Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI9949

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
13-457775-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op doodslag. Verdachte heeft het slachtoffer bedreigd en geslagen met een doorgeladen pistool, terwijl hij de vinger aan de trekker had, waarna een worsteling is ontstaan om de controle over het wapen. Daarbij is een schot afgegaan. Het slachtoffer is niet geraakt. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij met een kogel uit zijn wapen het slachtoffer zou doodschieten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/457775-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 20 mei 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “De Schans” te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.J.I. de Jong en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.G.D. Rutten en

door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde tenlastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1 primair:

op 9 november 2008 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een vuurwapen tegen het hoofd heeft geslagen en vervolgens met dat vuurwapen in de hand met die [slachtoffer] heeft geworsteld, waardoor dat vuurwapen is afgegaan;

Ten aanzien van feit 2:

op 9 november 2008 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht, en [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "ik schiet je" en "ik maak je kapot";

Ten aanzien van feit 3:

op 9 november 2008 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen met kracht heeft geslagen of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van feit 4:

op 9 november 2008 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 673 gram hennep.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair aangevoerd dat verdachte van de feiten 1 primair en subsidiair, 2 en 3 dient te worden vrijgesproken, aangezien het wettig bewijs wellicht voorhanden is, doch de overtuiging, dat verdachte deze feiten heeft begaan, ontbreekt. Feit 4 kan volgens de raadsman wel bewezen worden, nu verdachte dit feit heeft bekend. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om, indien de rechtbank van oordeel is dat het onder 1 ten laste gelegde wel bewezen kan worden, verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrij te spreken. De hiervoor benodigde opzet - ook in voorwaardelijke vorm - ontbreekt namelijk gelet op het gegeven dat het wapen per ongeluk is afgegaan na een worsteling met het slachtoffer, die door het slachtoffer zelf is geïnitieerd en voor verdachte onvoorzienbaar was.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3

Op 9 november 2008 doet [slachtoffer] om 09.36 uur aangifte van een poging tot doodslag, bedreiging en mishandeling door een voor hem onbekende man op genoemde datum omstreeks 02.00 uur.

[slachtoffer] verklaart dat hij in zijn auto reed en een aantal personen vervoerde die hij even daarvoor had opgehaald van een feest bij het buurtcentrum [buurtcentrum]. Ter hoogte van de kruising Meerkerkdreef en de Holendrechtdreef te Amsterdam wilde hij linksaf slaan. Daar werd hij ingehaald door een Volkswagen Golf. Hierop heeft hij door een verkeerde inschatting deze auto aan de achterzijde geraakt.

Hierna zag hij dat de bestuurder van de Golf zijn auto tot stilstand bracht en direct uitstapte. Ook de bijrijder stapte uit. De bestuurder kwam naar hem, [slachtoffer], toelopen en pakte een vuurwapen uit zijn broeksband. De bestuurder kwam naast hem staan terwijl [slachtoffer] zijn portier half geopend had. [slachtoffer] zag dat het vuurwapen door de bestuurder van de Golf op hem werd gericht en dat deze zijn vinger aan de trekker had. Vervolgens zag en voelde hij dat de bestuurder van de Golf hem met kracht een klap met het handvat van het vuurwapen gaf tegen de linkerzijde van zijn gezicht. Hij werd op zijn linkeroog geraakt en voelde een flinke pijnscheut.

Uit reactie heeft hij het vuurwapen met beide handen vastgepakt en naar rechts gedraaid; het wapen was toen niet meer op hem gericht. Op dat moment ging het wapen af. Hij hoorde een doffe knal en zag dat de huls uit het wapen viel en op de grond terecht kwam. Hij zag dat de bestuurder van de Golf zich losrukte en het vuurwapen wederom op hem richtte in de richting van zijn benen. Hij hoorde dat de bestuurder begon te dreigen en zei: “ik schiet je, ik schiet je, ik maak je kapot”.

