Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI9922

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
408498
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Aanhouding en doen van aangifte door winkelpersoneel onrechtmatige daad? Redelijk vermoeden van schuld

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0479
RAV 2009, 92
JA 2009/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 408498 / HA ZA 08-2662

Vonnis van 20 mei 2009

in de zaak van

A,

wonende te (woonplaats),

eiseres,

advocaat mr. H.F. Doeleman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MIGNON CITY B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.V. Meijers.

Partijen zullen hierna A en Mignon City genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 september 2008, met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 24 december 2008, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2009, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Mignon City exploiteert onder de handelsnaam DA Beauté Leidsestraat een drogisterij aan de Leidsestraat 74-76 te Amsterdam (hierna: DA).

2.2. A komt regelmatig bij DA. A heeft daar, voor zover van belang, op 26 maart 2007 producten van het merk ROC gekocht (onder meer “Retinox Multi Correction”). A was vervolgens op 9 april 2007 weer in de DA-winkel.

2.3. Op 9 april 2007 is A door medewerkers van DA aangehouden op verdenking van oplichting en is door mevrouw B, caissière bij DA (hierna: B), bij de politie aangifte gedaan van oplichting.

2.4. In het proces-verbaal van aangifte staat, voor zover van belang, het volgende:

“Vandaag maandag 9 april 2007 omstreeks 15.30 uur zat ik achter de kassa toen er een vrouw naar mij toekwam met een mandje met boodschappen en in haar hand twee producten van ROC, ze had ook een bonnetje en vertelde dat ze deze wilde retourneren. Ik sloeg het eerste product aan op de min in de kassa en lag het aan de rechterzijde van mij neer.

Aan deze zijde zit ook de detectie van de beveiliging die in de verpakking van onze producten aanwezig is. [ ] Op het moment dat ik het neerlag hoorde ik de beveiliging piepen, de beveiliging van het product werd dus gedeactiveerd. Ik vond dat vreemd want het zou al gebeurt moeten zijn toen deze klant het product gekocht had. Ik pakte het tweede product wat ze wilde inleveren en ook dit piepte op het moment dat ik het neerlag op de detectieplaat. Ik keek de klant aan en herkende haar toen als vaste klant, deze mevrouw komt vaker in de winkel en komt ook regelmatig goederen retour brengen. Er is al eens eerder gedacht dat dit niet klopte, maar we hebben nooit wat kunnen bewijzen.

Ik wilde de bedrijfsleider van het gebeuren in kennis stellen en vragen wat we moesten doen. De vrouw had mij een bonnetje gegeven dat de producten die ze wilde inleveren gekocht zouden zijn op 26 maart 2007 bij mijn collega C in onze winkel.

Op weg naar de bedrijfsleider sprak de beveiligingsmedewerker mij aan en vertelde mij dat hij de vrouw in de gaten had gehouden omdat hij haar herkende als klant en wist dat men dacht dat het niet altijd klopte wat de vrouw deed. Hij had gezien dat de vrouw de producten zojuist had gepakt in de winkel en niet al bij zich had toen ze binnen kwam.

De vrouw heeft onze winkel willen oplichten door goederen uit de winkel te pakken en net te doen of ze die al gekocht had en nu weer wilde inleveren. Als de beveiliging niet gepiept had en onze medewerker niet gezien had dat de deze goederen uit het schap pakte dan had ik haar het geld teruggegeven en waren wij opgelicht.”

2.5. De heer D, beveiligingsmedewerker bij DA (hierna: D), heeft op 9 april 2007 in de winkel ten overstaan van de politie een getuigenverklaring afgelegd. In het proces-verbaal van verhoor van getuige staat, voor zover van belang, het volgende:

“Ik ben werkzaam als gastheer van DA op de Leidsestraat 74 te Amsterdam. Vandaag 9 april 2007 omstreeks 13.45 uur zag ik een vrouw onze winkel in komen die ik herkende als vaste klant. Ook weet ik dat deze vrouw vaak goederen komt terug brengen en dat er wel twijfels zijn of dit allemaal wel klopt.

Ik besloot de vrouw in de gaten te houden en zag dat ze een mandje pakte en daar een stuk of vijf producten in lag. Vervolgens liep ze naar een andere afdeling en pakte twee producten van ROC. Ik zag vervolgens dat ze deze in de hand hield en nu ook een bonnetje had. Ze liep vervolgens direct naar de kassa. Ik dacht dat ze deze goederen ging betalen. Ik ben in de buurt van de kassa blijven staan. Ik zag dat de cassierre de goederen aansloeg die de vrouw net gepakt had. Ik hoorde het piepje van de detectieplaat van de beveiliging. Hierna kwam de cassierre achter haar kassa vandaan en liep mijn richting uit. Ze vertelde dat ze het niet vertrouwde omdat de vrouw de goederen terug wilde brengen. Ik vertelde haar toe dat ik had gezien dat ze deze producten net had gepakt in de winkel. Hierop hebben wij de vrouw aangesproken en de politie gebeld. De vrouw probeerde spullen die ze in de winkel gepakt had in te leveren met een bonnetje wat ze al bij zich had.”

