Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI8507

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
13/447330-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De politierechter overweegt dat zoals reeds uit de wettelijke strafbepalingen volgt (politie)ambtenaren in functie een ten opzichte van gewone burgers bijzondere strafrechtelijke bescherming toekomt. Zaken als de onderhavige illustreren het belang dat deze bijzondere positie ook in de strafmaat tot uitdrukking wordt gebracht.

Echter zullen de in deze zaak bewezen verklaarde feiten niet louter volgens (verhoogde) richtlijnen van het Openbaar Ministerie afgedaan kunnen worden. Recht dient te worden gedaan aan de strafwaardigheid van de concrete feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en aan de persoon van de verdachte. Door de politieambtenaar meermalen in het gezicht te slaan, heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen aan het gezag en respect dat politieambtenaren toekomt. De politierechter rekent het verdachte verder aan dat hij geweld heeft gebruikt na een schermutseling in een uitgaansgelegenheid die net mede door toedoen van de politie tot bedaren was gebracht. Mede door zijn handelen kon ook door anderen gepleegde agressie gemakkelijk oplaaien, zij het dat hij in die volgende agressie geen strafbaar aandeel heeft gehad. De politierechter slaat er verder acht op dat verdachte niet eerder wegens geweldsdelicten is veroordeeld. Van belang is dat verdachte voor een groot deel van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken en daardoor de op te leggen straf aanzienlijk lager zal zijn dan door de officier van justitie is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/447330-08

Datum uitspraak: 10 juni 2009

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, politierechter, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2009.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, nadat een wijziging tenlastelegging is toegelaten, tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer] (brigadier Politie Amsterdam-Amstelland),

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar

bediening, (meermalen)(met kracht) (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht

heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

(artikel 304 sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam [slachtoffer] (brigadier politie

Amsterdam-Amstelland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

(vanaf een afstand van minder dan 1 meter van die [slachtoffer]) dreigend met zijn

vingers een vuurwapen nagedaan en/of hiermee een schietende beweging gemaakt

in de richting van die [slachtoffer] en/of met zijn vingers langs zijn keel gegaan

en/of daarbij die [slachtoffer] (agressief) aangekeken;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer] (brigadier politie Amsterdam-Amstelland) verdachte op verdenking van

het overtreden van artikel 304 sub 2 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op

verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad

ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten

spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over

te brengen naar een plaats van verhoor, te weten bureau Houtmankade, zich met

geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de

rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig

(meermalen) (tegen) die [slachtoffer] te duwen en/of te trekken en/of te slaan en/of

te schoppen en/of (vervolgens) weg te lopen, tengevolge waarvan deze

opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (schaafwonden en/of blauwe

plekken) bekwam;

(artikel 181 sub 1 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam met een ander of anderen, op

een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek

toegankelijke ruimte, althans op of aan de openbare weg, de [straatnaam], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het omsingelen

en/of duwen en/of trekken en/of (meermalen) schoppen tegen de benen en/of het

(meermalen) schoppen en/of slaan tegen het lichaam en/of schoppen en/of

trappen tegen de rug en/of het slaan in het gezicht en/of het trekken aan de

armen van die [slachtoffer] , waarbij hij, verdachte, opzettelijk (meermalen) die

[slachtoffer] heeft geduwd en/of getrokken en/of die [slachtoffer](meermalen) heeft geslagen

en/of geschopt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel

(schaafwonden en/of blauwe plekken) voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

(artikel 141 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met

een ander en/of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (brigadier Politie Amsterdam-Amstelland)

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

(meermalen) (met kracht) heeft/hebben geschopt tegen de benen en/of geschopt

en/of geslagen tegen het lichaam terwijl deze op de grond lag en/of geschopt en/of getrapt tegen de rug terwijl deze op de grond lag en/of geslagen in het gezicht en/of getrokken aan de armen;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 20 april 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een ambtenaar,

te weten [slachtoffer] (brigadier Amsterdam-Amstelland), gedurende en/of terzake

van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (meermalen) (met

kracht) heeft/hebben geschopt tegen de benen en/of geschopt en/of geslagen

tegen het lichaam en/of geschopt en/of getrapt tegen de rug en/of geslagen in

het gezicht en/of getrokken aan de armen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 304 sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2. Bespreking van het bewijsmateriaal

2.1 De politierechter gaat uit van de volgende feiten

In de nacht van 20 april 2008 heeft een incident heeft plaatsgevonden voor uitgaanscentrum Marcanti, waarbij politieambtenaar brigadier [slachtoffer] door een groep personen is belaagd, in een zeer benarde positie is gebracht en veelvuldig geweld tegen hem is toegepast.