Hierna zag hij dat de bestuurder van de Golf naar de passagierskant liep en plaats nam op de passagiersstoel van de auto van [slachtoffer]. [slachtoffer] moest van de bestuurder van de Golf gaan rijden. Uiteindelijk heeft hij zijn auto op een parkeerplaats tot stilstand gebracht. Tijdens de autorit is [slachtoffer] door de bestuurder van de Golf verschillende malen met kracht geslagen tegen beide kanten van zijn gezicht.

Op de parkeerplaats zag hij dat de eerder genoemde bijrijder zijn richting opkwam en hem vroeg om zijn rijbewijs. Ook zei de bijrijder dat hij hem morgen zou bellen om een en ander te regelen. Hierop heeft aangever zijn telefoonnummer en rijbewijs afgegeven.

De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen, noteert dat hij ziet dat [slachtoffer] behoorlijk letsel heeft aan zijn oog en lippen. Het linkeroog is opgezwollen en het oogwit van dit oog is rood van kleur. Er zijn verschillende wonden aan de lippen.i

Op 9 november 2008 om 15.47 uur heeft [slachtoffer] aanvullend aangifte gedaan. Hij verklaart dat hij na zijn eerste aangifte thuis gebeld werd en dat een onbekende mannenstem hem zei: “we hadden toch een afspraak?” Hij begreep dat het een van de mannen van die nacht moest zijn en zei dat hij over een kwartier op Kraaiennest kon zijn. Hierop heeft hij de politie gebeld en nadat deze haar fiat had gegeven om naar Kraaiennest te gaan, is hij daarheen vertrokken. Aangekomen op Kraaiennest zag hij een man staan. Hij verklaart dat hij hem meteen herkende als de man die hem met het vuurwapen en met de blote handen had geslagen. De man is bij hem ingestapt en op aanwijzing van de man zijn ze naar de flat Kikkenstein gereden. Daar moest hij van de man stoppen. Op dat moment kwam de politie aanrijden en werd de man uit zijn auto gehaald. Hij herkent de man als degene die met het vuurwapen heeft geschoten, die hem de afgelopen nacht met het vuurwapen heeft bedreigd en geslagen en zonder wapen heeft geslagen.ii

Het letsel dat [slachtoffer] die nacht heeft opgelopen is beschreven in een geneeskundige verklaring van 9 november 2008. Geconstateerd wordt dat hij een fors opgezwollen linkerjukbeen heeft en een scheurwond van zes à zeven mm doorsnede met een lengte van ongeveer zes centimeter boven zijn linkerwenkbrauw. Tevens heeft hij fors gezwollen lippen, een wond aan het mondslijmvlies onder de onderlip rechts, volledig geperforeerd (vermoedelijk tand door lip heen geslagen) en een wond aan het slijmvlies bovenlip links, volledig geperforeerd (vermoedelijk tand door lip heen geslagen). Onbekend is vooralsnog hoe de heling van de wonden in het gelaat zal verlopen. Het letsel past bij de toedracht.iii

[persoon1] verklaart dat zij die nacht samen met haar nicht [persoon2] en twee jongens bij een snorder, [voornaam slachtoffer] genaamd, in de auto zat nadat zij hem na een feest bij het buurtcentrum van [buurtcentrum] had gebeld om haar te komen ophalen. Zij zag dat zij door een Volkswagen Golf werden ingehaald. Hierop reed [voornaam slachtoffer] tegen de auto aan. De bestuurder en de bijrijder stapten uit de Golf. De bestuurder van de Golf gaf [voornaam slachtoffer] een klap tegen de linkerkant van het gezicht. Zij zag dat de bestuurder van de Golf van dichtbij een vuurwapen op [voornaam slachtoffer] richtte. Zij is toen uitgestapt en hoorde twee schoten. Daarna zag zij dat de bestuurder van de Golf bij [voornaam slachtoffer] in de auto stapte en dat zij wegreden.iv

