Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI8541

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
13/447333-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld in vereniging plegen tegen personen en wederspannigheid door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd. Vrijspraak poging zware mishandeling van een ambtenaar in functie, aangezien geen handelingen zijn aan te wijzen die een aanmerkelijk risico op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in zich droegen. De politierechter overweegt dat zoals reeds uit de wettelijke strafbepalingen volgt (politie)ambtenaren in functie een ten opzichte van gewone burgers bijzondere strafrechtelijke bescherming toekomt. Zaken als de onderhavige illustreren het belang dat deze bijzondere positie ook in de strafmaat tot uitdrukking wordt gebracht. Echter zullen de in deze zaak bewezen verklaarde feiten niet louter volgens (verhoogde) richtlijnen van het Openbaar Ministerie afgedaan kunnen worden. Recht dient te worden gedaan aan de strafwaardigheid van de concrete feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en aan de persoon van de verdachte. De politierechter acht bewezen dat verdachte tezamen met anderen geweld heeft gepleegd tegen een politieambtenaar, in een gezamenlijke poging het door hem aangehouden familielid van verdachte vrij te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/447333-08

Datum uitspraak: 10 juni 2009

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank [geboorteplaats], politierechter, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2009.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, nadat een wijziging tenlastelegging is toegelaten, tenlastegelegd dat

zij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam met een ander of anderen, op

een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek

toegankelijke ruimte, althans op of aan de openbare weg, de [straatnaam], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het omsingelen

en/of duwen en/of trekken en/of (meermalen) schoppen tegen de benen en/of het

(meermalen) schoppen en/of slaan tegen het lichaam en/of schoppen en/of

trappen tegen de rug en/of het slaan in het gezicht en/of het trekken aan de

armen van die [slachtoffer], waarbij zij, verdachte, opzettelijk (meermalen) die

[slachtoffer] heeft geduwd en/of getrokken en/of geslagen en/of geschopt en/of die

[slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen en/of (meermalen) aan de armen van die

[slachtoffer] heeft getrokken, en welk door haar gepleegd geweld enig lichamelijk

letsel (schaafwonden en/of blauwe plekken) voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft

gehad;

(artikel 141 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

en/of

zij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam, toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer] (brigadier politie Amsterdam-Amstelland) verdachte (te weten [medeverdachte1]) op verdenking van het overtreden van artikel 304 sub 2 Wetboek van

Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig

strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans

vast had teneinde verdachte ten spoedigste voor te geleiden voor een

hulpofficier van justitie en verdachte daartoe over te brengen naar een plaats

van verhoor, te weten bureau Houtmankade, zich tezamen met anderen of een

ander met verenigde krachten met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/harer

bediening, door opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer] te omsingelen en/of te

duwen en/of te trekken en/of (meermalen) te schoppen tegen de benen en/of

(meermalen) te schoppen en/of te slaan tegen het lichaam en/of te schoppen

en/of te trappen tegen de rug en/of te slaan in het gezicht en/of te trekken

aan de armen, tengevolge van welk door verdachte gepleegd misdrijf of de

daarbij door haar gepleegde feitelijkheden deze opsporingsambtenaar enig

lichamelijk letsel (schaafwonden en/of blauwe plekken) bekwam;

(artikel 182 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

en/of

zij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met

een ander en/of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (brigadier Politie Amsterdam-Amstelland)

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

(meermalen) (met kracht) heeft/hebben geschopt tegen de benen en/of geschopt

en/of geslagen tegen het lichaam terwijl deze op de grond lag en/of geschopt en/of getrapt tegen de rug terwijl deze op de grond lag en/of geslagen in het gezicht en/of getrokken aan de armen;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

zij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een ambtenaar,

te weten [slachtoffer] (brigadier Amsterdam-Amstelland), gedurende en/of terzake

van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (meermalen) (met

kracht) heeft/hebben geschopt tegen de benen en/of geschopt en/of geslagen

tegen het lichaam en/of geschopt en/of getrapt tegen de rug en/of geslagen in

het gezicht en/of getrokken aan de armen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 304 sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2. Bespreking van het bewijsmateriaal

In de nacht van 20 april 2008 heeft een incident heeft plaatsgevonden voor uitgaanscentrum Marcanti, waarbij politieambtenaar brigadier [slachtoffer] door een groep personen is belaagd, in een zeer benarde positie is gebracht en veelvuldig geweld tegen hem is toegepast.