Uiteindelijk zijn vijf verdachten aangehouden, te weten [verdachte] (zoon van verdachte [medeverdachte1]), [medeverdachte2] (zuster van [verdachte]), [medeverdachte1] (moeder van [verdachte] en [medeverdachte2]), [medeverdachte3] (broer van [medeverdachte1]) en [medeverdachte4] (die zichzelf ter zitting heeft omschreven als een goede vriend van de familie). De zaken tegen genoemde verdachten zijn gelijktijdig ter zitting behandeld.

Tot het dossier behoren videobeelden, waarop delen van het gebeurde te zien zijn. Deze beelden zijn ter zitting door verbalisant [slachtoffer] toegelicht. Ook verdachten hebben daarop hun commentaar gegeven. Uit de in deze zaak afgelegde verklaringen, in combinatie met de waarneming van de videobeelden, blijkt het volgende.

Uit de aangifte van verbalisant [slachtoffer] en videobeelden komt naar voren dat verbalisant [slachtoffer] die nacht rond 4.00 met zijn collega verbalisante [verbalisant1] ter plaatse is gekomen. Aanleiding was een melding van het beveiligingspersoneel kortgezegd inhoudend dat een persoon werd opgehouden die werd verdacht van het uitgeven van vals geld. Deze persoon betrof een broer dan wel oom van vier van de vijf later aangehouden verdachten.

Alle verdachten hebben zich beijverd de opgehouden persoon vrij te krijgen. Op de videobeelden zijn aanvankelijk op het oog rustige gesprekken te zien. Op een gegeven moment hebben de verdachten [medeverdachte4] en [verdachte] zich echter duidelijk agressief naar de beveiliging opgesteld, waarop de beveiliging hen samen met andere in de hal aanwezige personen naar de uitgang heeft gedrongen. Te zien is dat tegen verdachte [medeverdachte4] enig geweld (armklem) is toegepast.

Op laatstbedoeld moment waren verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant1] ook in de hal aanwezig. Te zien is dat zij verdachten en de overige personen hebben gemaand naar buiten te gaan. Vervolgens is op de beelden van de eerste camera te zien dat verbalisant [slachtoffer] zich in de ingang posteert en er door personen die zich buiten bevinden kennelijk wordt geduwd om weer binnen te komen. Ook zijn zwaaiende armbewegingen te zien, op een gegeven moment rennen personen die vlak voor de ingang staan weg terwijl [slachtoffer] een stap naar voren doet. De videobeelden geven van enige afstand zicht op de rug van verbalisant [slachtoffer]. De personen die direct voor hem staan zijn deels aan het zicht onttrokken. Er is geen tegen [slachtoffer] toegepast geweld of bedreiging te zien.

Verbalisant [slachtoffer] heeft verklaard dat, toen hij aldus bij de ingang stond, verdachte [verdachte] hem tot drie keer toe een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, dat [verdachte] voorts bedreigende gebaren heeft gemaakt, dat hij [verdachte] daarop heeft vastgegrepen, gezegd dat hij was aangehouden en hem naar buiten heeft geleid.

Als getuige ter zitting heeft [slachtoffer] verklaard zich geen bedreigende gebaren te kunnen herinneren.