[persoon2] verklaart dat zij zich die nacht met haar nicht [persoon1] bij de snorder [voornaam slachtoffer] in de auto bevond en dat laatstgenoemde, na te zijn ingehaald door een Volkswagen Golf met in het kenteken de cijfers [cijfers], in botsing kwam met deze auto. Nadat zij uit de auto was gestapt, zag zij dat de bestuurder van de Golf aan de bestuurderskant van de auto van [voornaam slachtoffer] stond. Zij zag dat de bestuurder van de Golf [voornaam slachtoffer] sloeg. Zij denkt dat het met een wapen was. Kort hierop zag zij een vlam uit het vuurwapen komen en hoorde zij een doffe knal. Door de vlam wist zij zeker dat het een schot betrof.v

[persoon3] verklaart dat hij die nacht een lift kreeg aangeboden van [persoon1] die reeds een snorder had gebeld. Bij de kruising waar zij linksaf moesten slaan richting Holendrecht, reed de snorder tegen een auto voor hen. Toen hij uitgestapt was, zag hij dat het om een Golf ging. Hij zag dat de bestuurder van deze Golf [verdachte] was, die hij kent van school.vi

Verdachte heeft aanvankelijk tegenover de politie verklaard dat hij die nacht rond 02.15 uur in de auto van zijn moeder richting Holendrecht is gereden met twee jongens als passagiers in de auto en dat hij daar door een snorder is aangereden.vii

Op 17 november 2008 is een afgenomen wangslijmset van aangever [slachtoffer] onder nummer [nr] aangeleverd bij de Frontdesk van Forensische Opsporing.viii Dit referentiemonster is bij het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI) onderworpen aan DNA onderzoek. Uit het monster zijn DNA-profielen verkregen.ix

Verdachte was tijdens zijn aanhouding in het bezit van autosleutels die behoorden bij een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken]. Deze auto is op 9 november 2008 in beslag genomen x en daarna onderzocht. Door de verbalisanten werd op het handschoenenkastje aan de linkerbovenzijde een veeg geconstateerd. Deze veeg was rood van kleur en mogelijk afkomstig van een op bloed gelijkende substantie.xi Ten behoeve van DNA onderzoek is het bloed bemonsterd onder serienummer [nr].xii Deze bemonstering is bij het NFI onderworpen aan DNA onderzoek. Het hieruit verkregen DNA-profiel is vergeleken met DNA-profiel verkregen uit het referentiemonster van aangever [slachtoffer] en matchte daarmee. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.xiii

Eveneens is bij de doorzoeking van de woning van de oma van verdachte, waar verdachte verbleef, een spijkerbroek aangetroffen waarover zijn oma verklaarde dat verdachte die in de ochtend van 9 november 2008 toen hij thuiskwam over de wasmand heeft gehangen en de avond daarvoor had gedragen.xiv Verdachte heeft bevestigd dat het kan zijn dat hij de broek toen had gedragen.xv De spijkerbroek is inbeslaggenomen en ter onderzoek aangeboden aan de afdeling Forensische Opsporing.xvi De spijkerbroek is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn op diverse plekken sporen van mogelijk bloed aangetroffen. De spijkerbroek is vervolgens gemerkt met het zegelnummer [nr] en voor DNA onderzoek aangeboden aan het NFI.xvii Door het NFI zijn drie bloedsporen bemonsterd waarvan twee op de voorzijde van de spijkerbroek en één op de achterzijde waarvan DNA-profielen zijn verkregen. Eveneens zijn de hieruit verkregen DNA-profielen vergeleken met het DNA-profiel verkregen uit het referentiemonster van aangever [slachtoffer] en deze matchten daarmee. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.xviii

Ten slotte is op 17 november 2008 bij [slachtoffer] een zwarte baseballcap die hij ten tijde van het gebeurde droeg, in beslag genomen onder nummer 3483186. In de klep van de pet zou zich mogelijk een doorschot bevinden. xix De baseballcap is aan het NFI aangeboden voor een onderzoek naar de vraag of de aanwezige beschadigingen perforaties betreffen die mogelijk het gevolg geweest zijn van een doorschot van een kogel. xx Om vast te stellen of de beschadigingen in- of uitschotbeschadigingen betreffen is de baseballcap visueel onderzocht met het blote oog en met behulp van het binoculair en zijn microchemische testreacties op de aanwezigheid van kenmerkende stoffen uitgevoerd. Op de baseballcap zijn drie beschadigingen aangetroffen, te weten rechts op de klep, links op de klep en aan de onderzijde van de klep, waarover wordt geconcludeerd dat deze beschadigingen respectievelijk een mogelijke inschotbeschadiging, een mogelijke uitschotbeschadiging en een mogelijke inschotbeschadiging vormen. xxi

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals hiervoor in de voetnoten is weergegeven.