Uiteindelijk zijn vijf verdachten aangehouden, te weten [medeverdachte1] (zoon van verdachte [medeverdachte2]), [verdachte] (zuster van [medeverdachte1]), [medeverdachte2] (moeder van [medeverdachte1] en [verdachte]), [medeverdachte3] (broer van [medeverdachte2]) en [medeverdachte4] (die zichzelf ter zitting heeft omschreven als een goede vriend van de familie). De zaken tegen genoemde verdachten zijn gelijktijdig ter zitting behandeld.

Tot het dossier behoren videobeelden, waarop delen van het gebeurde te zien zijn. Deze beelden zijn ter zitting door verbalisant [slachtoffer] toegelicht. Ook verdachten hebben daarop hun commentaar gegeven. Uit de in deze zaak afgelegde verklaringen, in combinatie met de waarneming van de videobeelden, blijkt het volgende.

Uit de aangifte van verbalisant [slachtoffer] en videobeelden komt naar voren dat verbalisant [slachtoffer] die nacht rond 4.00 met zijn collega verbalisante [verbalisante] ter plaatse is gekomen. Aanleiding was een melding van het beveiligingspersoneel kortgezegd inhoudend dat een persoon werd opgehouden die werd verdacht van het uitgeven van vals geld. Deze persoon betrof een broer dan wel oom van vier van de vijf later aangehouden verdachten.

Alle verdachten hebben zich beijverd de opgehouden persoon vrij te krijgen. Op de videobeelden zijn aanvankelijk op het oog rustige gesprekken te zien. Op een gegeven moment hebben de verdachten [medeverdachte4] en [medeverdachte1] zich echter duidelijk agressief naar de beveiliging opgesteld, waarop de beveiliging hen samen met andere in de hal aanwezige personen naar de uitgang heeft gedrongen. Te zien is dat tegen verdachte [medeverdachte4] enig geweld (armklem) is toegepast.

Op laatstbedoeld moment waren verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisante] ook in de hal aanwezig. Te zien is dat zij verdachten en de overige personen hebben gemaand naar buiten te gaan. Vervolgens is op de beelden van de eerste camera te zien dat verbalisant [slachtoffer] zich in de ingang posteert en er door personen die zich buiten bevinden kennelijk wordt geduwd om weer binnen te komen. Ook zijn zwaaiende armbewegingen te zien, op een gegeven moment rennen personen die vlak voor de ingang staan weg terwijl [slachtoffer] een stap naar voren doet. De videobeelden geven van enige afstand zicht op de rug van verbalisant [slachtoffer]. De personen die direct voor hem staan zijn deels aan het zicht onttrokken. Er is geen tegen [slachtoffer] toegepast geweld of bedreiging te zien.

Verbalisant [slachtoffer] heeft verklaard dat, toen hij aldus bij de ingang stond, verdachte [medeverdachte1] hem tot drie keer toe een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, dat [medeverdachte1] voorts bedreigende gebaren heeft gemaakt, dat hij [medeverdachte1] daarop heeft vastgegrepen, gezegd dat hij was aangehouden en hem naar buiten heeft geleid.

Als getuige ter zitting heeft [slachtoffer] verklaard zich geen bedreigende gebaren te kunnen herinneren.

De gebeurtenissen vlak buiten de deur zijn door een tweede camera geregistreerd. Deze camera geeft zicht op het trapje bij de uitgang en de eerste (naar schatting van de politierechter tien tot vijftien meter van de stoep langs de gevel van Marcanti. Op deze beelden is te zien dat verdachten [medeverdachte4] en [medeverdachte3] ([medeverdachte1]s oom) het trapje af springen, waarbij het lijkt alsof zij (naar mag worden aangenomen door de beveiliging) geduwd werden. Vervolgens verschijnt verbalisant [slachtoffer] in beeld. Hij loopt langs de gevel naar voren terwijl hij [medeverdachte1] voor zich vasthoudt. [slachtoffer] wordt op de voet gevolgd door [medeverdachte2] ([medeverdachte1]s moeder), die aan [slachtoffer] of [medeverdachte1] lijkt te trekken. Vrijwel direct storten [medeverdachte3] ([medeverdachte1]s oom) en [medeverdachte4] zich op [slachtoffer]. [medeverdachte3] en [medeverdachte4] zijn op de rug te zien en proberen met wrikkende bewegingen [medeverdachte1] uit de greep van [slachtoffer] los te trekken. Vervolgens is te zien dat meerdere personen naar buiten komen, waaronder kennelijk bewakingspersoneel van Marcanti en verdachte [verdachte]. Te zien is dat verdachte [verdachte] en een andere persoon ieder een beveiligingsmedewerker een harde duw geven, kennelijk om te voorkomen dat dezen het groepje rond [slachtoffer] kunnen bereiken.

