Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI9918

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
364211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Is het voorval aan boord van het vliegtuig een ongeval in de zin van de toepasselijke verdragsbepaling? Overmacht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 312
JA 2009/150 met annotatie van I. Koning
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 364211 / HA ZA 07-657

Vonnis van 20 mei 2009

in de zaak van

A,

Wonende te (woonplaats),

Advocaat mr. A.C.R. Molenaar,

Eiseres bij dagvaarding van dinsdag 6 februari 2007.

Tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht

EL AL ISRAEL AIRLINES LTD,

gevestigd te Tel Aviv (Israël),

advocaat mr. M.R. Oranje,

gedaagde.

Partijen zullen hierna A en El Al genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 februari 2007;

- de conclusie van antwoord van El Al van 9 mei 2007;

- het vonnis van 23 mei 2007;

- de brief met bijlagen van A van 5 oktober 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2007 en de daarin genoemde stukken;

- de akte overlegging en uitlating productie van El Al van 9 april 2008;

- de akte van antwoord van A van 9 april 2008;

- de akte overlegging en uitlating producties van El Al van 9 april 2008;

- de akte uitlating en overlegging producties van El Al van 23 april 2008;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2009 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast.

2.2. Op 15 januari 2006 bevond A zich op luchthaven Schiphol aan boord van vlucht LY337 van El Al. Zij had al plaatsgenomen op de haar toegewezen zitplaats toen een medepassagier, die een bagagestuk in het bagagevak boven het hoofd van A probeerde te plaatsen, het betreffende bagagestuk liet vallen op het hoofd van A. Eén van de stewardessen heeft de medische dienst van de luchthaven gewaarschuwd. A is onderzocht en heeft haar reis vervolgd. Tijdens de vlucht is A onwel geworden. Zij is behandeld door een zich onder de passagiers bevindende arts.

3. De vordering

3.1. A vordert samengevat – te verklaren voor recht dat El Al aansprakelijk is voor de door A geleden en nog te lijden schade, materieel en immaterieel, direct en indirect, ontstaan door het haar overkomen ongeval op 15 januari 2006. Voorts vordert A om El Al te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.867,75 vanwege het verlies van haar oorbel. Tevens vordert zij EL AL te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 6.000,- ten titel van voorschot onder algemene titel op de definitief vast te stellen schadevergoeding.

4. De grondslag van de vordering

4.1. A stelt primair dat El Al op grond van de artikelen 17, 18 en 20 van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer zoals gesloten te Warschau op 12 oktober 1929 (hierna: Verdrag van Warschau) en op grond van het Protocol tot wijziging van het te Warschau op 12 oktober 1929 ondertekende Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer van 28 september 1955 (hierna: Haags Protocol) aansprakelijk is.

4.2. A stelt dat in de onderhavige situatie sprake is van een “ongeval” als bedoeld in artikel 17 van het Verdrag van Warschau. A wijst in dit verband op de uitspraak Air France v B, 470 U.S. 392 (1985), in welke uitspraak het US Supreme Court het begrip “ongeval” zoals omschreven in artikel 17 van voornoemd Verdrag heeft gedefinieerd als “an unexpected or unusual event or happening that is external to the passenger” en waarin het Supreme Court heeft overwogen dat “this definition should be flexibly applied after assessment of all the circumstances surrounding a passenger’s injuries”.

4.3. A baseert aansprakelijkheid voor de geleden materiële schade – te weten de oorbel die zij naar eigen zeggen tijdens het incident is verloren – op artikel 18 van het Verdrag van Warschau.

4.4. A stelt zich voorts op het standpunt dat artikel 20 van voornoemd Verdrag in het licht van de genoemde uitspraak Air France v. B inhoudt dat van de vervoerder verwacht mag worden dat hij al de benodigde (voorzorgs)maatregelen neemt om ongelukken te voorkomen. A stelt zich op het standpunt dat El Al niet aan de uit artikel 20 voortvloeiende verplichting heeft voldaan.

