrag van € 5.385.742,-;

(3) een door Stadgenoot op 22 juli 2008 gelegd beslag ingevolge verlof verleend voor een bedrag van € 7.000.000,-;

(4) een door de gemeente Amsterdam op 19 maart 2009 gelegd beslag ingevolge verlof verleend voor een bedrag van € 2.218.000,-.

Verder heeft Stadgenoot (althans haar rechtsvoorgangster) ten laste van Manderen conservatoir beslag gelegd onder zichzelf, onder de ABN-AMRO bank en op een aan Manderen in eigendom toebehorend pand aan [plaats].

2.2. In een procedure tussen Stadgenoot als eiseres en Manderen als gedaagde heeft deze rechtbank op 28 januari 2009 vonnis gewezen. In dit vonnis zijn de vorderingen van Stadgenoot gedeeltelijk toegewezen en is Manderen onder meer uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling aan Stadgenoot van € 1.470.530,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 maart 2006 en tot betaling van 10% van de aanneemsom zoals vermeld in bijlage 4 van de tussen partijen gesloten “Turnkeyovereenkomst”, eveneens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Verder is Manderen in dit vonnis veroordeeld tot betaling van de beslag- en proceskosten. Manderen heeft tegen het vonnis van 28 januari 2009 hoger beroep ingesteld.

2.3. De door Stadgenoot ingeschakelde deurwaarder (van het kantoor [deurwaarderskantoor], hierna de deurwaarder) heeft het onder 2.2 genoemde vonnis op 29 januari 2009 aan Manderen betekend. Bij exploot van 11 februari 2009 heeft de deurwaarder het vonnis aan de notaris betekend. Bij dit exploot is tevens aangezegd dat het op 27 september 2007 door Stadgenoot gelegde conservatoire beslag executoriaal is geworden.

2.4. Op 20 maart 2009 heeft de notaris ter uitvoering van het vonnis van 28 januari 2009 van het depot van € 3.000.000,- een bedrag van € 2.471.849,02 gestort op de kwaliteitsrekening van de deurwaarder. Het bedrag van € 2.471.849,02 is gebaseerd op een door de raadsman van Stadgenoot op 18 maart 2009 opgestelde berekening.

2.5. Stadgenoot heeft de executie aangezegd van het pand te [plaats]. Stadgenoot heeft aangekondigd dit pand op 25 juni 2009 te zullen veilen. Ter zitting heeft de raadsman van Stadgenoot medegedeeld dat deze veiling wordt uitgesteld naar een nog niet nader bepaalde datum.

3. Het geschil

3.1. Manderen vordert – kort gezegd – het volgende:

(1) Stadgenoot te veroordelen tot betaling van € 1.365.154,37 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 maart 2009;

(2) Stadgenoot te verbieden het vonnis van 28 januari 2009 nogmaals te executeren;

(3) opheffing van alle beslagen die Stadgenoot heeft gelegd in het kader van de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 28 januari 2009;

(4) een dwangsom te verbinden aan het onder (2) gevorderde;

(5) een en ander met veroordeling van Stadgenoot in de kosten van dit geding.

3.2. Manderen stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat door betaling door de notaris van € 2.471.849,02 het vonnis van 28 januari 2009 is uitgewerkt en de executoriaal geworden beslagen teniet zijn gegaan. Omdat Stadgenoot de beslagen niet heeft opgeheven, wordt dit in dit kort geding gevorderd. Ondanks dat aan het vonnis van 28 januari 2009 is voldaan, heeft Stadgenoot de executie aangezegd van het pand van Manderen in [plaats]. Op deze wijze executeert Stadgenoot het vonnis twee keer en dit dient haar te worden verboden. Met de executie van het pand te [plaats] op dit moment brengt Stadgenoot Manderen onherstelbare schade toe, mede omdat er een leveringsverplichting rust op dit pand. De notaris heeft bovendien te veel aan de deurwaarder betaald. De namens Stadgenoot opgestelde berekening is onjuist omdat hierin geen rekening is gehouden met het bedrag van € 888.637,65 dat Stadgenoot nog van Manderen onder zich had en dat verrekend moet worden met hetgeen Manderen aan Stadgenoot is verschuldigd. Verder is in de berekening van Stadgenoot geen rekening gehouden met het bedrag van € 18.228,98 dat is getroffen door het door Stadgenoot onder de ABN-AMRO bank gelegde beslag en dat op 10 maart 2009 aan de deurwaarder van Stadgenoot is uitgekeerd. Bovendien zijn de rentebedragen volgens Manderen onjuist vastgesteld. Volgens een door Manderen opgestelde berekening is zij op grond van het vonnis van 28 januari 2009 aan Stadgenoot slechts € 1.106.694,65 verschuldigd. De notaris heeft dan ook ter uitvoering van het vonnis € 1.365.154,37 te veel betaald, reden waarom Manderen dit bedrag thans terugvordert.