Vervolgens verdwijnen [slachtoffer] met [medeverdachte1] en het groepje rond hem in de richting van de straat uit het beeld. Andere personen volgen hen met versnelde pas, waaronder verdachte [verdachte], beveiligingspersoneel en een aantal onbekend gebleven personen. Van het vervolg tot aan het moment dat het groepje op de derde camera verschijnt bestaan geen beelden.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij terwijl hij met de verdachte [medeverdachte1] van de ingang wegliep, vrijwel direct door een groep personen werd aangevallen, dat deze groep probeerde [medeverdachte1] te bevrijden, dat hij ([slachtoffer]) voelde dat er aan hem werd getrokken en dat hij tegen zijn linkerbeen werd geschopt, dat hij terwijl hij [medeverdachte1] voor zich vasthield, zich heeft voortbewogen langs de gevel, van de ingang weg, dat hij bleef voelen dat hij werd geschopt, dat hij pijnscheuten in zijn been voelde, dat hij na het passeren van het einde van de gevel ook pijn aan zijn rug voelde, dat hij ten val is gekomen, dat hij daarop de controle over [medeverdachte1] verloor, dat hij terwijl hij zich (naar hij ter zitting als getuige heeft verklaard: op zijn knieën) op de grond bevond door de groep werd geslagen en geschopt, dat hij pijn voelde aan rug ribben en hoofd, dat hij zijn gezicht met zijn armen heeft beschermd, dat hij ook aan zijn armen hevige pijn voelde, dat hij niet heeft gezien wie hem schopten en sloegen, dat hij wel heeft gezien dat [medeverdachte1] wegrende, dat hij erin slaagde weer overeind te komen, dat hij daarbij door beveiligingsmedewerkers van Marcanti is ontzet, dat hij achter [medeverdachte1] is aangerend en hem uiteindelijk weer heeft vastgepakt, dat hij daarop door verdachte [verdachte] in het gezicht is geslagen en dat deze samen met verdachte [medeverdachte2] (de moeder van [medeverdachte1]) geprobeerd hebben zijn armen los te maken om [medeverdachte1] opnieuw te bevrijden.

Videobeelden van een derde camera geven vanaf grote hoogte en afstand zicht op het voor Marcanti gelegen plein, vanaf het einde van de gevel waarlangs [slachtoffer] en de personen rond hem zich hebben voortbewogen. Te zien is dat een kluwen kennelijk vechtende personen in beeld verschijnt en heen en weer beweegt. Naar schatting van de politierechter gaat het om tien tot twaalf niet identificeerbare personen. Verbalisant [slachtoffer] is wel te herkennen aan zijn witte uniformshirt. Ter zitting heeft [slachtoffer] het moment aangewezen waarop hij ten val is gekomen. Op de beelden is een dergelijke situatie waarneembaar. Naar de waarneming van de politierechter heeft deze situatie vanaf het door [slachtoffer] aangewezen moment tot het moment waarop hij weer overeind komt vier of vijf seconden geduurd. Voorts is op de beelden te zien dat verbalisant [slachtoffer] nadat hij overeind is gekomen direct achter een wegrennende man aanloopt. Verdachte [medeverdachte1] heeft ter zitting verklaard dat hij de wegrennende man was. Te zien is dat op dat moment andere politieambtenaren ter plaatse zijn aangekomen.

Verbalisant [slachtoffer] heeft de verdachten waarover hij verklaart als NN1 ev op het politiebureau geïdentificeerd. Verdachten hebben zich voorts ter zitting op enig moment waarop zij in beeld zijn op de videobeelden aangewezen.