4.5. A stelt hiertoe het volgende:

a. Het personeel heeft ten onrechte en in strijd met de werkinstructies niet geassisteerd bij het inladen van de handbagage in de overhead bins;

b. Het personeel heeft, in strijd met de werkinstructies, onvoldoende controle uitgeoefend op het gewicht en de omvang van de handbagage die aan boord werd gebracht;

c. Bovendien is, aldus A, geen ongevalrapportage opgemaakt, waardoor de identiteit van de passagier die het bagagestuk liet vallen, onbekend is gebleven en waardoor onduidelijk is gebleven om wat voor handbagage het ging.

4.6. A is subsidiair van mening dat El Al – op grond van de hierboven genoemde geschonden verplichtingen – verwijt treft voor de door haar geleden schade in verband met schending van artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

4.7. Meer subsidiair stelt A dat El Al verwijt treft op grond van artikel 6:162 BW.

5. Het verweer

5.1. El Al voert het volgende aan.

5.2. In de onderhavige zaak kan niet worden gesproken van een “ongeval” als bedoeld in artikel 17 lid 1 van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer zoals gesloten te Montreal op 28 mei 1999 (hierna: Verdrag van Montreal), nu van een “ongeval” in de zin van dit Verdrag slechts gesproken kan worden indien sprake is van voldoende verband tussen het incident en het vervoer door de lucht en aan deze voorwaarde in dit geval niet is voldaan. El Al stelt dan ook niet op grond van de vervoersovereenkomst aansprakelijk te zijn.

5.3. El Al wijst in dit verband op een vonnis van 27 november 2001 en een arrest van 28 augustus 2003 van respectievelijk de rechtbank Haarlem en het gerechtshof Amsterdam. Zowel de rechtbank als het gerechtshof oordeelden dat de enkele omstandigheid dat het voorval plaatsvindt aan boord van een vliegtuig niet het vereiste verband tussen het vervoer en het incident meebrengt zodat in een dergelijk geval geen sprake kan zijn van een “ongeval” in de zin van artikel 17 van het Verdrag van Montreal.

5.4. El Al voert aan dat de aan de vordering van A ten grondslag liggende feiten gelijk zijn aan de feiten die ter beoordeling voorlagen aan de rechtbank Haarlem en het gerechtshof Amsterdam. Ook in dit geval is dus geen sprake van een “ongeval” en bestaat geen grondslag om El Al aansprakelijk te doen zijn.

5.5. El Al stelt ook buitencontractueel niet aansprakelijk te zijn voor de door A geleden schade, nu haar werknemers conform hun instructies en derhalve niet onrechtmatig hebben gehandeld. Dat de medewerkers niet onrechtmatig hebben gehandeld, blijkt volgens El Al uit het volgende.

a. De medewerkers in het toestel hebben niet geassisteerd bij het inladen van de bagage in de overhead bins, omdat dit niet gebruikelijk is. Passagiers bergen altijd zelf hun handbagage op, waarbij het personeel soms assisteert;

b. Hoewel El Al niet weet om wat voor handbagage het ging, betwist El Al dat het een zware dan wel grote koffer zou zijn geweest, nu El Al om verschillende redenen niet toestaat dat grote of zware koffers als handbagage worden meegenomen in het vliegtuig;

c. El Al heeft ook na het ongeval geen steken laten vallen. Er is een rapport van het ongeval opgemaakt. Voor het opmaken van een meer uitgebreide rapportage bestond geen noodzaak nu A in staat leek haar reis te kunnen vervolgen en zelf aangaf dit te willen doen. Voor zover El Al zich al onvoldoende ingezet zou hebben om de toedracht boven water te halen, kan daarmee niet met terugwerkende kracht aansprakelijkheid voor het incident zelf gevestigd worden.

