Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BI6880

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
13-529165-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8112, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onherstelbare vormverzuimen in voorbereidend onderzoek (doorzoeking woning verdachte, afname DNA en ontbreken van "access to a lawyer" en "assistence of al lawyer" bij politieverhoren ) leiden tot uitsluiting van bewijs. Beroep op EHRM Salduz en EHRM Panovits slaagt. De rechtbank overweegt dat het van belang is dat de politie verdachte er duidelijk op wijst dat hij het recht heeft voorafgaand aan het eerste verhoor (door de politie) een raadsman te raadplegen en dat deze aanwijzing verder gaat dan het geven van de cautie. De rechtbank heeft i.c. vastgesteld dat verdachte in zijn verhoor van 16 december 2008, nadat hem de cautie was gegeven, diverse malen te kennen heeft gegeven een advocaat te willen en geen verklaring te willen ondertekenen tenzij er een advocaat aanwezig is. Bij gelegenheid van zijn verhoor op 17 december 2008 heeft de verdachte zijn wens expliciet geuit en te kennen gegeven "Mag ik nu mijn advocaat spreken. Het wordt nu gecompliceer" en "Ik wil nu toch liever eerst mijn advocaat spreken" en "Ik wil mijn advocaat spreken voordat ik nog iets zeg", zonder dat daarop door de verbalisanten is gereageerd. Vast is eveneens komen te staan dat verdachte na overleg met zijn raadsman niet langer heeft willen verklaren en consistent gebruik maakt van zijn zwijgrecht. In het onderhavige geval was aan de verhorende verbalisanten duidelijk dat verdachte rechtsbijstand wenste. Het ontbreken van enige vorm daarvan bij de eerste politieverhoren, mede gezien het gegeven dat verdachte na overleg met zijn raadsman niet langer heeft willen verklaren, heeft de eerlijkheid van het proces beschadigd.

De rechtbank acht bewezen het medeplegen van gijzeling en in dat kader gepleegde poging zware mishandeling met voorbedachte raad. Nadere bewijsoverwegingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 96
Wetboek van Strafvordering 97
Wetboek van Strafvordering 151b
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 174
NBSTRAF 2009/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/529165-08

Datum uitspraak: 22 mei 2009 (PROMIS)

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Nigeria op [geboortedatum],

wonende aan het adres [adres],

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Haarlem" te Haarlem.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 en 8 mei 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Boheur en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is na de wijziging tenlastelegging te terechtzitting van 7 mei 2009 ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [persoon1] en/of [persoon2] en/of [persoon3], althans een of meer familieleden van die [slachtoffer], te dwingen (om binnen een dag) 90.000 euro naar Amsterdam te brengen en/of aan verdachte en/of zijn mededader(s) te betalen of 3 kilogram cocaïne te leveren aan verdachte en/of zijn mededader(s), althans iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (toen en/of nadat duidelijk werd dat die [slachtoffer] geen cocaïne bij zich had en/of geen cocaïne uit het buitenland had meegenomen)

- die [slachtoffer] in de woning aan de [adres1] onder bedreiging van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp de woorden toegevoegd: "I will cut you!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer] in de woning aan de [adres1] (meermalen) met kracht tegen het hoofd, althans het lichaam, geslagen en/of gestompt, en/of

- die [slachtoffer] vanuit een woning (te weten [adres1]), gedwongen in een auto (te weten een snorder/taxi) te stappen en/of

- die [slachtoffer] gedwongen een andere woning (te weten [adres2]) binnen te gaan, en/of

- die [slachtoffer] (aldaar) tegen zijn wil vastgebonden en/of vastgehouden, en/of

- bij die [slachtoffer], terwijl deze (vastgebonden) op de grond lag, een doek over het gezicht heeft gelegd en vervolgens over het gezicht water heeft gegoten, waardoor die [slachtoffer] het gevoel kreeg dat hij verdronk (zogenaamde ‘waterboarden)’ en/of

