Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI8495

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
13/447681-08 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging van ambulancepersoneel tijdens de uitoefening van hun functie. Met het belemmeren van de werkzaamheden van de hulpverleners is de veiligheid van het slachtoffer, die op dat moment dringend medische zorg nodig had, in het gedrang gekomen. Ook zorgen dit soort feiten voor grote opschudding in de samenleving en wordt het gevoel van openbare veiligheid aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/447681-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 17 juni 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de politierechter, rechtbank [geboorteplaats], in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2009.

De politierechter heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. O.J.M. van der Bijl en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.I. Roos en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat hij

1.

op of omstreeks 03 september 2008 te Amsterdam een of meer medewerker(s) van het ambulance- en of traumateam met dienstnummer [dienstnummer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die medewerker(s) van het ambulance- en/of traumateam (meermalen) geduwd en/of (daarbij) voornoemde medewerker(s) van het ambulance- en/of traumateam dreigend de woorden toegevoegd : "Als hij dood gaat, maak ik jou dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

op of omstreeks 03 september 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) in/op (de linkerkant van) het gezicht heeft

geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht).

2. Voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 3 september 2008 te Amsterdam medewerkers van het ambulance- en traumateam met dienstnummer [dienstnummer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die medewerkers van het ambulance- en traumateam meermalen geduwd en voornoemde medewerkers van het ambulance- en traumateam dreigend de woorden toegevoegd : "Als hij dood gaat, maak ik jou dood".

2.

op 3 september 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen met kracht met gebalde vuist op de linkerkant van het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.2 Waardering van het bewijs

3.2.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich bij requisitoir op het standpunt dat de telastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

De officier van justitie acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij zich het cruciale moment van de bedreiging niet kan herinneren, ongeloofwaardig.

3.2.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat verdachte handelde uit angst, onzekerheid, woede en pure onmacht. Hij heeft geen opzet gehad op het teweegbrengen van vrees bij de hulpverleners en de bedreiging was niet van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat de redelijke vrees kon ontstaan dat één van de hulpverleners daadwerkelijk het leven zou verliezen, dan wel zwaar mishandeld zou worden. Het was een schrikreactie. De ontstane vrees van de hulpverleners kan niet redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend, maar is primair ontstaan door een opdringerige menigte van omstanders en een gebrek aan adequaat politieoptreden.

Verdachte stelt bij de politie en ter terechtzitting zich niet te herinneren de bedreigende woorden te hebben geuit.

De raadsman is van mening dat verdachte van de telastegelegde bedreiging dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde is de raadsman van mening dat de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van de getuige op cruciale punten tegenstrijdig zijn. Nu verdachte de mishandeling ontkent, dient verdachte naar de mening van de raadsman ook van dit feit te worden vrijgesproken.

3.2.3 Het oordeel van de politierechter

De politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De politierechter benoemt uit deze bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Op 3 september 2008 komt bij de politie een melding binnen van een steekpartij op de Vredeman de Vriesstraat te Amsterdam. Ter plaatse treffen de verbalisanten ambulancepersoneel aan dat bezig is met de behandeling van een slachtoffer. Verbalisanten zien dat op verschillende afstanden van de ambulance ongeveer 30 personen staan toe te kijken. Zij gedragen zich rustig. Vervolgens zien verbalisanten een groep van ongeveer 15 personen aan komen lopen. Ongeveer 6 personen uit deze groep lopen door naar het ambulancepersoneel. Een lange lichtgetinte jongeman met een zwart leren jasje buigt zich naar het slachtoffer en zegt: “Het is mijn broer!” De jongeman en enkele anderen proberen steeds weer bij het slachtoffer te komen en tenminste twee ambulancemedewerkers moeten hun werk staken om de omringende personen te zeggen meer afstand te houden en zich er niet mee te bemoeien. Verbalisanten zien het ambulancepersoneel het slachtoffer op de brancard leggen en de ambulance in schuiven, waarna de ambulance wegrijdt.i

In hun verschillende aangiften verklaren de ter plaatse aanwezige hulpverleners dat de reden voor hun haastige vertrek gelegen was in een bedreigende situatie die was ontstaan na de uiting van dreigende woorden door de broer van het slachtoffer.