5.6. Met betrekking tot de oorbel betwist El Al dat A deze oorbel droeg tijdens de vlucht en dat zij deze tijdens de vlucht is kwijtgeraakt. El Al wijst erop dat de in artikel 31 van het Verdrag van Montreal opgenomen klachttermijn door A is overschreden zodat ingevolge lid 4 van laatstgenoemd artikel niet-ontvankelijkheid terzake van dit onderdeel dient te volgen. Voorts stelt El Al dat, zelfs als A de oorbel in het vliegtuig is kwijtgeraakt, deze schade slechts voor vergoeding in aanmerking kan komen indien sprake is van een “fault” (onrechtmatige daad) van de luchtvervoerder of diens personeel. Nu een dergelijk handelen niet is gesteld door A kan de vordering op basis daarvan worden afgewezen.

5.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. De beoordeling

6.1. A stelt zich op het standpunt dat op de vervoersovereenkomst het Verdrag van Warschau en het Haags Protocol van 1955 van toepassing zijn. El Al heeft zich steeds beroepen op het Verdrag van Montreal.

6.2. Allereerst staat dan ook ter beoordeling of op het onderhavige geschil tussen partijen het Verdrag van Warschau, waarbij zowel Nederland als Israël partij zijn, dient te worden toegepast, dan wel het Verdrag van Montreal, waarbij Nederland wel, maar Israël geen partij is.

6.3. Om binnen de reikwijdte van het Verdrag van Montreal te vallen, dienen zowel de plaats van het vertrek als de plaats van bestemming (in dit geval respectievelijk de gemeente Haarlemmermeer en Tel Aviv) gelegen te zijn in een staat die partij is bij dit Verdrag. In het onderhavige geval is uitsluitend de staat waarin het vliegtuig voor vertrek gereed stond op het moment dat het incident zich voordeed, Nederland, partij bij het Verdrag van Montreal. Het enkele feit dat Nederland partij is bij het Verdrag van Montreal, is ontoereikend voor toepasselijkheid van het Verdrag van Montreal op de onderhavige situatie, nu Israël dit Verdrag niet heeft geratificeerd.

6.4. El Al heeft haar hoofdvestiging noch haar statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Unie zodat El Al ook op grond van EG Verordening 889/2002 niet geacht kan worden onder de reikwijdte van het Verdrag van Montreal te vallen.

6.5. De staat van waaruit het vliegtuig zou vertrekken, te weten Nederland, en de staat waarin het vliegtuig zijn bestemming zou vinden, te weten Israël, zijn beiden partij bij het Verdrag van Warschau en de voor deze zaak van belang zijnde Protocollen, te weten het Haags Protocol en het Protocol no. 4 van Montreal tot wijziging van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, ondertekend te Warschau op 12 oktober 1929, zoals gewijzigd bij het te ’s-Gravenhage op 28 september 1955 tot stand gekomen Protocol (hierna: Protocol 4).

6.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op de vervoersovereenkomst tussen A en El Al het Verdrag van Warschau van 12 oktober 1929 en de genoemde Protocollen bij dit Verdrag van toepassing zijn.

6.7. Onder het Warschau systeem geldt aansprakelijkheid voor de vervoerder indien sprake is van een “ongeval” in de zin van artikel 17 van dit Verdrag. Op grond van dit artikel is de vervoerder aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van dood of lichamelijk letsel van de passagier, op grond van het enkele feit dat het ongeval dat de dood of het letsel heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of tijdens enige handeling verband houdende met het aan boord gaan of het verlaten van het luchtvaartuig.

6.8. In het Verdrag van Warschau is een bovengrens gesteld aan de door de vervoerder te betalen schadevergoeding. Ter compensatie van deze beperking van de hoogte van de schadevergoeding geldt onder het Verdrag van Warschau een vermoeden van aansprakelijkheid van de vervoerder, behoudens door de vervoerder aan te tonen overmacht. Het voorgaande brengt mee dat onder het Verdrag van Warschau een ruime interpretatie van het begrip “ongeval” dient te worden gehanteerd. In verband met de gehanteerde bovengrens van de schadevergoeding wordt de vervoerder geacht aansprakelijk te zijn voor door de passagier geleden schade (het vermoeden van aansprakelijkheid), behoudens gevallen waarin sprake is van (door de vervoerder aan te tonen) overmacht.