Een arts heeft nog dezelfde dag het volgende letsel bij verbalisant [slachtoffer] geconstateerd: een kras ter hoogte van het linker jukbeen, een schaafwond aan de rechterknie, roodheid en een kras aan de rechter onderarm/pols, een zwelling en drukpijn aan de rechter duimmuis, schaafwonden in de linker elleboogplooi en aan de rechterbovenarm, drukpijn aan de linkerflank, een pijnlijke nek en schouder.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij een veiligheidsvest droeg, waarzonder hij vermoedelijk ernstiger letsel aan zijn borst en of rug had opgelopen. Een collega van [slachtoffer] heeft verklaard (p. 3) dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] tevens een schaafwond op zijn rug had, op een plek waar het veiligheidsvest bescherming bood.

Verbalisante [verbalisante] heeft over de gebeurtenissen kort samengevat verklaard dat zij gezien heeft dat in de situatie waar [slachtoffer] bij de uitgang van Marcanti stond, een groep personen aan het vechten was met de beveiliging en dat de beveiligers diverse klappen kregen. Vanuit deze groep werd uitgehaald naar [slachtoffer] en hij werd hierbij ook geraakt.

Over de gebeurtenissen buiten heeft zij verklaard dat een groep van ongeveer tien man [slachtoffer] te lijf ging en dat hij werd geslagen en geschopt. Zij heeft geen personen in de groep kunnen identificeren, doordat alles zich snel afspeelde en haar het zicht belemmerd werd.

[slachtoffer] heeft verklaard dat het veel ernstiger had kunnen aflopen als hij niet zijn veiligheidsvest had gedragen en niet door het beveiligingspersoneel was ontzet. Ook [verbalisante] heeft de situatie als zeer beangstigend ervaren.

Voorts zijn verklaringen afgelegd door beveiligingsmedewerkers [beveiligingsmedewerker1] en [beveiligingsmedewerker2]. Ter terechtzitting is aan de orde geweest in hoeverre deze verklaringen vanwege de onderlinge verschillen voldoende betrouwbaar zijn om mee te werken aan het bewijs. De politierechter vindt in deze verklaringen een bevestiging van de benarde situatie waarin [slachtoffer] zich heeft bevonden en dat meerdere personen hem hebben geslagen en geschopt en voorts dat hij door meerdere personen is geschopt toen hij zich op de grond bevond. Voorzover deze verklaringen overigens worden gebruikt zal dit in het navolgende worden aangegeven.

[medeverdachte1] heeft verklaard dat hij wel heeft uitgehaald naar de politieagent, maar zich niet kan herinneren hem geraakt te hebben. De bedreigingen heeft hij ontkend, evenals het hem tenlastegelegde verdere geweld dan wel verzet tegen verbalisant [slachtoffer].

De overige (mede)verdachten hebben verklaard wel aan [slachtoffer] getrokken en geduwd te hebben om [medeverdachte1] los te krijgen. Alleen [verdachte] heeft verklaard dat zij om zich heen heeft geslagen en mogelijk [slachtoffer] geraakt heeft. De overige verdachten hebben verklaard dat zij wel hebben geduwd en getrokken, maar ontkend dat zij hebben geslagen of geschopt. Verdachte [medeverdachte4] heeft ter zitting aangevoerd dat hij nog voordat [slachtoffer] ten val kwam door beveiligingsmedewerkers is vastgepakt en weggetrokken.

3. Beoordeling en motivering

[medeverdachte4], [medeverdachte3], [medeverdachte2], [verdachte]

De politierechter acht bewezen dat verdachte tezamen met anderen geweld heeft gepleegd tegen verbalisant [slachtoffer] in een gezamenlijke poging de door hem aangehouden [medeverdachte1] vrij te krijgen. Dit vanuit de groep gepleegde geweld heeft bestaan uit duwen en trekken en schoppen en slaan.

De officier heeft deze handelingen (primair) ten laste gelegd als drie afzonderlijke feiten.

Primair eerste feit

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijk geweld in vereniging tegen verbalisant [slachtoffer]. Het bewijs wordt ontleend aan de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van verdachte, de verklaring van de verdachte [medeverdachte2]s, de medische verklaring en de videobeelden. Duidelijk is dat verdachte persoonlijk actief heeft bijgedragen aan het tegen [slachtoffer] toegepaste geweld, door met medeverdachten en anderen een groep voor en rondom hem te vormen, en aan hem te duwen en te trekken. Voorts staat voldoende vast dat tevens vanuit de groep is geslagen en geschopt. Ook indien verdachte niet zelf tevens heeft geslagen en geschopt is verdachte daarvoor onder deze omstandigheden strafrechtelijk medeverantwoordelijk te achten.