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte xxii

- een proces-verbaal van bevindingen xxiii

- een verslag van het rapport van de politiedeskundige [politiedeskundige] xxiv

4.3.2. Nadere overwegingen

4.3.2.1. De verklaring van verdachte

Verdachte ontkent [slachtoffer] te hebben mishandeld en bedreigd. Hij zegt dat niet hij maar een ander de Volkswagen Golf bestuurde, en dat een ander, [persoon4], [slachtoffer] heeft mishandeld en bedreigd. Voor dit laatste beroept verdachte zich op mededelingen van die inhoud die hij heeft gedaan aan een medegedetineerde tijdens hun transport op 17 december 2008. Dat gesprek is buiten zijn weten afgeluisterd en opgenomen.

Dit een en ander vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Aan de in het transportbusje gedane mededeling hecht de rechtbank geen waarde, ook al wist verdachte toen niet dat hij werd afgeluisterd. Verdachte heeft verschillende verklaringen afgelegd wie [slachtoffer] heeft mishandeld en bedreigd, steeds om zijn ontkenning dat hij de dader was te substantiëren. Overigens zegt verdachte in dit afgeluisterde gesprek ook dat hij de Volkswagen Golf bestuurde, terwijl hij dit thans ontkent. Verdachte kan, zo blijkt uit de Pro Justitia rapportage d.d. 27 juni 2004, schaamteloos liegen.

4.3.2.2. Voorwaardelijk opzet

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat geen sprake kan zijn van een poging tot doodslag aangezien de daarvoor vereiste opzet, ook in de voorwaardelijke variant, ontbreekt.

De rechtbank is echter, met de officier van justitie, van oordeel dat in het onderhavige geval wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag zoals onder feit 1 primair is tenlastegelegd.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte een vuurwapen, en wel een pistool, bij zich moet hebben gehad en dat daarmee is geschoten. Naast [slachtoffer] verklaren verschillende personen het wapen te hebben gezien. Zij hebben een schot of schoten gehoord en de daarbij behorende mondingsvlam gezien. Het door [slachtoffer] gedragen petje lijkt te zijn doorschoten. Na het schot heeft verdachte een huls opgeraapt. Dat wijst op schieten met een pistool.

Uitgaande van de aangifte van [slachtoffer], welke steun vindt in de verklaring van [persoon1], kan de situatie die tot het afgaan van het schot heeft geleid, en die, welke daarop is gevolgd, als volgt worden geschetst.

Verdachte is met het pistool uit de Volkswagen Golf gestapt en is naar de auto van [slachtoffer] gelopen. Hij heeft het wapen op [slachtoffer] gericht en had daarbij zijn vinger aan de trekker. Verdachte stond toen naast de auto van [slachtoffer], ter hoogte van het linkervoorportier. [slachtoffer] was op dat moment bezig uit te stappen. Hij heeft het linkervoorportier van zijn auto half geopend en een been buiten de auto gezet. Verdachte heeft [slachtoffer] toen met het pistool in het gezicht geslagen. Daarna heeft [slachtoffer] het pistool dat verdachte nog steeds vasthield, vastgepakt in een poging dit in een zodanige richting te draaien dat een schot daaruit hem niet zou treffen. Tijdens die worsteling om de controle over het vuurwapen is het schot gelost. Verdachte heeft zich vervolgens losgerukt, het wapen op de benen van [slachtoffer] gericht en [slachtoffer] ook met woorden bedreigd.

Uit het voorgaande volgt dat het wapen was doorgeladen op het moment waarop verdachte [slachtoffer] daarmee sloeg.