6.9. Evenals onder het Warschau-systeem is de vervoerder op grond van het Verdrag van Montreal aansprakelijk voor schade onder de voorwaarde dat het ongeval dat de schade heeft veroorzaakt heeft plaatsgehad aan boord van het luchtvaartuig of tijdens het aan boord gaan of verlaten van het vliegtuig. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Montreal is het systeem van aansprakelijkheid van de vervoerder echter aangepast. Op grond van het Verdrag van Montreal geldt een risicoaansprakelijkheid voor schade in de zin van artikel 17 van dat Verdrag tot een bedrag van 100.000 SDR. Voor schade tot dat bedrag kan de vervoerder zijn aansprakelijkheid niet beperken of uitsluiten. De enige ontsnappingsmogelijkheid voor de vervoerder is gelegen in artikel 20: Wanneer de vervoerder bewijst dat de schuld of nalatigheid van een passagier de schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen, kan de vervoerder geheel of gedeeltelijk van aansprakelijkheid worden ontheven. Als de schade het bedrag van 100.000 SDR te boven gaat is de vervoerder niet aansprakelijk indien hij kan bewijzen dat de schade te wijten is aan een derde, dan wel niet is te wijten aan de schuld van de vervoerder of zijn ondergeschikten. Het voorgaande brengt mee dat in situaties waarin het Verdrag van Montreal van toepassing is, een beperkte uitleg van het begrip “ongeval” op zijn plaats is, nu aan de vervoerder slechts in enkele gevallen een beroep op gronden toekomt die de aansprakelijkheid kunnen uitsluiten of beperken.

6.10. Uit het voorgaande blijkt dat in gevallen waarin een beroep op overmacht is toegestaan (te weten, onder het Warschau systeem), een ruimere begripsbepaling van “ongeval” dient te worden gehanteerd dan in gevallen waarin een beroep op overmacht niet is toegestaan (te weten, onder het Verdrag van Montreal).

6.11. El Al heeft zich voor wat betreft de uitleg van het begrip “ongeval” gebaseerd op het Verdrag van Montreal en heeft gesteld dat op basis van dit Verdrag het begrip “ongeval” beperkt dient te worden uitgelegd. El Al heeft gewezen op uitspraken van de rechtbank Haarlem en het gerechtshof Amsterdam waarin aan die beperkte uitleg betekenis is gegeven. El Al heeft aangeknoopt bij deze uitspraken en aangevoerd dat de vervoerder slechts aansprakelijk is als blijkt van een verband tussen het incident en het vervoer.

6.12. De rechtbank merkt aangaande de door El Al aangehaalde uitspraken op, dat deze weliswaar zien op een voorval als het onderhavige, doch dat deze uitspraken zien op een vervoersovereenkomst tussen het in Nederland gevestigde Martinair en een passagier. Op die situatie is het Verdrag van Warschau van toepassing, alsmede (nu Martinair in Nederland gevestigd is) EG Verordening 2027/97. Met laatstgenoemde Verordening werd voor Nederland het regime van ruime aansprakelijkheid voor de vervoerder zoals neergelegd in het Verdrag van Warschau verlaten.