- met voornoemde familieleden van die [slachtoffer] gebeld, al dan niet door tussenkomst van [persoon4] en/of [slachtoffer], en gezegd dat er binnen een dag 90.000 euro naar Amsterdam gebracht moest worden en/of aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) betaald moest worden of 3 kilogram cocaïne aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) geleverd moest worden, en/of dat voornoemde [slachtoffer] gedood zou worden wanneer voornoemd bedrag niet betaald of voornoemde hoeveelheid cocaïne niet geleverd zou worden;

(artikel 282a jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een steekwond in zijn anus), heeft toegebracht, door (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,

- een schroevendraaier en/of een biljartkeu (diep) in en/of bij de anus, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te duwen en/of te steken en/of heen en weer te bewegen;

(artikel 303/302 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008

te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachtes voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,

- die [slachtoffer] met een ijzeren stang, een of meermalen tegen een of meer knie(ën) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, en/of

- die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen, en/of

- met een tang in de pink en een of meer tepels van die [slachtoffer] heeft geknepen, en/of

- een biljartkeu op het lichaam van die [slachtoffer] heeft stukgeslagen, en/of

- met het heft van een mes een of meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, en/of

- een schroevendraaier en/of een biljartkeu (diep) in en/of bij de anus, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gestoken en/of gedrukt en/of die schroevendraaier en/of die keu (in het lichaam) heen en weer heeft bewogen, en/of

- gepeperde, althans een voor de huid irriterende saus of substantie op het gezicht en/of de penis van die [slachtoffer] heeft gesmeerd;

(artikel 303/302 jo 45 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (ongeveer) 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), met dat opzet

- [slachtoffer] gehuisvest in zijn woning, althans de woning van zijn mededader en/of

- [slachtoffer] de opdracht gegeven om naar Sao Paolo (Brazilië) te reizen, om

aldaar de voornoemde cocaïne (van een tot op heden onbekend gebleven persoon)

in ontvangst te nemen, en vervolgens (via Lissabon (Spanje) terug te keren

naar Amsterdam, waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voorafgaand aan het vertrek

van die [slachtoffer] (naar Sao Paolo (Brazilië)

- de personalia van die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd en/of opgeschreven en/of

- voor die [slachtoffer] een (vlieg)ticket heeft/hebben gekocht en/of

- aan die [slachtoffer] (ongeveer) 400 euro heeft/hebben (mee)gegeven en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben uitgelegd hoe hij de cocaïne (terug) naar Amsterdam

moest vervoeren, en/of

- die [slachtoffer] een beloning in het vooruitzicht heeft/hebben gesteld, en/of

- ten behoeve van het drugstransport telefonisch contact heeft/hebben onderhouden met die [slachtoffer] en/of een of meer andere mededader(s) in Brazilië, en/of

- die [slachtoffer] in Brazilië van een hoeveelheid cocaïne heeft/hebben voorzien, in een daartoe geprepareerd kledingstuk;

(artikel 2 onder A Opiumwet jo 47 en 45 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 30 oktober 2008 te ([adres2]) tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 110,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(2 onder C Opiumwet j0 47 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vormverzuimen

De raadsman heeft aangevoerd dat tijdens het (voorbereidend) onderzoek is gebleken van een viertal vormverzuimen, te weten dat – zakelijk weergegeven - de doorzoeking aan de [adres2] onrechtmatig is geschied (1); dat aan verdachte tijdens de politieverhoren in strijd met het EVRM de toegang tot zijn raadsman is ontzegd (2);dat bij afname van DNA van verdachte in strijd is gehandeld met artikel artikel 6 EVRM en artikel 151b van het Wetboek van Strafvordering (3); en dat fotoconfrontaties niet zorgvuldig en in strijd met de daarvoor geldende vormvoorschriften zijn uitgevoerd (4). De raadsman heeft betoogd dat – samengevat - deze verzuimen onherstelbaar zijn en, in samenhang bezien, er toe leiden dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn. Door de gezamenlijke schending van deze vormverzuimen dient het Openbaar Ministerie primair niet ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de uit de desbetreffende opsporingshandelingen voortgekomen resultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank zal hieronder achtereenvolgens per aangevoerd vormverzuim bespreken of er sprake is van een vormverzuim en of, en zo ja in hoeverre, de rechtbank hieraan consequenties zal verbinden.