De gebeurtenissen vlak buiten de deur zijn door een tweede camera geregistreerd. Deze camera geeft zicht op het trapje bij de uitgang en de eerste (naar schatting van de politierechter tien tot vijftien meter van de stoep langs de gevel van Marcanti. Op deze beelden is te zien dat verdachten [medeverdachte4] en [medeverdachte3] ([verdachte]s oom) het trapje af springen, waarbij het lijkt alsof zij (naar mag worden aangenomen door de beveiliging) geduwd werden. Vervolgens verschijnt verbalisant [slachtoffer] in beeld. Hij loopt langs de gevel naar voren terwijl hij [verdachte] voor zich vasthoudt. [slachtoffer] wordt op de voet gevolgd door [medeverdachte1] ([verdachte]s moeder), die aan [slachtoffer] of [verdachte] lijkt te trekken. Vrijwel direct storten [medeverdachte3] ([verdachte]s oom) en [medeverdachte4] zich op [slachtoffer]. [medeverdachte3] en [medeverdachte4] zijn op de rug te zien en proberen met wrikkende bewegingen [verdachte] uit de greep van [slachtoffer] los te trekken. Vervolgens is te zien dat meerdere personen naar buiten komen, waaronder kennelijk bewakingspersoneel van Marcanti en verdachte [medeverdachte2]. Te zien is dat verdachte [medeverdachte2] en een andere persoon ieder een beveiligingsmedewerker een harde duw geven, kennelijk om te voorkomen dat dezen het groepje rond [slachtoffer] kunnen bereiken.

Vervolgens verdwijnen [slachtoffer] met [verdachte] en het groepje rond hem in de richting van de straat uit het beeld. Andere personen volgen hen met versnelde pas, waaronder verdachte [medeverdachte2], beveiligingspersoneel en een aantal onbekend gebleven personen. Van het vervolg tot aan het moment dat het groepje op de derde camera verschijnt bestaan geen beelden.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij terwijl hij met de verdachte [verdachte] van de ingang wegliep, vrijwel direct door een groep personen werd aangevallen, dat deze groep probeerde [verdachte] te bevrijden, dat hij ([slachtoffer]) voelde dat er aan hem werd getrokken en dat hij tegen zijn linkerbeen werd geschopt, dat hij terwijl hij [verdachte] voor zich vasthield, zich heeft voortbewogen langs de gevel, van de ingang weg, dat hij bleef voelen dat hij werd geschopt, dat hij pijnscheuten in zijn been voelde, dat hij na het passeren van het einde van de gevel ook pijn aan zijn rug voelde, dat hij ten val is gekomen, dat hij daarop de controle over [verdachte] verloor, dat hij terwijl hij zich (naar hij ter zitting als getuige heeft verklaard: op zijn knieën) op de grond bevond door de groep werd geslagen en geschopt, dat hij pijn voelde aan rug ribben en hoofd, dat hij zijn gezicht met zijn armen heeft beschermd, dat hij ook aan zijn armen hevige pijn voelde, dat hij niet heeft gezien wie hem schopten en sloegen, dat hij wel heeft gezien dat [verdachte] wegrende, dat hij erin slaagde weer overeind te komen, dat hij daarbij door beveiligingsmedewerkers van Marcanti is ontzet, dat hij achter [verdachte] is aangerend en hem uiteindelijk weer heeft vastgepakt, dat hij daarop door verdachte [medeverdachte2] in het gezicht is geslagen en dat deze samen met verdachte [medeverdachte1] (de moeder van [verdachte]) geprobeerd hebben zijn armen los te maken om [verdachte] opnieuw te bevrijden.

Videobeelden van een derde camera geven vanaf grote hoogte en afstand zicht op het voor Marcanti gelegen plein, vanaf het einde van de gevel waarlangs [slachtoffer] en de personen rond hem zich hebben voortbewogen. Te zien is dat een kluwen kennelijk vechtende personen in beeld verschijnt en heen en weer beweegt. Naar schatting van de politierechter gaat het om tien tot twaalf niet identificeerbare personen. Verbalisant [slachtoffer] is wel te herkennen aan zijn witte uniformshirt. Ter zitting heeft [slachtoffer] het moment aangewezen waarop hij ten val is gekomen. Op de beelden is een dergelijke situatie waarneembaar. Naar de waarneming van de politierechter heeft deze situatie vanaf het door [slachtoffer] aangewezen moment tot het moment waarop hij weer overeind komt vier of vijf seconden geduurd. Voorts is op de beelden te zien dat verbalisant [slachtoffer] nadat hij overeind is gekomen direct achter een wegrennende man aanloopt. Verdachte [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de wegrennende man was. Te zien is dat op dat moment andere politieambtenaren ter plaatse zijn aangekomen.