Ten aanzien van de verdachte [verdachte] acht de politierechter op grond van de aangifte van [slachtoffer] en haar eigen verklaring bewezen dat zij [slachtoffer] heeft geslagen.

De ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid bij dit feit kort gezegd inhoudend dat het door verdachte toegepaste geweld bij [slachtoffer] enig letsel teweeg heeft gebracht wordt echter niet bewezen verklaard. De wettelijke delictsomschrijving eist dat wordt bewezen dat enig letsel door verdachte persoonlijk is veroorzaakt. Aannemelijk is dat verdachtes handelingen [slachtoffer] pijn hebben gedaan. Bewijs dat een van de letsels (dat wil zeggen niet alleen pijn) kan worden toegerekend aan een bepaalde handeling van verdachte persoonlijk is echter niet voorhanden.

Primair tweede feit

Ook het tweede feit, namelijk wederspannigheid met verenigde krachten, wordt op grond van dezelfde bewijsmiddelen bewezen verklaard. Voldoende duidelijk is dat verdachten tezamen met de medeverdachten en een aantal onbekend gebleven mededaders er op uit waren de aangehouden verdachte [medeverdachte1] uit de greep van verbalisant [slachtoffer] te bevrijden en daartoe hebben samengewerkt.

De tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid van artikel 182-2 van het Wetboek van strafrecht wordt niet bewezen verklaard. Hiervoor geldt hetzelfde als hierboven ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheid bij openlijke geweldpleging is overwogen.

Primair derde feit

De zwaarste beschuldiging houdt in het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van een ambtenaar in functie. Blijkens haar requisitoir doelt de officier van justitie hiermee op de situatie waarin verbalisant [slachtoffer] zich op de grond bevond en werd geschopt en geslagen. Voorts heeft zij gesteld dat het slechts bij een poging is gebleven doordat de beveiligers van Marcanti er tussen zijn gekomen en doordat [slachtoffer] een veiligheidsvest droeg.

De eerste vraag is of kan worden bewezen dat door het in deze situatie daadwerkelijk toegepaste geweld (tenminste) een aanmerkelijke kans heeft bestaan op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.

Dergelijk letsel, waarbij gedacht kan worden aan gecompliceerde breuken of hersenletsel, kan licht ontstaan in de situatie waarbij het slachtoffer voluit met geschoeide voet tegen het hoofd of andere kwetsbare delen van het lichaam wordt geschopt of getrapt, vooral wanneer het slachtoffer zich op de grond bevindt.

Van belang is dat verbalisant [slachtoffer] ter terechtzitting heeft verklaard dat hij gebukt op zijn knieën zat en zijn armen ter bescherming voor zijn gezicht hield. Verder heeft [slachtoffer] ter terechtzitting de situatie waarin hij zich op de grond bevond aangewezen op de (bij die situatie van aanmerkelijke afstand opgenomen) videobeelden. Naar de waarneming van de politierechter heeft deze situatie vier tot vijf seconden geduurd. Verder blijkt uit de videobeelden dat [slachtoffer] op dat moment werd omringd door tussen de tien en vijftien personen.

[slachtoffer] heeft de geweldshandelingen niet gezien. Hij heeft gevoeld dat hij in deze situatie tegen het lichaam werd geschopt en geslagen. Hij heeft pijn gevoeld aan rug ribben en hoofd en ook een stekende pijn in zijn armen gevoeld. Dat hij in deze situatie door meerdere personen is geschopt en geslagen vindt steun in de verklaringen van [beveiligingsmedewerker1] en [beveiligingsmedewerker2]. In de pijn in de armen ligt een indicatie dat ook richting het hoofd is geslagen of geschopt. Omtrent het schoppen heeft [beveiligingsmedewerker2] verklaard dat dit niet naar het hoofd, maar naar het lichaam was gericht. [beveiligingsmedewerker1] spreekt van schoppen tegen het lichaam.

Bij [slachtoffer] is het volgende letsel geconstateerd een kras ter hoogte van het linker jukbeen, een schaafwond aan de rechterknie, roodheid en een kras aan de rechter onderarm/pols, een zwelling en drukpijn aan de rechter duimmuis, schaafwonden in de linker elleboogplooi en aan de rechterbovenarm, drukpijn aan de linkerflank, een pijnlijke nek en schouder, alsmede (door zijn collega) een schaafwond aan de rug.