3.1 Doorzoeking [adres2]

De raadsman heeft in dit verband het volgende, samengevat, aangevoerd. De doorzoeking aan het adres [adres2] heeft onder leiding van een officier van justitie plaatsgevonden, die daartoe mondeling was gemachtigd door de rechter-commissaris; de rechter commissaris was verhinderd in verband met een andere doorzoeking in een andere zaak. Dat de rechter-commissaris een andere doorzoeking had, betekent niet dat het de rechter-commissaris vrijstond de officier van justitie te machtigen om de doorzoeking te verrichten. Bovendien is niet duidelijk geworden waarom de situatie, in afwachting van de rechter-commissaris, niet is bevroren. Daarenboven had de rechter-commissaris een collega rechter-commissaris kunnen inschakelen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de doorzoeking daarmee in strijd komt met artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 8 EVRM.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank ten aanzien van de doorzoeking aan het adres [adres2] het volgende gebleken. De officier van justitie heeft op 30 oktober 2008 aan de rechter-commissaris verzocht een doorzoeking ter inbeslagname in deze woning, waar verdachte verbleef, te verrichten, welk verzoek de officier van justitie op 3 november 2008 schriftelijk heeft gemotiveerd. Diezelfde dag heeft de rechter-commissaris aan de dienstdoende (doorzoekings)officier van justitie mondeling machtiging verleent de woning aan de [adres2] buiten zijn aanwezigheid ter inbeslagname te doorzoeken, hetgeen de rechter-commissaris bij beschikking van 3 november 2008 schriftelijk heeft bekrachtigd. Uit voornoemde beschikking is gebleken dat de rechter-commissaris in overleg met de officier van justitie heeft besloten om de dienstdoende doorzoekingsofficier te machtigen om de doorzoeking te leiden, nu het optreden van de rechter-commissaris niet kon worden afgewacht omdat deze vanwege een geplande doorzoeking op een ander adres, in een andere zaak, verhinderd was om op het geplande tijdstip ter plaatse te komen.

De rechter-commissaris heeft op deze wijze gehandeld in strijd met artikel 97 jo 110 van het Wetboek van Strafvordering. Zoveel mogelijk dient te worden bevorderd dat doorzoekingen geschieden door de bij de wet als eerste aangewezen functionaris(sen), in het onderhavige geval derhalve de rechter-commissaris. Laatstgenoemde bepaling houdt in dat de rechter-commissaris de officier van justitie kan machtigen de doorzoeking te verrichten als dat dringend noodzakelijk is en het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht. Om de gevallen waarin de komst van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, te beperken, voorziet artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering in de bevoegdheid voor opsporingsambtenaren (en derhalve ook voor de officier van justitie) om de situatie na binnentreden te bevriezen totdat de rechter-commissaris aanwezig kan zijn. De enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris verhinderd is de doorzoeking te verrichten in verband met een doorzoeking in een andere zaak, betekent niet dat het de rechter-commissaris vrijstond om de officier van justitie te machtigen de doorzoeking te verrichten en dat laatstbedoelde daartoe overging. De rechtbank ziet niet in waarom in de gegeven omstandigheden niet, in afwachting van de rechter-commissaris, kon worden volstaan met bevriezing van de situatie als bedoeld in voornoemd artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, te meer daar uit de beschikking van de rechter-commissaris van 3 november 2008 blijkt dat de situatie in de woning op diens last reeds van 06:05 uur tot 07:15 uur was bevroren, kennelijk in afwachting van de komst van de officier van justitie, terwijl de doorzoeking eerst om 08:30 uur is aangevangen. Van enige noodzaak die maakte dat de situatie niet voor een langere periode kon worden bevroren teneinde te bewerkstelligen dat de rechter-commissaris de doorzoeking zelf zou kunnen verrichten, is niet gebleken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de doorzoeking van de woning aan de [adres2] vormen zijn verzuimd en dat het bewijs, te weten de aanwezigheid in de woning van de tijdens de doorzoeking aangetroffen goederen, onrechtmatig is verkregen. Wat de betekenis hiervan is voor het onderhavige niet-ontvankelijkheidsverweer komt hierna (onder par. 3.5) aan de orde. De rechtbank spreekt op deze plaats wel reeds als zijn oordeel uit dat, gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, dat er sprake is van een zodanig onherstelbaar verzuim in de vergaring van het bedoelde bewijs, dat op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering bewijsuitsluiting dient te volgen.