Verbalisant [slachtoffer] heeft de verdachten waarover hij verklaart als NN1 ev op het politiebureau geïdentificeerd. Verdachten hebben zich voorts ter zitting op enig moment waarop zij in beeld zijn op de videobeelden aangewezen.

Een arts heeft nog dezelfde dag het volgende letsel bij verbalisant [slachtoffer] geconstateerd: een kras ter hoogte van het linker jukbeen, een schaafwond aan de rechterknie, roodheid en een kras aan de rechter onderarm/pols, een zwelling en drukpijn aan de rechter duimmuis, schaafwonden in de linker elleboogplooi en aan de rechterbovenarm, drukpijn aan de linkerflank, een pijnlijke nek en schouder.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij een veiligheidsvest droeg, waarzonder hij vermoedelijk ernstiger letsel aan zijn borst en of rug had opgelopen. Een collega van [slachtoffer] heeft verklaard (p. 3) dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] tevens een schaafwond op zijn rug had, op een plek waar het veiligheidsvest bescherming bood.

Verbalisante [verbalisant1] heeft over de gebeurtenissen kort samengevat verklaard dat zij gezien heeft dat in de situatie waar [slachtoffer] bij de uitgang van Marcanti stond, een groep personen aan het vechten was met de beveiliging en dat de beveiligers diverse klappen kregen. Vanuit deze groep werd uitgehaald naar [slachtoffer] en hij werd hierbij ook geraakt.

Over de gebeurtenissen buiten heeft zij verklaard dat een groep van ongeveer tien man [slachtoffer] te lijf ging en dat hij werd geslagen en geschopt. Zij heeft geen personen in de groep kunnen identificeren, doordat alles zich snel afspeelde en haar het zicht belemmerd werd.

[slachtoffer] heeft verklaard dat het veel ernstiger had kunnen aflopen als hij niet zijn veiligheidsvest had gedragen en niet door het beveiligingspersoneel was ontzet. Ook [verbalisant1] heeft de situatie als zeer beangstigend ervaren.

Voorts zijn verklaringen afgelegd door beveiligingsmedewerkers [beveiligingsmedewerker1] en [beveiligingsmedewerker2]. Ter terechtzitting is aan de orde geweest in hoeverre deze verklaringen vanwege de onderlinge verschillen voldoende betrouwbaar zijn om mee te werken aan het bewijs. De politierechter vindt in deze verklaringen een bevestiging van de zeer benarde situatie waarin [slachtoffer] zich heeft bevonden en dat meerdere personen hem hebben geslagen en geschopt en voorts dat hij door meerdere personen is geschopt toen hij zich op de grond bevond. Voorzover deze verklaringen overigens worden gebruikt zal dit in het navolgende worden aangegeven.

[verdachte] heeft verklaard dat hij wel heeft uitgehaald naar de politieagent, maar zich niet kan herinneren hem geraakt te hebben. De bedreigingen heeft hij ontkend, evenals het hem tenlastegelegde verdere geweld dan wel verzet tegen verbalisant [slachtoffer].

De overige (mede)verdachten hebben verklaard wel aan [slachtoffer] getrokken en geduwd te hebben om [verdachte] los te krijgen. Alleen [medeverdachte2] heeft verklaard dat zij om zich heen heeft geslagen en mogelijk [slachtoffer] geraakt heeft. De overige verdachten hebben verklaard dat zij wel hebben geduwd en getrokken, maar ontkend dat zij hebben geslagen of geschopt. Verdachte [medeverdachte4] heeft ter zitting aangevoerd dat hij nog voordat [slachtoffer] ten val kwam door beveiligingsmedewerkers is vastgepakt en weggetrokken.

2.2. standpunt Officier van justitie

De officier heeft geconcludeerd dat alle onder primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen

2.3. standpunt verdediging

De verdediging heeft primair ten aanzien van alle feiten vrijspraak bepleit.