Geconstateerd moet worden dat dit letsel, hoewel ernstig in zijn veelvoud, niet past bij geweld dat tot zwaar letsel had kunnen leiden. Een deel van dit letsel kan verder op een ander moment in het incident zijn ontstaan toen [slachtoffer] zich nog niet op de grond bevond. Verbalisant [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zijn veiligheidsvest droeg, waardoor zijn borst, schouders en rug werden beschermd. De politierechter neemt met hem aan dat zonder dit vest het letsel ernstiger zou zijn geweest. De vraag hoeveel ernstiger en van welke aard kan echter niet worden beantwoord.

Het bewijsmateriaal overziend moet geconcludeerd worden dat [slachtoffer] zich korte tijd in een zeer benarde situatie heeft bevonden waarin veelvuldig geweld op hem is uitgeoefend. Naar het oordeel van de politierechter kunnen echter geen geweldshandelingen worden bewezen, noch vanuit de aard van handelingen zelf, noch blijkend uit het toegebrachte letsel, waarvan gezegd kan worden dat zij een aanmerkelijk risico op zwaar lichamelijk letsel met zich brachten.

Vervolgens is de vraag of indien de beveiliging niet had ingegrepen de situatie zou hebben voortgeduurd, en het aldus voortgezette geweld zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgeleverd.

De politierechter beantwoordt deze vraag ontkennend, reeds omdat niet aannemelijk is dat het geweld zonder ingrijpen zou zijn voortgezet. Gelet op de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten is aannemelijk dat het geweld er in de eerste plaats op was gericht [slachtoffer] te dwingen [medeverdachte1] los te laten. [medeverdachte1] is losgekomen toen [slachtoffer] ten val kwam. Er kan daarom niet zonder meer van worden uitgegaan dat het geweld tegen [slachtoffer] daarna voor langere duur zou zijn voortgegaan.

De conclusie moet zijn dat niet is bewezen dat het toegepaste geweld een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in zich droeg en evenmin dat dit wel het geval zou zijn geweest indien niet zou zijn ingegrepen of indien [slachtoffer] geen veiligheidsvest had gedragen.

Dit heeft tot gevolg dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

4. Bewezenverklaring

De politierechter acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat

Primair

zij op 20 april 2008 te Amsterdam met anderen, op of aan de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het omsingelen

en duwen en trekken en schoppen en slaan tegen het lichaam en slaan in het gezicht en trekken aan de armen van die [slachtoffer], waarbij zij, verdachte, opzettelijk die

[slachtoffer] heeft geduwd en/of getrokken en die [slachtoffer] heeft geslagen.

en

zij op 20 april 2008 te Amsterdam, toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer] (brigadier politie Amsterdam-Amstelland) verdachte (te weten [medeverdachte1]) op verdenking van het overtreden van artikel 304 sub 2 Wetboek van

Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig

strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen teneinde verdachte ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en verdachte daartoe over te brengen naar een plaatsvan verhoor, te weten bureau Houtmankade, zich tezamen met anderen met verenigde krachten met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner

bediening, door opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer] te omsingelen en te

duwen en te trekken en te schoppen en te slaan tegen het lichaam en te slaan in het gezicht en te trekken aan de armen.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair eerste cumulatief/alternatief

- openlijk geweld in vereniging plegen tegen personen

en

Primair tweede cumulatief/alternatief

- wederspannigheid door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd

De politierechter zal er bij de strafoplegging rekening mee houden dat sprake is van hetzelfde feitencomplex dat deze twee afzonderlijke feiten oplevert (eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 eerste lid van het Wetboek van strafrecht).

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken, met aftrek van voorarrest en een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen. Tevens heeft zij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk zal worden toegewezen voor een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro) en de vordering van benadeelde partij [verbalisante] hoofdelijk zal worden toegewezen voor een bedrag waarvoor zij zich refereert aan het oordeel van de politierechter. Tevens heeft zij de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De officier heeft gesteld dat haar strafeis in de zaken van verdachte en medeverdachten is gebaseerd op een verdubbeling ten opzichte van de door het openbaar ministerie gehanteerde richtlijnen, aangezien sprake is van geweld tegen een politieambtenaar in functie.

