Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI9930

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
411230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

arbitrage, Verdrag van New York, schorsing van de tenuitvoerlegging, zekerheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: 411230 / KG RK 08-3652

Beschikking van 18 juni 2009

in de zaak van

de rechtspersoon naar Iers recht

LOJACK EQUIPMENT IRELAND LTD.,

gevestigd te Dublin (Republiek Ierland),

verzoekster,

advocaat: mr. F.B. Falkena,

tegen

A,

wonende te (woonplaats),

verweerder,

advocaat: mr. B.J.C. de Haan.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als LoJack en A.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie op 31 oktober 2008;

- de beschikking van 20 maart 2009, waarbij een mondelinge behandeling van het verzoekschrift is gelast;

- het verweerschrift ex artikel 1075 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tevens voorwaardelijk verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis d.d. 19 juni 2008 ex artikel 1076 lid 7 jo. 1066 lid 2 Rv tevens voorwaardelijk verzoek tot zekerheidstelling ex artikel 1076 lid 7 jo. 1066 lid 5 Rv en artikel 6 Verdrag van New York, met producties, ingekomen ter griffie op 14 mei 2009;

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoekschrift van 15 mei 2009, met de daarin vermelde processtukken.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Op 21 april 2006 is tussen LoJack en A een overeenkomst (verder: de overeenkomst) tot stand gekomen. LoJack huurde hierbij A in als consultant werkzaam in opdracht van LoJack. In de overeenkomst wordt vermeld dat daarvan deel uitmaken de door LoJack gehanteerde “LoJack Consulting Agreement Standard Terms and Conditions” (Terms and Conditions). De Terms and Conditions luiden, voor zover hier van belang:

“(…)

10.6. Arbitration

Any controversy between the parties hereto involving (…) any claim arising out of or relating to the subject matter of this Agreement will be submitted to and be settled by final and binding arbitration in Boston, Massachusetts in accordance with the Rules for Commercial Arbitration of the American Arbitration Association then in effect. (…)”

2.2. LoJack heeft de overeenkomst met A op 10 januari 2007 opgezegd tegen 31 januari 2007. Op grond van de overeenkomst was A gehouden, na beëindiging van de overeenkomst, van LoJack in bruikleen verkregen zaken aan LoJack te retourneren. A heeft dit niet gedaan.

2.3. LoJack is een arbitrageprocedure aangevangen bij het International Centre for Dispute Resolution (ICDR) te Massachusetts (Verenigde Staten van Amerika). De toenmalige raadsman van LoJack heeft A en diens toenmalige raadsman,

B, bij brief van 5 december 2007 bericht dat LoJack een arbitrageprocedure was aangevangen tegen A. Als bijlage heeft de raadsman van LoJack aan A en B een afschrift van een “Online Filing Demand For Arbitration/Mediation Form” gezonden. In het formulier heeft LoJack beschreven wat haar claim was, de gronden van haar claim, wat de geldelijke waarde van haar claim was, alsmede het arbitragebeding waarop zij een beroep deed. De raadsman van LoJack heeft A en B tevens als bijlage een afschrift gezonden van het door de American Arbitration Association (AAA) gehanteerde reglement. Het reglement luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

R-42. Form of Award

(…)

(b) The arbitrator need not render a reasoned award unless the parties request such an award in writing prior to appointment of the arbitrator or unless the arbitrator determines that a reasoned award is appropriate.

(…)”

2.4. Het ICDR heeft een arbiter aangesteld. In het kader van de arbitrageprocedure hebben voorbereidende telefoongesprekken plaatsgevonden, waaraan door LoJack, alsmede door A en de aangestelde arbiter is deelgenomen. De arbiter heeft partijen door middel van de “Third Scheduling Order” (Order) van 16 mei 2008 onder meer bericht dat een eerder door hem geplande datum voor een hoorzitting zou worden verplaatst naar 11 juni 2008 om 9.00 uur in het kantoor van de AAA te Boston, Massachusetts. De arbiter heeft tevens bepaald dat A, dan wel zijn vertegenwoordiger, in persoon diende te verschijnen.