3.1 beoordeling en motivering

De politierechter acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan primair feit 1, te weten mishandeling van politieambtenaar [slachtoffer], door hem meermalen met gebalde vuist tegen het gezicht te slaan, waardoor hij pijn heeft ondervonden. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat [slachtoffer] door deze vuistslagen letsel heeft opgelopen.

De politierechter gebruikt als bewijs de aangifte van [slachtoffer] inhoudend dat hij drie keer toe van verdachte een vuistslag in het gezicht heeft gekregen en pijn heeft gevoeld, het proces verbaal van bevindingen van verbalisante [verbalisant1] inhoudend dat zij zag dat een persoon naar [slachtoffer] uithaalde en dat hij werd geraakt en de eigen verklaring van verdachte bij de politie afgelegd inhoudend dat hij naar die agent heeft uitgehaald.

Verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten primair 2, 3 en 4. De politierechter overweegt dat deze feiten ten aanzien van de verdachte [verdachte] niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.

Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging (primair feit 2) overweegt de politierechter het volgende. Verdachte heeft steeds ontkend bedreigende gebaren te hebben gemaakt. Naast verbalisant [slachtoffer] is er geen getuige die bedreigende gebaren heeft gezien. Nu verbalisant [slachtoffer] als getuige ter zitting zich geen bedreigende gebaren meer kon herinneren is bij de politierechter omtrent dit feit twijfel blijven bestaan.

Ten aanzien van primair feiten 3 en 4 overweegt de politierechter dat de mishandeling door [verdachte] niet kan worden gezien als eerste onderdeel van het daarna in vereniging tegen [slachtoffer] gepleegde geweld. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat de groep zich pas tegen hem keerde nadat hij [verdachte] had aangehouden en met hem naar buiten liep om hem over te brengen. Het dossier bevat geen aanwijzing dat het opzet van [verdachte] mede was gericht op het ontstaan van groepsgeweld tegen [slachtoffer], evenmin is gebleken dat de medeverdachten zich voorafgaand aan [verdachte]s aanhouding gewelddadig tegen [slachtoffer] hebben gekeerd. Veeleer komt uit de stukken naar voren dat hun opzet op geweld pas nadien ontstond en er op was gericht hem uit de greep van [slachtoffer] te bevrijden.

Ten aanzien van primair feit 3 (wederspannigheid in vereniging) geldt voorts dat uit de aangifte van [slachtoffer] niet blijkt dat vanaf het moment waarop hij voor de eerste maal was aangehouden zich actief tegen zijn aanhouding en overbrenging heeft verzet. Evenmin is gebleken dat hij een bijdrage heeft geleverd aan het door anderen tegen [slachtoffer] gepleegde verzet of daartoe heeft aangezet. Nu niet blijkt dat [slachtoffer] daarvan iets heeft bemerkt acht de politierechter de verklaring van medeverdachte [medeverdachte4], dat verdachte zich zou hebben losgerukt daarvoor onvoldoende.

Blijkens de aangifte heeft [slachtoffer] [verdachte] moeten loslaten toen hij ten val kwam en heeft hij [verdachte] zien wegrennen toen hij zich op de grond bevond. Door dit wegrennen heeft [verdachte] wel geprofiteerd van het door anderen tegen [slachtoffer] gepleegde geweld, maar dit levert voor hem geen strafbare wederspannigheid op. Evenmin is gebleken van door [verdachte] gepleegd actief verzet na zijn tweede feitelijke aanhouding of enige bijdrage daaraan.

Ten aanzien van primair feit 4 (openlijk geweld tegen [slachtoffer] en poging zware mishandeling van [slachtoffer] in vereniging) blijkt verder niet dat [verdachte] na de gebeurtenissen van feit 1 geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt of daarin in enige mate heeft aangezet of bijgedragen. [slachtoffer] heeft niet verklaard dat [verdachte] terwijl hij hem vast had geweld heeft uitgeoefend. [verdachte] zou dit alleen gedaan kunnen hebben in de korte periode dat [slachtoffer] zich op de grond bevond. [slachtoffer] verklaart echter dat [verdachte] ook ten val was gekomen en dat hij [verdachte] zag wegrennen terwijl hij ([slachtoffer]) zich nog op de grond bevond.