De ambulanceverpleegkundige met dienstnummer [dienstnummer] verklaart dat twee jongens hem en zijn collega’s het werk onmogelijk hebben gemaakt. “Ze probeerden op alle mogelijke manieren bij het slachtoffer te komen. Ze duwden en trokken aan mijn collega en aan de mensen die ons de ruimte probeerden te geven. Het was voor mij niet mogelijk het slachtoffer verder te behandelen. Ik heb mijn collega horen zeggen: “geef ons de ruimte, anders gaat hij dood”. Direct werd hierop gereageerd. Er werd geroepen: “Als hij dood gaat, maak ik jou dood”. Dit werd drie keer geroepen. Ik voelde mij hierdoor erg angstig worden. Ik was bang dat ik en mijn collega’s letsel gingen oplopen. De sfeer was erg bedreigend. Het slachtoffer hebben wij zo snel mogelijk op de brancard gelegd. Het slachtoffer was zeker niet stabiel, maar wij konden niet verder werken. We zijn er als een haas vandoor gegaan. Ik ben er van overtuigd dat wanneer ze een stuk hout of iets dergelijks hadden, ze dat tegen/op ons hadden gebruikt, zo woest waren ze. Ik was echt bang voor ze”.ii

De chauffeur van het traumateam met dienstnummer [dienstnummer] verklaart in zijn aangifte dat ter plaatse twee jongens kwamen aangerend. Een van deze jongens omschrijft hij als broer 1 en herkent hij bij een fotoconfrontatie als verdachte.iii Volgens aangever liep verdachte meteen naar het slachtoffer en duwde hij daarbij de verpleegkundige en de trauma-arts weg. De chauffeur van de eerste ambulance sprak hem op een gegeven moment aan en zei: “Jongen laat ons ons werk doen, want anders gaat hij dood”. Toen knapte er wat bij verdachte. Hij wees eerst naar het slachtoffer en zei: “Als hij dood gaat, maak ik jou ook dood”. Hierbij wees hij naar de chauffeur van de eerste ambulance. Vervolgens liep verdachte om naar mij, omdat ik riep dat hij normaal moest doen. Hij wees naar mij en zei: “Als mijn broertje dood gaat, ga jij ook dood”. Hij stond vlak voor me en zij het op een heel koelbloedige manier. Hij keek mij recht in mijn ogen. Ik voelde mij hierdoor erg bedreigd en angstig.iv

Ook de trauma-arts met dienstnummer [dienstnummer] zegt in haar aangifte zich zeer bedreigd gevoeld te hebben door de woorden: “Als mijn broertje dood gaat, ga jij ook dood” die tegen de verpleegkundige gezegd werden.v

De ambulancechauffeur met dienstnummer [dienstnummer] verklaart in zijn aangifte dat hij op een gegeven moment tegen [verdachte], die hij later op AT5 heeft herkend als verdachte, zegt: “Laat ons ons werk doen, want anders gaat hij dood”. Toen hoorde hij dat verdachte op dreigende toon naar hem riep: “Ik maak jou dood”. Aangever verklaart: “Hij keek me recht aan en ik zag die blik in zijn ogen. Ik voelde me echt heel bedreigd. Daarop besloten we dat we weg moesten”.vi

Het voorgaande in overweging nemende, is de politierechter –met de officier van justitie en anders dan de raadsman- van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de hulpverleners heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Anders dan de raadsman is de politierechter van oordeel dat met de geuite bedreigingen bij de aanwezige hulpverleners de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat verdachte hen iets aan zou doen en tevens dat verdachte het opzet hiertoe had. Dit mede gelet op de reeds bestaande grimmige situatie waarin de hulpverleners (na het arriveren van verdachte en zijn broer) hun werk moesten doen en het gegeven dat verdachte de woorden meerdere malen heeft geuit.