Niet is aannemelijk geworden dat verdachte de bedoeling had op [slachtoffer] te schieten. Wel volgt uit het voorgaande dat bij verdachte het voorwaardelijk opzet op doodslag aanwezig was. Verdachte moest weten dat bij een worsteling om de controle over een doorgeladen vuurwapen, waarbij hij de vinger aan of om de trekker had, een grote kans bestond dat het wapen zou afgaan en ook dat in dat geval een kogel daaruit de ander dodelijk zou treffen. Het eerste is gebeurd, het tweede niet. Dat was niet aan verdachte te danken, want hij had door zijn gebrek aan controle over het wapen [slachtoffer] die met hem in worsteling was, evengoed in een vitaal lichaamsdeel kunnen treffen.

Verdachte heeft deze situatie in het leven geroepen door met het doorgeladen wapen en met zijn vinger aan de trekker de ander te bedreigen en te slaan. Een reactie daarop was te verwachten, ook die, welke [slachtoffer] heeft gekozen om zich te verdedigen. Verdachte heeft dus de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij met een kogel uit zijn pistool [slachtoffer] zou doodschieten.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair aangevoerd dat verdachte van de feiten 1 tot en met 3 dient te worden vrijgesproken. Voor feit 4 zou dan een taakstraf passend zijn. Indien verdachte niettemin voor alle feiten zal worden veroordeeld, acht de raadsman een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis passend.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken. Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit. Ter zake van een aantal delicten als de onderhavige is een dergelijke afspraak gemaakt en de rechtbank zal deze dan ook als een uitgangspunt voor de strafoplegging nemen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Na een aanrijding midden in de nacht heeft verdachte een snorder die passagiers in zijn auto had, met een vuurwapen bedreigd en met dat wapen mishandeld. Tijdens een worsteling om het wapen is een schot afgegaan. De passagiers zijn de auto uitgevlucht.

Dit alles moet voor de snorder en zijn passagiers heel bedreigend zijn geweest.

Dat de snorder niet dodelijk is getroffen is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft de worsteling uitgelokt, terwijl hij de vinger aan de trekker van het doorgeladen wapen had. Bij iets minder geluk zou hij de snorder hebben doodgeschoten.

Daarna heeft verdachte de snorder opnieuw bedreigd, de snorder gedwongen om met hem in de auto ergens heen te rijden en de snorder tijdens die rit verschillende malen met de vuist hard in het gezicht geslagen.

Verdachte liet de snorder pas gaan nadat deze zijn rijbewijs had afgegeven en zijn telefoonnummer had opgegeven. Nog dezelfde dag heeft de verdachte de snorder enige malen gebeld voor het maken van een afspraak voor het regelen van de schade aan de auto van verdachte. Verdachte is aangehouden toen hij weer bij de snorder in de auto zat voor het regelen van de schade.

Ook wat er na het schot is gebeurd, was voor de snorder heel bedreigend. Bovendien heeft verdachte de snorder ook flink in zijn gezicht verwond. Daarvan heeft de snorder veel pijn ondervonden en hij heeft zich hiervoor onder doktersbehandeling moeten laten stellen waarbij aanzienlijk letsel is geconstateerd.

De rechtbank neemt verdachte het voorgaande ernstig kwalijk. Verdachte heeft een ander herhaaldelijk ernstig mishandeld en hij heeft een situatie doen ontstaan die buitengewoon beangstigend was voor anderen. Voor de snorder heeft verdachte die angstige situatie bovendien heel lang laten voortbestaan.

Tevens weegt de rechtbank mee dat verdachte een vuurwapen heeft gehanteerd, waardoor de angst ter plaatse is versterkt, zowel voor het slachtoffer als voor degenen die getuigen zijn geweest. Zij verklaren onder andere uit de auto te zijn gevlucht en later niet goed te hebben kunnen slapen. Voorts hebben de gepleegde mishandelingen plaatsgevonden op de openbare weg. Door dit soort feiten worden de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

Daarnaast heeft verdachte een aanzienlijke hoeveelheid wiet voorhanden gehad. Hierdoor wordt de handel in verdovende middelen in stand gehouden die gepaard pleegt te gaan met meer of minder ernstige andere misdrijven.