2.5. A heeft LoJack en de arbiter bij faxbericht van 10 juni 2008 laten weten dat hij niet ter hoorzitting aanwezig zou zijn.

2.6. A heeft op 11 juni 2008, voorafgaand aan de hoorzitting, aan de arbiter per e-mail een stuk gezonden, genaamd “Pro Memoria For Involved Parties In Case” (Pro Memoria), waarin hij zijn standpunt met betrekking tot de vordering van LoJack heeft uiteengezet. Voor zover hier van belang luidt de Pro Memoria:

“(…)

Since this would prejudice the quick conclusion of the case I would not object the choice [voorzieningenrechter: voor de aangestelde arbiter] since C [voorzieningenrechter: de aangestelde arbiter] assured to me during the conference call that he is completely neutral. I notice explicitly that It is also my intention not to object since I would like to speed up the case. (…)”

2.7. De arbiter heeft op 19 juni 2008 schriftelijk uitspraak gedaan. De arbiter heeft daarbij onder meer beslist dat A aan LoJack $ 19.100,-- dient te voldoen, vermeerderd met rente ad 12%, vanaf 19 juni 2008 tot aan de volledige betaling. Verder heeft de arbiter beslist dat A aan LoJack $ 1.025,-- dient te voldoen ter zake door haar betaalde verschotten en kosten. A heeft niet aan de veroordeling voldaan.

3. Het verzoek

3.1. LoJack verzoekt de voorzieningenrechter – na aanvulling van haar verzoekschrift en enigszins verkort weergegeven – verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis van 19 juni 2008, met veroordeling van A in de kosten van de procedure, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. LoJack verzoekt – voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat de erkenning van het arbitrale vonnis een zelfstandig onderdeel is van het verzoek tot exequaturverlening – erkenning van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis van 19 juni 2008 en verlof tot tenuitvoerlegging van het vonnis in Nederland, met veroordeling van A in de volledige proceskosten van deze procedure, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. LoJack legt aan haar verzoek ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst heeft bestaan, waarin een arbitragebeding is opgenomen. LoJack is op grond van dit arbitragebeding een arbitrale procedure aangevangen tegen A. A is bij arbitraal vonnis van 19 juni 2008 veroordeeld tot betaling aan LoJack van $ 19.100,--, vermeerderd met rente ad 12% vanaf 19 juni 2008, alsmede in de kosten van de arbitrageprocedure ad totaal EUR 1.025,--. Ondanks herhaalde aanmaningen heeft A niet aan het arbitrale vonnis voldaan. LoJack verzoekt daarom verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis in Nederland.

3.3. A voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het zelfstandig verzoek

4.1. A verzoekt – onder de voorwaarde dat het verzoek van LoJack wordt toegewezen – schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis, althans een bevel aan LoJack om ten behoeve van A voldoende zekerheid te stellen.

4.2. LoJack voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of verlof kan worden verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis van 19 juni 2008.

5.2. Op het verzoek van LoJack is het “Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken” van 10 juni 1958, Tractatenblad 1959/58 (Verdrag van New York), waarbij zowel het Koninkrijk der Nederlanden als de Verenigde Staten van Amerika partij zijn, van toepassing.

5.3. A heeft tegen het verzoek als meest verstrekkend verweer aangevoerd, dat LoJack in strijd heeft gehandeld met artikel IV van het Verdrag van New York. Zo heeft LoJack – naar de voorzieningenrechter begrijpt – geen origineel of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift van de arbitrageovereenkomst overgelegd. Verder heeft LoJack niet een behoorlijk gelegaliseerd origineel van het arbitrale vonnis of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift daarvan overgelegd. Daarnaast heeft LoJack geen vertaling, opgesteld of gewaarmerkt door een officiële of beëdigde vertaler, van de hiervoor vermelde documenten overgelegd, aldus nog steeds A. A verbindt aan het een en ander het gevolg dat LoJack niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat het verzoek van LoJack wegens het ontbreken van deze stukken moet worden afgewezen.