3.2 bespreking gevoerde (bewijs)verweren

De verdediging heeft betoogd dat verdachte wel heeft uitgehaald, maar [slachtoffer] niet heeft geraakt, en dat het mogelijk een ander persoon is geweest die [slachtoffer] heeft geraakt. Dit verweer wordt verworpen. Zowel [slachtoffer] als [verbalisant1] verklaren dat [slachtoffer] is geraakt. [slachtoffer] verklaart meermalen te zijn geslagen door dezelfde verdachte, die hij daarop heeft aangehouden en later geïdentificeerd als verdachte [verdachte]. Het is niet aannemelijk dat [slachtoffer] zich in de persoon heeft vergist.

4. Bewezenverklaring

De politierechter acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat

Primair

1.

hij op 20 april 2008 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer] (brigadier Politie Amsterdam-Amstelland),

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, meermalen met kracht met gebalde vuist in/tegen het gezicht

heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn

heeft ondervonden;

6. De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezen verklaarde levert op:

- mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met aftrek van voorarrest en een werkstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen. Tevens heeft zij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk zal worden toegewezen voor een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro) en de vordering van benadeelde partij [verbalisant1] hoofdelijk zal worden toegewezen voor een bedrag waarvoor zij zich refereert aan het oordeel van de politierechter. Tevens heeft zij de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De officier heeft gesteld dat haar strafeis in de zaken van verdachte en medeverdachten is gebaseerd op een verdubbeling ten opzichte van de door het openbaar ministerie gehanteerde richtlijnen, aangezien sprake is van geweld tegen een politieambtenaar in functie.

De politierechter overweegt dat zoals reeds uit de wettelijke strafbepalingen volgt (politie)ambtenaren in functie een ten opzichte van gewone burgers bijzondere strafrechtelijke bescherming toekomt. Zaken als de onderhavige illustreren het belang dat deze bijzondere positie ook in de strafmaat tot uitdrukking wordt gebracht.

Echter zullen de in deze zaak bewezen verklaarde feiten niet louter volgens (verhoogde) richtlijnen van het Openbaar Ministerie afgedaan kunnen worden. Recht dient te worden gedaan aan de strafwaardigheid van de concrete feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en aan de persoon van de verdachten. De officier heeft er in haar requisitoir blijk van gegeven daar tevens oog voor te hebben.

Verdachte heeft nadat zich in de hal van een uitgaansgelegenheid ongeregeldheden hadden voorgedaan, waarin verdachte een aandeel heeft gehad, en nadat die hal mede door toedoen van de politie was ontruimd, met anderen gepoogd door de uitgang weer binnen te komen. Toen dit door beveiligingsmedewerkers en een politieambtenaar werd belet, heeft verdachte zich daarbij niet neergelegd maar deze politieambtenaar meermalen in het gezicht geslagen.

Verdachte heeft deze ambtenaar hiermee pijn toegebracht en zich niets gelegen laten liggen aan het gezag en respect dat politieambtenaren toekomt. De politierechter rekent het verdachte verder aan dat hij geweld heeft gebruikt na een schermutseling in een uitgaansgelegenheid, die net mede door toedoen van de politie tot bedaren was gebracht. Mede door zijn handelen kon ook door anderen gepleegde agressie gemakkelijk oplaaien, zij het dat hij in die volgende agressie geen strafbaar aandeel heeft gehad.

Ten aanzien van de persoon van verdachte is gebleken dat hij niet eerder wegens geweldsdelicten is veroordeeld. De politierechter heeft verder acht geslagen op het tijdens het voorarrest opgemaakte reclasseringsrapport en hetgeen verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht.

De politierechter houdt in het bijzonder rekening met het ontbreken van relevante recidive en voorts hetgeen omtrent de financiële situatie van verdachte is gebleken.

Reeds omdat van een groot deel van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken zal de op te leggen straf aanzienlijk lager zijn dan door de Officier van justitie is gevorderd.