2.6. Op 9 april 2007 om 13.57 uur is A in de DA-winkel door de politie als verdachte aangehouden en meegenomen naar het politiebureau Lijnbaansgracht 219 te Amsterdam. Diezelfde dag om 16.30 uur is A door de politie verhoord. In het proces-verbaal van verhoor verdachte staat, voor zover van belang, het volgende:

“Ik wilde vandaag spullen kopen in de DA op de Leidsestraat, ik kom daar wel vaker. Ik heb een mandje gepakt en ik denk ongeveer 11 artikel gepakt. Vijf producten waren van ROC, drie van Lift compleet en twee van Multi corretion. Ik ben naar de kassa gelopen om de goederen af te rekenen. Ik liet de cassierre de twee producten van Multi corretion zien en vroeg haar of ik deze zou kunnen ruilen als zou blijken dat de andere producten, Lift compleet, beter waren. Ik liet haar een bon zien van mijn eerdere aankoop op 26 maart 2007. Ik vroeg of ik het zou mogen ruilen als Lift Compleet beter was dan Multi Correction. Ik wilde weten of dit kon voor het geval ik uitslag zou krijgen van Lift Compleet.

De cassiere sloeg de artikelen aan en zei dat ze het aan de chef moest vragen. Er kwam een vrouw die zei u krijgt het niet mee. Er kwam ook een meneer die in gebrekkig Nederlands vroeg of ik mee naar achter wilde lopen omdat er allemaal klanten waren in de winkel. [ ]

Ik heb de winkel niet willen oplichten, de DA geeft niet eens geld terug, je krijgt een tegoed bon. Ik wilde de producten kopen en pas ruilen als het andere niet goed zou zijn.”

2.7. Op 17 september 2007 is de strafzaak tegen A behandeld waarbij de politierechter haar heeft vrijgesproken omdat hij het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen achtte.

3. Het geschil

3.1. A vordert Mignon City bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden immateriële schade ten bedrage van € 30.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van Mignon City in de kosten van de procedure.

3.2. A legt aan haar vordering ten grondslag dat Mignon City onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Het onrechtmatig handelen bestaat kort gezegd uit het onbezonnen staande houden van A en het lichtvaardig doen van aangifte van oplichting, althans het lichtvaardig beschuldigen van A van oplichting. De medewerkers van DA hebben ten onrechte aangifte gedaan en A ten onrechte door de politie laten oppakken. A verwijt de medewerkers van DA in het bijzonder dat zij geen wederhoor hebben gepleegd en haar niet nogmaals hebben gevraagd uiteen te zetten wat zij aan B had bedoeld te vragen. Ten gevolge van dit onrechtmatig handelen van DA heeft A immateriële schade geleden.

3.3. Mignon City voert, samengevat, als volgt verweer. Volgens haar is de gang van zaken geweest zoals weergegeven in het proces-verbaal van aangifte (2.4) en de getuigenverklaring van D (2.5). De medewerkers van DA hebben A er terecht van verdacht dat zij DA wilde oplichten door te proberen producten terug te brengen die zij zojuist uit het schap had gehaald en nog niet had betaald. De medewerkers van DA hebben A er wel degelijk op gewezen dat zij werd verdacht van oplichting en dat de politie was gebeld. A gaf toen geen weerwoord. A’s versie van het verhaal was bij de medewerkers van DA bekend, maar klopte volgens hen niet.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Dat A uiteindelijk niet strafrechtelijk is veroordeeld, brengt niet zonder meer met zich dat DA onrechtmatig heeft gehandeld door aangifte te doen. Ook in geval van vrijspraak kan immers wel sprake zijn geweest van een redelijke verdenking.

4.2. Het gaat er in het onderhavige geval niet om of achteraf eventueel kan worden vastgesteld dat de verdenking onterecht was, maar of op het moment van aanhouding en het doen van aangifte een redelijk vermoeden van schuld bestond. DA heeft het recht haar eigendommen te beschermen en in geval van verdenking van winkeldiefstal of oplichting aangifte te doen bij de politie. In het licht van hetgeen B en D blijkens hun verklaringen op 9 april 2007 hebben waargenomen, is hun conclusie dat zij op het moment dat A aangaf producten te willen ruilen dachten dat A producten probeerde te ruilen die zij kort tevoren uit de schappen had gehaald en dus nog niet had betaald, niet onbegrijpelijk. Het kan dan ook niet gezegd worden dat zij op dat moment A in redelijkheid niet van oplichting konden verdenken. De rechtbank ziet zich gesteund in deze conclusie door het feit dat het openbaar ministerie op basis van het volledige dossier – de verklaringen van de medewerkers van DA èn die van A – heeft besloten A te vervolgen. De officier van justitie had kunnen besluiten niet tot vervolging over te gaan (de zaak te seponeren) als hij/zij op grond van de verklaring van A geen reden tot vervolging had gezien. Het openbaar ministerie is in geval van een aangifte immers niet verplicht om tot vervolging over te gaan. Dit betekent dat niet alleen de medewerkers van DA, maar ook het openbaar ministerie, op basis van de verklaringen van partijen de conclusie hebben getrokken dat er sprake was van een redelijke verdenking.

4.3. De stelling van A dat de medewerkers van DA het beginsel van hoor en wederhoor zouden hebben geschonden, doet aan het voorgaande niet af. Mignon City stelt hier immers tegenover dat de medewerkers aan A kenbaar hebben gemaakt dat zij werd verdacht van oplichting. Mignon City heeft ook aangegeven dat de medewerkers van DA het verhaal van A eenvoudigweg niet geloofden. Zonder nadere toelichting van A, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien hoe de situatie zou zijn veranderd en de verdenking tegen A had kunnen worden weggenomen als zij in de gelegenheid was gesteld haar verhaal nogmaals te doen.

4.4. Uit al het voorgaande volgt dan ook niet dat Mignon City jegens A onzorgvuldig heeft gehandeld. De vordering van A zal dan ook worden afgewezen en de overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer.

4.5. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Mignon City worden begroot op:

- vast recht € 660,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.818,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van Mignon City tot op heden begroot op EUR 1.818,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.?