3.2 Verhoren verdachte

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de tijdens de politieverhoren gevoerde procedure niet voldoet aan artikel 6 EVRM, bezien in het licht van de arresten inzake Salduz tegen Turkije en Panovits tegen Cyprus. Het betreft hier het ontbreken van “access to a lawyer” en “assistance of a lawyer”, aldus de raadsman, die heeft betoogd dat de verdachte door de politie twee keer is verhoord, te weten op 16 en 17 december 2008, zonder dat hij daaraan voorafgaand overleg heeft gehad met een raadsman of daartoe in de gelegenheid is gesteld, terwijl uit voornoemde arresten volgt dat hij dat recht wel had.

Uit de verhoren blijkt glashelder, aldus de raadsman, dat verdachte de bijstand van zijn raadsman wenste, maar die steeds niet heeft gekregen. De verbalisanten hebben zich beperkt tot de éénmaal gegeven mededeling dat de verdachte recht had op een advocaat en dat die de verdachte waarschijnlijk de volgende dag zou bezoeken, aldus de raadsman, die voorst stelt: ‘Enig actief handelen bleef achterwege, terwijl verzoeken om rechtsbijstand van cliënt er dwingend toe noopten om het verhoor te staken en de komst van de raadsman af te wachten of te bespoedigen. Cliënt heeft tot vier keer toe nogmaals gevraagd om een advocaat te spreken (3.1081 en 3.1082), maar daarop reageerden de verbalisanten niet eens meer’.

De raadsman heeft gewezen op een eerder door deze rechtbank beslist beroep op de voornoemde uitspraken inzake Salduz en Panovits, in welke uitspraak is beslist dat het beroep diende te worden verworpen omdat het zwijgrecht niet in de kern was aangetast nu de verdachte ook na overleg met zijn raadsman gelijkluidende verklaringen had afgelegd en zich ook niet op zijn zwijgrecht is gaan beroepen. In casu doet zich echter de situatie voor, aldus de raadsman, dat de verdachte aanvankelijk (in zijn eerste verhoor) heeft verklaard maar vervolgens consistent gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht. Indien hij tijdig van rechtsbijstand was voorzien had hij zich van meet af aan op zijn zwijgrecht beroepen, aldus de raadsman.

De raadsman concludeert dat elk gebruik van de verklaring van verdachte een onherstelbare beschadiging oplevert van de verdedigingsrechten en derhalve is artikel 6 EVRM geschonden.