De politierechter merkt in dit verband op dat de hulpverleners allen hebben verklaard dat zij daadwerkelijk vreesden dat verdachte de daad bij het woord zou voegen. Tevens blijkt hun angst uit het overhaaste en medisch gezien onwenselijke besluit om het slachtoffer niet langer ter plaatse te behandelen, maar hem in de ambulance te leggen en weg te gaan.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat verdachte na de steekpartij, waarbij het broertje van verdachte slachtoffer is geworden, op een afstand stond te kijken hoe het ambulancepersoneel het slachtoffer behandelde. Nadat de ambulance weg was ziet aangever [verdachte] (die hij van een foto herkent als verdachte) naar hem toe komen. “Toen hij bij mij was pakte hij mij bij mijn rechterarm en zei dat ik mee moest lopen. Toen we bij de boxen waren zag en voelde ik dat verdachte met de vuist van zijn rechterhand een klap op de linkerkant van mijn gezicht gaf. Ik voelde meteen een erge pijn. Ik hoorde dat verdachte tegen me zei: “Wijs me waar hij woont.” Ik heb hem toen gewezen waar [voornaam] woont. Vervolgens zag en voelde ik dat verdachte mij weer een klap gaf met de vuist van zijn rechterhand. Hij raakte me weer op dezelfde plek. Later bleek dat de linkerkant van mijn gezicht rood was.”vii

Een getuige van de mishandeling van de heer [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat verdachte hem bij de arm beetpakte en mee trok richting de boxen. Ik zag dat [verdachte] een vuistslag gaf op het oog van [slachtoffer]. Ik hoorde tevens dat hij zei: “Wijs me waar hij woont.”

4. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straffen en maatregelen

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 en 2 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 14 (veertien) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

De officier van justitie overweegt hiertoe dat in onderhavige zaak sprake is van een bijzondere en complexe situatie, welke niet goed in bestaande richtlijnen te passen is. Naar de mening van de officier van justitie is sprake van een ernstig strafbaar feit. De ambulance- en traumateammedewerkers zijn door de geuite bedreigende woorden erg geschrokken en hebben naar eigen zeggen hun werk niet naar behoren kunnen verrichten. Verdachte heeft aldus zijn gewonde broertje extra in gevaar gebracht. Daarnaast is sprake van een uitstralingseffect naar het optreden van hulpdiensten in het algemeen. Het gevoel van veiligheid is bij medewerkers van de hulpdiensten door deze zaak aangetast en beïnvloedt hen in hun werkzaamheden.

6.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich bij pleidooi op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem telastegelegde. Mocht aan verdachte een straf opgelegd worden, dan is de raadsman van mening dat dit een straf gelijk aan het voorarrest dient te zijn, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen.

De raadsman is van oordeel dat de eis van de officier van justitie buitensporig hoog is.

De raadsman verzoekt de politierechter bij de hoogte van de straf rekening te houden met de negatieve gevolgen die verdachte door de media-aandacht naar aanleiding van onderhavige zaak heeft ondervonden.

6.3 Het oordeel van de politierechter

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van ambulance- en traumateammedewerkers terwijl zij bezig waren met hulpverlening te geven aan het broertje van verdachte en daarnaast aan het mishandelen van [slachtoffer]. Dit zijn ernstige feiten.

Uit de verklaringen van de verschillende hulpverleners blijkt dat verdachte volstrekt geen rekening heeft gehouden met de levensreddende werkzaamheden die zij op dat moment aan het verrichten waren. Verdachte maakte het de hulpverleners onmogelijk hun werk te doen, omdat hij constant bij zijn broertje in de buurt probeerde te komen en daarbij de hulpverleners aan de kant duwde. Verdachte werd vervolgens op zijn gedrag door een hulpverlener aangesproken en gewaarschuwd, waarna verdachte meermalen de bedreigende woorden uitte.