5.4. Artikel IV van het Verdrag van New York bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…)

1. To obtain the recognition and enforcement mentioned in the preceding article, the party applying for recognition and enforcement shall, at the time of the application, supply:

(a) The duly authenticated original award or a duly certified copy thereof;

(b) The original agreement referred to in article II or a duly certified copy thereof.

2. If the said award or agreement is not made in an official language of the country in which the award is relied upon, the party applying for recognition and enforcement of the award shall produce a translation of these documents into such language. The translation shall be certified by an official or sworn translator or by a diplomatic or consular agent.

(…)”

5.5. Overwogen wordt dat het Verdrag van New York geen sancties stelt op het niet nakomen door LoJack van de vereisten van artikel IV. Reeds om deze reden kan A niet worden gevolgd in zijn conclusie dat LoJack niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen.

5.6. Ook anderszins bestaat geen aanleiding op de onder r.o. 5.3. weergegeven gronden LoJack niet ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen. Artikel IV, lid 1 aanhef van het Verdrag van New York spreekt over “shall, at the time of the application, supply”, hetgeen een dwingend voorschrift lijkt te zijn. Een redelijke uitleg van artikel IV, lid 1 Verdrag van New York brengt echter met zich dat de daarin vermelde vereisten dienen om het bestaan en de inhoud van de overeenkomst waarbij arbitrage is overeengekomen en van het arbitrale vonnis te kunnen vaststellen.

LoJack heeft een exemplaar van de tussen partijen gesloten overeenkomst met het daarin vervatte arbitragebeding en het – naar LoJack onbetwist heeft gesteld –origineel van het door de arbiter ondertekend arbitrale vonnis aan de voorzieningenrechter overgelegd. A heeft tegen deze stukken slechts aangevoerd dat het hem niet bekend is dat door LoJack het origineel van de tussen partijen gesloten overeenkomst in het geding is gebracht en dat hij niet bekend was met het vonnis tot aan het moment van de oproep door de rechtbank. A kon echter niet volstaan met deze blote betwisting van de door LoJack in het geding gebrachte stukken. Hij heeft immers niet betwist dat de in het geding gebrachte overeenkomst de door hem en LoJack gesloten overeenkomst betreft. A heeft verder in het geheel geen aanknopingspunten gegeven die tot de conclusie moeten leiden dat het overgelegde arbitrale vonnis niet tussen hem en LoJack, althans niet met de daarin vermelde inhoud, is gewezen. Bij deze stand van zaken moet, mede gelet op het doel van artikel IV, lid 1 Verdrag van New York, aan het verweer van A worden voorbijgegaan.

Aan het verweer van A dat van voornoemde stukken geen vertaling in het geding is gebracht moet eveneens worden voorbijgegaan. Gesteld noch gebleken is dat A de inhoud van de stukken niet begrijpt, terwijl de voorzieningenrechter de Engelse taal voldoende beheerst om de inhoud van de stukken te doorgronden.

5.7. A heeft verder aangevoerd dat LoJack naast de tenuitvoerlegging niet tevens de erkenning van het arbitrale vonnis heeft verzocht, zodat het verlof ook om deze reden niet kan worden verleend.

Artikel III Verdrag van New York bepaalt:

“(…)

Each Contracting State shall recognize arbitral awards as binding and enforce them in accordance with the rules of procedure of the territory where the award is relied upon, under the conditions laid down in the following articles. (…)”

Gelet op artikel III Verdrag van New York, faalt het verweer van A. Uit artikel III volgt immers dat iedere Verdragsluitende staat (in dit geval het Koninkrijk der Nederlanden) scheidsrechterlijke uitspraken als bindend zal erkennen en ten uitvoer zal leggen, mits aan de voorwaarden van het verdrag is voldaan. Dat LoJack niet primair expliciet om erkenning van het arbitrale vonnis heeft verzocht doet hier niet aan af, daar het blijkens voormeld artikel geen constitutief vereiste voor de erkenning is.