De rechtbank verstaat de uitspraken van het EHRM in de zaken van Salduz (EHRM 27 november 2008, LJN: BH0402) en Panovits (EHRM 11 december 2008, LJN: BH0404) aldus dat een verdachte die door de politie wordt gehoord enige vorm van rechtsbijstand moet kunnen krijgen en dat, als het daaraan heeft ontbroken, diens tijdens het verhoor afgelegde verklaringen niet tegen hem mogen worden gebruikt. Het ontbreken van de mogelijkheid tot het voeren van enig overleg met een raadsman vormt derhalve de kern van die zaken. Wanneer een verdachte na voorafgaand overleg met een raadsman een verklaring aflegt is in de regel geen sprake van een inbreuk op verdachtes zwijgrecht. Het is in dat kader van belang dat de politie verdachte er duidelijk op wijst dat hij het recht heeft voorafgaand aan het eerste verhoor een raadsman te raadplegen en deze aanwijzing gaat verder dan het geven van de cautie.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte in zijn verhoor van 16 december 2008, nadat hem de cautie was gegeven, diverse malen te kennen gegeven een advocaat nodig te hebben/te willen spreken en geen verklaring te willen ondertekenen tenzij er een advocaat aanwezig was. Bij gelegenheid van zijn verhoor op 17 december 2008 heeft de verdachte zijn wens expliciet geuit en te kennen gegeven “Mag ik nu mijn advocaat spreken. Het wordt nu gecompliceerd”;

“Ik wil nu toch liever eerst met mijn advocaat spreken” en “Ik wil mijn advocaat spreken, voordat ik nog iets zeg”, zonder dat daarop door de verbalisanten is gereageerd.

Vast is eveneens komen te staan dat de verdachte na overleg met zijn raadsman niet langer heeft willen verklaren en consistent gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht.

De rechtbank gaat er weliswaar van uit dat de verhorende verbalisanten op 16 en 17 december 2008 nog niet op de hoogte waren van de uitspraken van het EHRM inzake Salduz (27 november 2008) en Panovits (11 december 2008), maar op basis van deze uitspraken geldt dat de verhorende verbalisanten verdachte op adequate wijze hadden moeten wijzen op zijn consultatierecht. In het onderhavige geval was aan de verhorende verbalisanten duidelijk dat de verdachte rechtsbijstand wenste. Het ontbreken van enige vorm daarvan bij de eerste politieverhoren, mede gezien het gegeven dat verdachte na overleg met zijn raadsman niet langer heeft willen verklaren, heeft de eerlijkheid van het proces beschadigd.

Naar Nederlands recht dient een inbreuk op het consultatierecht te worden aangemerkt als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het derhalve aangewezen de verklaringen die verdachte, voorafgaand aan het contact met zijn raadsman, op 16 en 17 december 2008 heeft afgelegd uit te sluiten van het bewijs. De grond voor de bewijsuitsluiting ligt in de inbreuk die is gemaakt op het recht van rechtsbijstand met betrekking waartoe de verdachte naar is komen vast te staan meermalen de wens heeft geuit dat deze hem zou worden geboden.

3.3 Afname DNA

Op dit punt heeft de raadsman het volgende, samengevat, aangevoerd, De officier van justitie heeft op 20 februari 2009 het bevel DNA-onderzoek ex artikel 151b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering gegeven. In strijd met lid 2 van dit wetsartikel heeft de officier van justitie verdachte eerst op 24 februari 2009 gehoord, en dus niet voorafgaande aan zijn bevel, zoals laatstbedoelde wetsbepaling voorschrijft. Bovendien heeft dit verhoor telefonisch plaatsgevonden, een vorm van verhoor die het Wetboek van Strafvordering niet kent. Ook heeft verdachte zich bij dit verhoor niet kunnen laten bijstaan door de raadsman zoals artikel 151b lid 2 van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft. Verdachte heeft, blijkens het door de officier van justitie opgemaakte proces-verbaal van 24 februari 2009, ontkennend geantwoord op de vraag van de officier van justitie of hij overleg met zijn raadsman heeft gehad. Toen een rechercheur de raadsman telefonisch meedeelde dat werd overwogen van verdachte DNA af te nemen, heeft de raadsman te kennen gegeven dat men er rekening mee diende te houden dat verdachte daaraan niet vrijwillig zou meewerken. Er is sprake van een zeer ernstig vormverzuim waarbij inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van verdachte, terwijl bij de daadwerkelijke afname van celmateriaal fysieke dwang tegen verdachte is gebruikt. Behalve optreden in strijd met art. 151b van het Wetboek van Strafvordering. is ook sprake van schending van art. 6 EVRM, aldus steeds de raadsman.