Ter zitting heeft Manderen aan haar in de dagvaarding gemelde gronden toegevoegd dat zij de overeenkomsten tussen haar en Stadgenoot heeft ontbonden, waardoor zij niet langer gehouden is de op de grond van deze overeenkomsten in het vonnis van 28 januari 2009 toegewezen bedragen te voldoen.

3.3. Stadgenoot heeft verweer gevoerd. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst zal worden beoordeeld of er aanleiding is om, zoals gevorderd, de door Stadgenoot gelegde beslagen op te heffen.

Deze vordering kan in ieder geval niet slagen voorzover deze zich richt tegen het beslag onder de ABN-AMRO bank. De ABN-AMRO bank heeft immers de gelden, overeenkomstig haar verklaring op de voet van de artikelen 720 en 476a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), aan de deurwaarder voldaan, waardoor de beslagen vordering, ingevolge artikel 477b lid 1 Rv, door voldoening is tenietgegaan en het beslag is geëindigd, zodat voor opheffing geen plaats meer kan zijn. Datzelfde geldt voor het beslag onder Stadgenoot zelf, nu zij zich op verrekening van haar vordering met haar door haar beslagen schuld heeft beroepen, waarmee zij geacht moet worden het beslag onder zichzelf te hebben vrijgegeven, zodat ook wat dit beslag betreft voor opheffing geen plaats meer kan zijn.

4.2. Het beroep van Manderen op de door haar gestelde buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomsten en haar standpunt dat Stadgenoot dientengevolge niets meer van Manderen te vorderen zou hebben wordt gepasseerd, nu dit beroep niet afdoet aan de uitvoerbaarheid van het vonnis van 28 januari 2009 en onvoldoende is gesteld voor het oordeel dat Stadgenoot misbruik van executiebevoegdheid zou maken door het vonnis in weerwil van de gestelde ontbinding ten uitvoer te leggen. Voorshands dient dan ook te worden aangenomen dat de door Stadgenoot ten laste van Manderen gelegde conservatoire beslagen onder de notaris en op het pand te [plaats] ingevolge artikel 704 lid 1 Rv executoriaal zijn geworden door betekening van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 28 januari 2009 aan Manderen en aan de notaris.

4.3. Het aldus in een executoriaal beslag overgegane conservatoire beslag onder de notaris rust nog immer op het door de notaris nog niet aan de deurwaarder afgedragen gedeelte van het door de notaris aan Manderen, overeenkomstig zijn verklaring op de voet van de artikelen 720 en 476a lid 1 Rv, verschuldigde bedrag van het depot. De notaris is ingevolge artikel 477 lid 1 Rv nog tot afdracht van dit bedrag gehouden. Ook indien, zoals Manderen stelt, het door de notaris afgedragen gedeelte van het depot voldoende is voor de voldoening van het restant van de vordering van Stadgenoot – de vordering uit hoofde van het vonnis van 28 januari 2009 na aftrek van het door de ABN-AMRO bank afgedragen bedrag en na aftrek van het door Stadgenoot in verrekening gebrachte bedrag – is hier van belang dat naast Stadgenoot ook de gemeente Amsterdam onder de notaris op het door hem aan Manderen verschuldigde beslag heeft gelegd. De gemeente Amsterdam geldt hier dan ook als een beslaglegger in de zin van artikel 478 lid 1 Rv, waarvoor de deurwaarder de volledige beslagen vordering van Manderen op de notaris mede dient te innen, nu niet vaststaat dat deze beslagen vordering voldoende is voor de voldoening van het restant van de vordering van Stadgenoot èn de vordering van de gemeente Amsterdam. Vervolgens dient de deurwaarder de opbrengst ingevolge artikel 480 lid 2 Rv in bewaring te stellen, nu de gemeente Amsterdam tevens geldt als een schuldeiser die op het goed (de vordering van Manderen op de notaris) beslag heeft gelegd in de zin van artikel 480 Rv. Tenslotte kan dan de meest gerede partij om de benoeming van een rechter-commissaris verzoeken overeenkomstig artikel 481 lid 1 Rv, te wiens overstaan de verdeling zal plaatsvinden. Met het oog hierop zijn er nu geen termen aanwezig voor de opheffing van het beslag onder de notaris. Manderen heeft zich op het standpunt gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met het beslag en de, nog vast te stellen, vordering van de gemeente Amsterdam, omdat het beslag van de gemeente Amsterdam een conservatoir beslag is. Dat standpunt is niet juist, nu ook een nog conservatoir beslag van een derde een beslag is als bedoeld in de artikelen 478 en 480 Rv. De gegrondheid van de vordering van de gemeente Amsterdam staat in dit geding niet ter beoordeling.