Alles overziend acht de politierechter de na te noemen straf passend en geboden.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel

Verbalisant [slachtoffer] heeft kort voor de terechtzitting schriftelijk gevoegd in de procedures tegen verdachte en de medeverdachten als benadeelde partij wegens door hem als gevolg van het tenlastegelegde geleden immateriële schade. Kort samengevat is gesteld dat hij pijn heeft geleden en langdurig last van het letsel heeft ondervonden bij dagelijkse activiteiten en in het bijzonder het sporten. Voorts heeft het tenlastegelegde geweld geleid tot gevoelens van boosheid, machteloosheid en frustratie. Ten aanzien van elke verdachte en medeverdachte is een afzonderlijk een schadebedrag gevorderd.

Inzake de verdachte [verdachte] bedraagt de vordering € 750,--.

Ter zitting heeft benadeelde [slachtoffer] zijn schade toegelicht en aanvullend verklaard dat hij zijn werkzaamheden na enkele dagen heeft kunnen hervatten, zij het in een bureaufunctie. Verder heeft hij verklaart niet te kunnen zeggen hoe hoog zijn totale schade is, dat zijn gemachtigde de schadeformulieren en de daarin vermelde bedragen heeft ingevuld en dat hij er van uitgaat dat deze correct zijn. Indien verdachte en medeverdachten als collectief aansprakelijk moeten worden beschouwd, refereert hij zich aan het oordeel van de politierechter.

De Officier van Justitie heeft gevorderd dat alle bovenbedoelde bedragen dienen te worden opgeteld en dat het totaalbedrag hoofdelijk ten laste van verdachte en zijn medeverdachten dient wordt toegewezen. De verdediging heeft betoogd dat de vordering aanzienlijk dient te worden beperkt.

De politierechter oordeelt dat zoals hierboven overwogen verdachte [verdachte] wordt vrijgeproken van kortgezegd de geweldshandelingen die ten aanzien van zijn medeverdachten wel bewezen worden verklaard en voorts van de hem ten laste gelegde bedreiging. Voor zover de vordering betrekking heeft op bedoeld geweld en bedoelde bedreiging dient deze niet ontvankelijk te worden verklaard. De vordering is slechts ontvankelijk ten aanzien van het wel ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit, kortgezegd het toedienen van meerdere vuistslagen, waardoor [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

De politierechter weegt mee dat een deel van de bij benadeelde [slachtoffer] ontstane gevoelens van boosheid, onmacht en frustratie aan het door verdachte gepleegde feit kunnen worden toegerekend en acht de vordering tot een bedrag van € 100,-- eenvoudig genoeg voor behandeling in deze strafprocedure. De terzake geleden schade wordt naar billijkheid op hetzelfde bedrag gewaardeerd, dat ook zal worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering zal als niet eenvoudig van aard niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan deze desgewenst en in zoverre aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

In het belang van benadeelde [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [verbalisant1]

Verbalisant [verbalisant1] heeft zich ter zitting mondeling gevoegd als benadeelde partij ter zake van door haar ondervonden immateriële schade. Zij heeft ter toelichting gesteld dat zij getuige is geweest van het tegen verbalisant [slachtoffer] gepleegde geweld, gevreesd heeft voor diens leven en niet bij machte was in te grijpen. Dit heeft een grote indruk op haar gemaakt, zij heeft twee dagen niet kunnen werken en is angstiger geworden voor hetgeen op straat zou kunnen gebeuren. Voor wat betreft de hoogte van de schade heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de politierechter.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot het bedrag dat de politierechter billijk voorkomt.

De verdediging heeft gesteld dat deze niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De politierechter overweegt dat de gebeurtenissen onmiskenbaar grote indruk op benadeelde [verbalisant1] hebben gemaakt. Echter is niet gebleken dat zij schade heeft geleden die als rechtstreeks gevolg hiervan kan gelden en voor toewijzing in aanmerking kan komen. De vordering zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan deze desgewenst aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9. Toegepaste wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van strafrecht.

10. Beslissingen

Verklaart bewezen dat verdachte het primair onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het genoemde strafbare feit.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 600,--, bij niet voldoen te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden naar de norm van € 50,-- voor iedere dag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 100,-- (honderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, per adres [adres], het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen de som van € 100,-- (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [verbalisant1] niet ontvankelijk in haar vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.E.A.A. Straus griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2009.