De politierechter overweegt dat zoals reeds uit de wettelijke strafbepalingen volgt (politie)ambtenaren in functie een ten opzichte van gewone burgers bijzondere strafrechtelijke bescherming toekomt. Zaken als de onderhavige illustreren het belang dat deze bijzondere positie ook in de strafmaat tot uitdrukking wordt gebracht.

Echter zullen de in deze zaak bewezen verklaarde feiten niet louter volgens (verhoogde) richtlijnen van het Openbaar Ministerie afgedaan kunnen worden. Recht dient te worden gedaan aan de strafwaardigheid van de concrete feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en aan de persoon van de verdachten. De officier heeft er in haar requisitoir blijk van gegeven daar tevens oog voor te hebben.

Verdachte heeft zich met haar medeverdachten ([medeverdachte4], [medeverdachte3], [medeverdachte2] en [verdachte]) schuldig gemaakt aan ernstig geweld tegen een politieambtenaar in een poging een door hem aangehouden verdachte uit zijn greep te bevrijden. Zij hebben, met anderen, een groep personen rondom deze politieambtenaar gevormd, aan hem getrokken en geduwd en hem geschopt en geslagen, ook toen hij nadat hij ten val was gekomen korte tijd op zijn knieën op de grond zat. De politieambtenaar heeft gezien deze benarde situatie relatief gering, maar wel veelvoudig letsel opgelopen. Hij en met name ook zijn collega, die niet bij machte was in te grijpen, hebben met reden gevreesd dat de gevolgen veel ernstiger zouden uitvallen.

Verdachte en de medeverdachten zijn familieleden dan wel vrienden van elkaar. Ter terechtzitting hebben zij naar voren gebracht dat zij achteraf spijt hebben van het gebeurde, maar dat zij op het moment zelf meenden te moeten opkomen voor hun aangehouden familielid dan wel vriend. Voorts hebben zij benadrukt dat hun boosheid en agressie eerder was ontstaan ten aanzien van het beveiligingspersoneel en dat deze tegen [slachtoffer] is voortgezet.

Wat er zij van het voorafgaande, het was hen zonder uitzondering duidelijk dat zij met een politieambtenaar van doen hadden. Voorts heeft geen van hen zich gedurende het incident, dat in totaal enkele minuten moet hebben geduurd, zich daaraan eigener beweging onttrokken of de anderen tot kalmte gemaand.

Verdachte heeft met de medeverdachten door openlijke geweldsuitoefening in de openbare ruimte bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid bij het (uitgaans)publiek. Dit geldt des te sterker nu dit geweld tegen de politie zelf was gericht. Verder hebben zij door hun tegenwerking van en geweld tegen een politieambtenaar het maatschappelijk belang bij een ongestoorde uitoefening van de politietaak geschaad, en het gezag en respect dat de politie toekomt in zeer ernstige mate miskend.

Omtrent de onderlinge rol van de verdachten is de politierechter met de officier van justitie van oordeel dat de verdachten [medeverdachte4] en [medeverdachte3] een groter aandeel in de geweldshandelingen hebben gehad dan [medeverdachte2] en [verdachte].

Ten aanzien van de persoon van verdachte is gebleken dat deze niet eerder wegens geweldsdelicten is veroordeeld. De politierechter heeft verder acht geslagen op het tijdens het hetgeen omtrent de persoon van verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht, in het bijzonder dat zij de zorg heeft voor haar minderjarige kind.

De politierechter is van oordeel dat de ernst van de feiten een vrijheidsstraf rechtvaardigt. Gelet op de persoon van de verdachte bestaat aanleiding een deel van de vrijheidstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Daarnaast zal een taakstraf worden opgelegd.

Reeds omdat niet al het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard zal de op te leggen straf lager zijn dan door de Officier van justitie is gevorderd. Verder zal rekening worden gehouden met de omstandigheid dat weliswaar verschillende feiten bewezen worden verklaard, maar dat deze als een feitencomplex beschouwd dienen te worden (eendaadse samenloop)

8. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel

Verbalisant [slachtoffer] heeft kort voor de terechtzitting schriftelijk gevoegd in de procedures tegen verdachte en de medeverdachten als benadeelde partij wegens door hem geleden immateriële schade. Kort samengevat is gesteld dat hij pijn heeft geleden en langdurig last van het letsel heeft ondervonden bij dagelijkse activiteiten en in het bijzonder het sporten. Voorts heeft het tenlastegelegde geleid tot gevoelens van boosheid, machteloosheid en frustratie. Voor wat betreft de hoogte van de schade is in de voegingsformulieren voor iedere (mede)verdachte een apart bedrag genoemd.