Verder houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met het gegeven dat uit het uittreksel justitiële documentatie d.d.12 november 2008 blijkt dat verdachte reeds meerdere keren is veroordeeld voor geweldsmisdrijven.

Eveneens heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen in de pro Justitia Rapportage d.d. 27 juni 2004 omtrent verdachte is vermeld.

De rechtbank is niettemin van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de eis van de officier van justitie niet geheel aansluit bij de door de rechtbank als uitgangspunt te hanteren oriëntatiepunten. Tevens houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met zijn jeugdige leeftijd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 285, 287, 300 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 3:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J.H.M. van de Ven en A.E.J.M. Gielen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T.N. van Lith, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2009.

i Een proces-verbaal met nummer 2008312680-1 d.d. 9 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar1], inhoudende de aangifte van [slachtoffer], doorgenummerde pag. C1 1 e.v.

ii Een proces-verbaal met nummer 2008312680-8 d.d. 9 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar2] en [opsporingsambtenaar11] inhoudende de aanvullende aangifte van [slachtoffer], doorgenummerde pag. C1 19 e.v.

iii Een verslag van de GG&GD van 9 november 2008, inhoudende een letselverklaring[0] opgemaakt door de arts [arts], doorgenummerde pag. 8.

iv Een proces-verbaal met nummer 2008312680-16 d.d. 10 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar3] en [opsporingsambtenaar11], doorgenummerde pag. C1 37 e.v.

v Een proces-verbaal met nummer 2008312680-18 d.d. 11 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar4] en [opsporingsambtenaar5], doorgenummerde pag. C1 40 e.v.

vi Een proces-verbaal met nummer 2008312680-22 d.d. 27 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar2], doorgenummerde pag. C1 43 e.v.

vii Een proces-verbaal met nummer 2008312680-15 d.d. 10 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar5] en [opsporingsambtenaar3], doorgenummerde pag B1 12 e.v.

viii Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008312680-3 d.d. 22 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar6], doorgenummerde pag. C3 1 e.v.

ix Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 5 februari 2009, nummer 2009.01.09.019, opgemaakt door [deskundige], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte, doorgenummerde pag. C1 133 e.v.

x Proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2008312680-9 d.d. 9 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar7], doorgenummerde pag. E1 1 e.v.

xi Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008312680-1 d.d. 9 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar7] en [opsporingsambtenaar8], doorgenummerde pag. C1 28 e.v.

xii Proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2008312680-21 d.d. 10 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar6], doorgenummerde pag. 4 e.v.

xiii Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 5 februari 2009, nummer 2009.01.09.019, opgemaakt door [deskundige], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte, doorgenummerde pag. C1 133 e.v.

xiv Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008312680-13 d.d. 9 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar9], doorgenummerde pag. C1 29-30.

xv Proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 2008312680-25 d.d. 28 januari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar10] en [opsporingsambtenaar2], doorgenummerde pag. B1 30 e.v.

xvi Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008312680-1 d.d. 10 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar9], doorgenummerde pag. C1 31.

xvii Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008312680-3 d.d. 22 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar6], doorgenummerde pag. C3 1 e.v.

xviii Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 5 februari 2009, nummer 2009.01.09.019, opgemaakt door [deskundige], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte, doorgenummerde pag. C1 133 e.v.

xix Proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2008312680-20 d.d. 17 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar2], doorgenummerde pag. E2 1 e.v.

xx Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008312680-3 d.d. 22 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar6], doorgenummerde pag. C3 1 e.v.

xxi Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 1 april 2009, nummer 2009.01.09.019, opgemaakt door [deskundige], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte.

xxii Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 mei 2009.

xxiii Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008312680-13 d.d. 9 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar9], doorgenummerde pag. C1 29 en 30.

xxiv Een verslag van 11 november 2008, laboratoriumnummer 2272N08, van drs. [politiedeskkundige], politiedeskundige, opgemaakt in de zaak tegen de verdachte [verdachte].

Parketnummer: 13/457775-08 (PROMIS)

Inzake: [verdachte]