6.13. De rechtbank Haarlem heeft in verband daarmee overwogen: “alhoewel enerzijds de verhoogde aandacht voor de belangen van passagiers, zijnde een doelstelling van Verordening 2027/97, wijst in de richting van een ruime uitleg van het begrip “ongeval”, ziet de rechtbank anderzijds in het doorbreken van het in het Verdrag (de rechtbank leest: het Verdrag van Warschau) neergelegde evenwicht tussen aansprakelijkheidslimiet en vermoeden van aansprakelijkheid aanleiding om terughoudendheid te betrachten bij haar oordeel welke gevallen onder de werkingssfeer van het Verdrag vallen”. Het gerechtshof Amsterdam heeft de uitspraak van de rechtbank Haarlem bekrachtigd en overwogen dat in die zaak “in het licht van de inhoud en strekking van de bepalingen van het Verdrag en de Verordening (cursivering rechtbank) het vereiste verband tussen het vervoer en de gebeurtenis om te kunnen spreken van een ongeval als in artikel 17 van het Verdrag bedoeld (ontbrak)”.

6.14. Het gerechtshof Amsterdam is ervan uitgegaan dat uit het Verdrag van Warschau in combinatie met Verordening 2027/97 kan worden afgeleid dat slechts van een “ongeval” kan worden gesproken als sprake is van voldoende verband tussen het vervoer en de gebeurtenis. Op de vervoersovereenkomst tussen El Al en A is genoemde Verordening echter niet van toepassing. Er kan niet vanuit worden gegaan dat ook op basis van slechts het Verdrag van Warschau (zonder toepasselijkheid van de Verordening) kan worden afgeleid dat sprake dient te zijn van een verband tussen het vervoer en de gebeurtenis om van een “ongeval” te kunnen spreken. Hetgeen El Al heeft aangevoerd aangaande de uitleg van het begrip “ongeval” is op de onderhavige situatie dan ook niet zonder meer van toepassing.

6.15. De rechtbank zal El Al dan ook in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of, gelet op het aansprakelijkheidsregime onder het Verdrag van Warschau, in het onderhavige geval kan worden gesproken van een “ongeval”.

6.16. In het geval El Al bovengenoemde vraag bevestigend zal beantwoorden, dient voorts de vraag aan de orde te komen of sprake is van overmacht als bedoeld in artikel 20 van het Verdrag van Warschau. Het Verdrag van Warschau gaat zoals hierboven omschreven uit van een vermoeden van schuld, nu de aansprakelijkheid onder dit Verdrag is beperkt. Het is aan de vervoerder, El Al, om te bewijzen dat alle noodzakelijke maatregelen ter voorkoming van het ongeval zijn genomen (artikel 20 Verdrag van Warschau). De vervoerder dient de overmacht in concreto te bewijzen. Voor het slagen van een beroep op overmacht is van belang dat de vervoerder bewijst dat hij alle noodzakelijke maatregelen heeft genomen om de specifieke schadeoorzaak te vermijden, dan wel dat het onmogelijk was om deze maatregelen te nemen. Indien de vervoerder niet slaagt in het aantonen van overmacht, zal de vervoerder aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de geleden schade.

6.17. De rechtbank zal El Al, gelet op het voorgaande, in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of al dan niet sprake is geweest van een overmachtsituatie als bedoeld in artikel 20 van voornoemd Verdrag – dit alles slechts voor zover El Al van mening is dat in de onderhavige situatie sprake is van een “ongeval” in de zin van het Verdrag van Warschau en de aanverwante Protocollen, zoals onder punt 5.15 omschreven.

6.18 Met betrekking tot de gevorderde schade, geleden door het verlies van de oorbel, merkt de rechtbank op dat deze schade valt onder het bereik van artikel 18 van het Verdrag van Warschau, als gewijzigd bij Protocol 4. El Al heeft zich op het standpunt gesteld dat op dit punt artikel 17, lid 2 van het Verdrag van Montreal van toepassing is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank El Al ook in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de aansprakelijkheid voor het verlies van de oorbel op grond van het Warschau systeem.

7. De beslissing

De rechtbank

7.1. Verwijst de zaak naar de rol van 17 juni 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van El Al zoals omschreven onder rechtsoverwegingen 6.15, 6.17 en 6.18, waarna A in de gelegenheid zal worden gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren;

7.2. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.?