Inzake verdachte en de medeverdachten ten aanzien van wie dezelfde feiten zijn bewezen verklaard ([medeverdachte4], [medeverdachte3], [medeverdachte2] en [verdachte]) zijn bedragen van € 500,-- ([medeverdachte4], en [medeverdachte2]) en € 250,-- ([medeverdachte3] en [verdachte]) gevorderd.

Ter zitting heeft benadeelde [slachtoffer] ter toelichting nog toegevoegd dat hij zijn werkzaamheden na enkele dagen heeft kunnen hervatten, zij het in een bureaufunctie en thans geen nadelige gevolgen van de gebeurtenissen meer ondervindt. Verder heeft hij gesteld dat zijn gemachtigde de schadeformulieren en de daarin vermelde bedragen heeft ingevuld en dat hij er van uitgaat dat deze correct zijn. Indien verdachte en medeverdachten als collectief aansprakelijk moeten worden beschouwd, refereert hij zich aan het oordeel van de politierechter.

De Officier van Justitie heeft gevorderd dat de bedragen per medeverdachte dienen te worden opgeteld en dat het totaalbedrag hoofdelijk ten laste van verdachte en zijn medeverdachten dient worden toegewezen.

De verdediging heeft gesteld dat nu in de zaak tegen verdachte € 500,-- wordt gevorderd, er van uit dient te worden gegaan dat de schade niet hoger is dan dat bedrag, maar dat ook afgezien daarvan toewijzing van een hoger bedrag dan gevorderd niet aan de orde is.

De politierechter interpreteert het standpunt van de benadeelde partij aldus dat hij aanspraak maakt op een door de politierechter naar billijkheid vast te stellen bedrag. De politierechter acht de vordering tot een bedrag van € 500,-- van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Voldoende is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de in verdachtes zaak bewezengeachte feiten door toedoen van verdachte en drie van zijn mededeverdachten, rechtstreeks schade heeft geleden. De politierechter waardeert deze op een bedrag van € 500,--, zijnde het hoogste in de voegingsformulieren gevorderde bedrag, welk bedrag de politierechter ook billijk voorkomt. Dit bedrag zal in hoofdelijke vorm worden toegewezen in de zaken tegen verdachte en deze drie medeverdachten ([medeverdachte4], [medeverdachte3], [medeverdachte2] en [verdachte]). Voorts zullen verdachte en genoemde medeverdachten worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het eventuele restant van de vordering zal als niet eenvoudig van aard niet ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst en in zoverre aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

In het belang van benadeelde [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij [verbalisante]

Verbalisant [verbalisante] heeft zich ter zitting mondeling gevoegd als benadeelde partij ter zake van door haar ondervonden immateriële schade. Zij heeft ter toelichting gesteld dat zij getuige is geweest van de ten laste gelegde feiten tegen verbalisant [slachtoffer], gevreesd heeft voor diens leven en niet bij machte was in te grijpen. Dit heeft een grote indruk op haar gemaakt, zij heeft twee dagen niet kunnen werken en is angstiger geworden voor wat op straat zou kunnen gebeuren. Voor wat betreft de hoogte van de schade heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de politierechter.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot het bedrag dat de politierechter billijk voorkomt.

De verdediging heeft gesteld dat deze niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De politierechter overweegt dat de bewezenverklaarde tegen haar collega begane feiten onmiskenbaar grote indruk op benadeelde [verbalisante] hebben gemaakt. Echter is niet gebleken dat zij schade heeft geleden die als rechtstreeks gevolg hiervan kan gelden en voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen. De vordering zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan deze desgewenst aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10. Toegepaste wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 55, 141, 180 en 182 van het Wetboek van strafrecht.

11. Beslissingen

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de hierboven genoemde strafbare feiten.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 10 (tien) dagen van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, bij niet voldoen te vervangen door hechtenis van 15 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 500,-- (vijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte met zijn mededaders aan [slachtoffer] voornoemd, per adres [adres], het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens haar mededaders is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen de som van € 500,-- (vijfhonderd euro), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens haar mededaders is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [verbalisante] niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.E.A.A. Straus griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2009.