4.4. Wat betreft het beslag op het pand te [plaats] en de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis wordt als volgt geoordeeld. De afdracht door de notaris aan de deurwaarder heeft tot gevolg dat de notaris in zoverre bevrijdend heeft betaald jegens Manderen (zie artikel 478 lid 2 Rv), maar niet, zonder verdere uitbetaling aan Stadgenoot, dat Manderen jegens Stadgenoot bevrijdend heeft betaald. Niet weersproken is dat Stadgenoot tot op heden geen (volledige) betaling heeft ontvangen. De deurwaarder is ingevolge artikel 480 lid 2 Rv ook niet bevoegd om hetgeen hij van de notaris heeft ontvangen nu aan Stadgenoot uit te keren, tenzij overeenstemming bestaat over de verdeling tussen Manderen, Stadgenoot en de gemeente Amsterdam. Deze overeenstemming is er op dit moment niet.

4.5. Nu Stadgenoot geen betaling heeft ontvangen kan niet worden gezegd dat aan het vonnis van 28 januari 2009 is voldaan en dat het daarom niet verder zou mogen worden ten uitvoer gelegd. De door Stadgenoot aangezegde executie van het pand te [plaats], kan dan ook niet worden aangemerkt als “het voor de tweede keer” executeren van het vonnis. Het staat Stadgenoot als executant in beginstel vrij om zich te verhalen op alle vermogensbestanddelen van Manderen, totdat zij volledig is voldaan. Voor verdere tenuitvoerlegging van het vonnis is ook niet vereist, zoals Manderen heeft gesteld, dat eerst de door de notaris afgedragen gelden worden verdeeld ten overstaan van een rechter-commissaris overeenkomstig de artikelen 481 en verdere Rv. Stadgenoot heeft voldoende belang bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan, nu niet vaststaat dat de vordering van de gemeente Amsterdam ongegrond is en Stadgenoot derhalve uit het door de notaris af te dragen bedrag volledig zal kunnen worden voldaan. Evenmin is gesteld of gebleken dat het vonnis klaarblijkelijk berust op en juridische of feitelijke misslag, of dat de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van Manderen een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Dit leidt tot de conclusie dat ook de vordering tot opheffing van het beslag op het pand te [plaats] en de vordering onder (2) zoals weergegeven onder 3.1. tot een verbod tot verdere tenuitvoerlegging van het vonnis, dienen te worden afgewezen.

4.6. Wat betreft de vordering onder (1) zoals weergegeven onder 3.1. tot (terug)betaling van € 1.365.154,37 met rente dient tenslotte als volgt te worden geoordeeld. Ingevolge artikel 477 Rv dient de notaris al hetgeen hij als derde-beslagene aan Manderen is verschuldigd (zoals volgt uit de op grond van artikel 476a Rv door de notaris afgegeven verklaring) aan de deurwaarder af te dragen. Deze verplichting van de notaris is niet beperkt tot hetgeen Manderen op grond van het vonnis van 28 januari 2009 aan Stadgenoot is verschuldigd (tenzij tussen alle belanghebbende partijen over een beperkte afdracht overeenstemming zou bestaan, hetgeen niet het geval is). De exacte hoogte van het door Manderen aan Stadgenoot verschuldigde bedrag is daarvoor niet relevant. Van een eventuele terugbetaling van enig bedrag kan vervolgens pas sprake zijn na volledige voldoening van de vorderingen van Stadgenoot en van de gemeente Amsterdam. Bovendien dient dan een vordering tot afdracht van het overschot zich te richten tegen de houder van de opbrengsten en niet tegen de executant. Ook de vordering onder (1) dient derhalve te worden afgewezen.

4.7. Manderen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stadgenoot worden begroot op:

- vast recht € 262,00

- salaris procureur 816,00

Totaal € 1.078,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt Manderen in de proceskosten, aan de zijde van Stadgenoot tot op heden begroot op € 1.078,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.E. Dorsman, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2009.