Uit de verschillende verklaringen blijkt dat de hulpverleners door het handelen van verdachte en de dreiging die daar van uit ging hun werk ter plaatse, sneller dan medisch gewenst was, hebben moeten afbreken en het slachtoffer in allerijl in de ambulance hebben geladen en zijn vertrokken om uit de dreigende situatie weg te komen. De politierechter overweegt in dit verband dat verdachte door zijn gedrag zijn gewonde broertje extra in gevaar heeft gebracht.

Ten aanzien van de bedreiging overweegt de politierechter dat de getroffen hulpverleners door de geuite bedreigende woorden in hun persoonlijke integriteit zijn geschaad en hun gevoel voor veiligheid is aangetast.

Tevens hebben zij hun levensreddende werkzaamheden door verdachtes handelen niet ongestoord kunnen uitoefenen.

De politierechter overweegt in dit verband dat het van cruciaal belang is dat hulpverleners hun werkzaamheden onbelemmerd kunnen uitoefenen. Juist hulpverleners zouden in de uitoefening van hun werkzaamheden niet bedacht hoeven te zijn op verbaal dan wel fysiek geweld.

Met het belemmeren van de werkzaamheden van de hulpverleners is de veiligheid van het slachtoffer, die op dat moment dringend medische zorg nodig had, in het gedrang gekomen. Tevens zorgen feiten als onderhavige voor grote opschudding in de samenleving en wordt het gevoel van openbare veiligheid aangetast. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte houdt de politierechter voorts rekening met een Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 18 maart 2009 betreffende verdachte waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder met justitie in aanraking is geweest.

Anderzijds houdt de politierechter rekening met de omstandigheid dat verdachte zeer geëmotioneerd was doordat zijn jongere broer gestoken was en gewond op straat lag.

De politierechter houdt eveneens rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, dat verdachte na onderhavig incident niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest en dat het goed met hem gaat en hij naar school gaat.

Anders dan door de raadsman bepleit houdt de politierechter bij het opleggen van de straf geen rekening met de grote media-aandacht die onderhavige zaak heeft gehad. Hoewel de politierechter erkent dat de nasleep van onderhavige zaak voor verdachte en zijn naasten een heftige periode moet zijn geweest is de politierechter –met de officier van justitie- van oordeel dat verdachte de media-aandacht voor een aanzienlijk deel aan zichzelf te wijten heeft gehad, door publiekelijk op televisie te verschijnen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.1 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 14 (veertien) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. Radder, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. C. Heijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2009.

i Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008247342-2 d.d. 3 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], inhoudende een verklaring van voornoemde verbalisanten, doorgenummerde pag. 1-4.

ii Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008247342-5 d.d. 5 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar3], inhoudende een verklaring van ambulanceverpleegkundige met dienstnummer [dienstnummer], doorgenummerde pag. 6-8.

iii Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008247342-1 d.d. 7 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar4], inhoudende een verklaring van de chauffeur van het traumateam met dienstnummer [dienstnummer], doorgenummerde pag. 14-16.

iv Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008247342-5 d.d. 5 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar3], inhoudende een verklaring van de chauffeur van het trauma-team met dienstnummer [dienstnummer], doorgenummerde pag. 9-13.

v Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008247342-5 d.d. 5 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar5], inhoudende een verklaring van de trauma-arts met dienstnummer [dienstnummer], doorgenummerde pag. 17-19.

vi Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008247342-5 d.d. 7 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar6], inhoudende een verklaring van de ambulancechauffeur met dienstnummer [dienstnummer], doorgenummerde pag. 20-23.

vii Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008247482-17 d.d. 9 september 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar5], inhoudende een verklaring van [slachtoffer], doorgenummerde pag. 82-87.

Parketnummer: 13/447681-08

Inzake: [verdachte] (PROMIS)