5.8. A heeft zich op het standpunt gesteld dat hem niet op behoorlijke wijze kennis is gegeven van het bestaan van de arbitrageprocedure en van de benoeming van de arbiter, zoals vereist door artikel V Verdrag van New York. Hij zou niet zijn betrokken bij de aanstelling van de arbiter.

LoJack heeft onbetwist gesteld dat A in ieder geval tot en met maart 2008 werd vertegenwoordigd door B. Vastgesteld wordt dat door de toenmalige raadsman van LoJack zowel aan A als aan B op 5 december 2007, onder meer, een afschrift is gezonden van het “Online Filing Demand For Arbitration”. In dit formulier heeft LoJack uiteengezet wat haar claim was, de gronden van haar claim, wat de geldelijke waarde van haar claim was, alsmede het arbitragebeding waarop zij een beroep deed. A heeft erkend dat hij het formulier heeft ontvangen. Hij moet derhalve worden geacht kennis te hebben kunnen nemen van de tegen hem aangevangen procedure.

Met betrekking tot zijn verweer dat hij niet is betrokken bij de aanstelling van de arbiter, wordt geoordeeld dat A in zijn Pro Memoria heeft medegedeeld expliciet geen bezwaar te willen maken tegen de aangestelde arbiter (zie hiervoor 2.6.). Hierop kan hij thans niet meer terugkomen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat ook voormelde verweren niet slagen.

5.9. Aan het verweer dat A niet in de gelegenheid is gesteld om een verweerschrift (“answering statement”) en een tegenclaim in te dienen, dient als onvoldoende gesteld te worden voorbijgegaan. A heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot die conclusie moeten leiden.

5.10. Ook het verweer van A, dat zonder inachtneming van zijn verhinderdata en op zeer korte termijn door het ICDR een zittingsdatum voor de hoorzitting is bepaald en dat hij daardoor in zijn verdediging is bemoeilijkt, kan niet slagen. Uit de door LoJack in het geding gebrachte Order (zie hiervoor 2.4.) van de arbiter van 16 mei 2008 blijkt dat A reeds toen is medegedeeld dat de hoorzitting op 11 juni 2008 om 9 uur ten kantore van de AAA te Boston zou plaatsvinden. Niet gebleken is dat A de Order niet heeft ontvangen. A moet derhalve bekend worden verondersteld met de geplande zittingsdatum. Dat A vervolgens heeft verkozen niet persoonlijk, noch bij vertegenwoordiger, te verschijnen, kan hij LoJack niet tegenwerpen.

5.11. A heeft ter mondelinge behandeling nog aangevoerd dat niet is gebleken dat de arbiter ter hoorzitting het door hem ingediende Pro Memoria met zijn verweer heeft behandeld en dat dit ook niet uit het arbitrale vonnis blijkt, althans dat de arbiter A’s verweer ongemotiveerd heeft verworpen. A verbindt hieraan de conclusie dat het arbitrale vonnis niet op de juiste wijze tot stand is gekomen en om die reden niet in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. A verliest met zijn verweer op dit punt echter uit het oog dat de arbiter, naar de voorzieningenrechter ambtshalve constateert, op grond van artikel R-42 sub b van de Commercial Arbitration Rules, niet een met redenen omklede uitspraak behoeft te geven, tenzij – samengevat – partijen hierom hebben verzocht, dan wel in het geval dat de arbiter dit passend acht. Dat deze laatste voorwaarden zijn vervuld is niet gebleken. Ook dit verweer faalt derhalve.

5.12. A heeft tot slot aangevoerd dat uit al hetgeen hij heeft aangevoerd volgt dat het arbitrale vonnis in strijd met de reglementen van de AAA, het Verdrag van New York, artikel 6 EVRM en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot stand is gekomen. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld volgt dat geen van de aangevoerde gronden doel treft, moet dit laatste verweer worden verworpen.

5.13. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld volgt dat geen van de verweren aan de zijde van A slaagt, zodat het verzoek van LoJack toewijsbaar is. Hiermee is tevens de voorwaarde vervuld waaronder A zijn zelfstandig verzoek heeft ingediend. Thans dient dan ook te worden beoordeeld of aanleiding bestaat de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis te schorsen, dan wel LoJack ten behoeve van A voldoende zekerheid te laten stellen.

5.14. A heeft aan zijn verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging ten grondslag gelegd dat hij voornemens is in de Verenigde Staten een vordering in te stellen tot vernietiging van het arbitrale vonnis. De stellingen van A worden aldus begrepen, dat hij zich ter zake de schorsing van de tenuitvoerlegging baseert op artikel 1076 lid 7 jo. 1066 lid 2 Rv en ter zake de zekerheidstelling op artikel 1066 lid 5 Rv en artikel VI Verdrag van New York.

5.15. Bij de beantwoording van de vraag of er gronden zijn voor schorsing van de tenuitvoerlegging dient de rechter zich een voorlopig oordeel te vormen over de (kans van slagen van de) vordering tot vernietiging en dienen tevens de belangen van partijen te worden gewogen. LoJack heeft in dit verband aangevoerd dat de termijn voor het instellen van een vernietigingsactie is verstreken, terwijl naar het recht van de staat Massachusetts, dat – naar LoJack onbetwist heeft aangevoerd – op het arbitrale vonnis van toepassing is, er geen gronden zijn om het vonnis te vernietigen. Desgevraagd heeft de raadsvrouw van A ter mondelinge behandeling te kennen gegeven dat het haar niet duidelijk was of het arbitrale vonnis zou kunnen worden vernietigd, omdat zij zich hierin nog niet had verdiept.

Bij de huidige stand van zaken, waarbij het, gelet op het tijdsverloop sinds het wijzen van het arbitrale vonnis, aannemelijk is dat de termijn voor het instellen van een vernietigingsactie is verstreken en A geen enkel aanknopingspunt heeft gegeven op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat een in te stellen vernietigingsactie kans van slagen heeft, bestaat geen aanleiding de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis te schorsen. Een afweging van de wederzijdse belangen van partijen leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat A niet over de financiële middelen zou beschikken om de vordering te voldoen, legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal. Deze enkele omstandigheid mag er niet aan in de weg staan dat LoJack de mogelijkheid wordt ontnomen haar rechten voortvloeiend uit het arbitrale vonnis uit te oefenen. Dat A, naar hij stelt, bij tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis een executiegeschil zal aanvangen, brengt evenmin met zich dat het belang van LoJack bij tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis moet wijken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, bestaat evenmin aanleiding LoJack te bevelen zekerheid te stellen, zoals bedoeld in artikel 1066 lid 5 Rv en artikel VI Verdrag van New York.

5.16. Hetgeen partijen verder nog hebben gesteld en aangevoerd behoeft, gelet op het vorenstaande, geen afzonderlijke behandeling meer.

5.17. A dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. LoJack heeft voorwaardelijk verzocht dat A wordt veroordeeld in de volledige kosten van deze procedure. Nu de voorwaarde waaronder dit verzoek heeft plaatsgevonden niet is vervuld, zal A conform het gebruikelijke tarief in de kosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van LoJack begroot op EUR 102,-- aan verschotten en EUR 904,-- (2 punten x tarief EUR 452,--) aan salaris advocaat.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1. bepaalt dat het tussen LoJack en A gewezen arbitrale vonnis van het International Centre for Dispute Resolution, van 19 juni 2008 (zaaknummer 50 145 t 00443 07) in Nederland wordt erkend en verleent LoJack verlof tot tenuitvoerlegging daarvan in Nederland;

6.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van LoJack tot op heden begroot op EUR 1.006,--;

6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4. weigert het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Schoorl en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2009.?