De rechtbank stelt vast dat, gezien de hiervoor weergegeven gang van zaken, die zijdens de officier van justitie niet is betwist en die, afgezien van het telefonisch contact tussen recherche en raadsman, zijn bevestiging vindt in de processtukken, geconcludeerd moet worden dat de wettelijke voorschriften betreffende het onvrijwillig afnemen van DNA ten aanzien van verdachte niet zijn nageleefd. Een bevel ex artikel 151b van het wetboek van Strafvordering is, gelet op de ingrijpendheid van onvrijwillige afname van celmateriaal, het ultimum remedium waartoe niet lichtvaardig mag worden overgegaan. De wettelijke waarborgen die dit dwangmiddel omgeven dienen dan ook zo nauwgezet mogelijk te worden nageleefd. Dat is niet gebeurd. De officier van justitie had het verhoor van verdachte niet buiten (de aanwezigheid van) de raadsman (om) mogen afnemen. Kennelijk is in het geheel niet getracht aanwezigheid van de raadsman bij het verhoor van verdachte te realiseren. Gelet op het voorgaande is er sprake van een zodanig onherstelbaar verzuim in de vergaring van het bedoelde bewijs dat op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering het afgenomen DNA van verdachte als bewijsmiddel wordt uitgesloten.

Ook de betekenis van dit vormverzuim voor het niet-onvankelijkheidsverweer komt hierna aan de orde.

3.4 Fotoconfrontaties

De raadsman heeft betoogd - kort samengevat - dat tijdens het gehele onderzoek volstrekt onzorgvuldig is omgegaan met fotoconfrontaties. Niet steeds blijkt welke fotoseries in de verhoren zijn getoond. Daarnaast ontbreken vaak de foto’s achter de verhoren en wordt niet duidelijk omschreven om welke foto’s het gaat. Voorts wordt de foto op een bij de doorzoeking in de [adres] (onrechtmatig) in beslag genomen vervoersdocument zonder onderbouwing aan verdachte toegeschreven. Bovendien zijn alle confrontaties verricht in strijd met het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Stb. 2002, 46; hierna het “Besluit”). Dit Besluit is gegeven ter uitvoering van art. 61 van het Wetboek van Strafvordering en bevat mitsdien vormvoorschriften die deel uitmaken van het Wetboek van Strafvordering, aldus steeds de raadsman.

Om met het laatste te beginnen stelt de rechtbank vast dat het tonen van de foto’s in het onderhavige onderzoek niet de functie had van het identificeren van een tot dan toe onbekende persoon als verdachte als bedoeld in art. 1 onder c. van het Besluit. In het onderhavige geval zijn aan (mede)verdachten foto’s getoond van personen over wie zij verklaren als hun bekende personen in wiens gezelschap zij gedurende het tenlastegelegde van tijd tot tijd hebben verkeerd, zulks teneinde vast te stellen welke door hen benoemde persoon zij (telkens) in hun verhoor bedoelden. Het verweer, voor zover gebaseerd op schending van de voorschriften van het Besluit, wordt mitsdien gepasseerd.

Aan de verdediging moet worden toegegeven dat niet steeds blijkt welke fotoserie is gebruikt en dat dikwijls foto’s, waarnaar in een verhoor wordt verwezen, ontbreken. Ook staat op grond van hetgeen onder 3.1 hiervoor door de rechtbank is overwogen vast dat de aan verdachte toegeschreven foto op het Portugese vervoerbewijs onrechtmatig is verkregen. Het gevolg (fruits of the poiseonous tree) hiervan is dat de herkenningen van verdachte vanaf die foto, die in een vergrote versie in een of meer fotoseries is opgenomen als de foto van “[X]”, niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Voor de gevolgen van een en ander voor de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid wordt verwezen naar par. 3.5 hieronder.

3.5 Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat bovenomschreven verzuimen onherstelbaar zijn en in samenhang bezien er toe leiden dat van een eerlijk proces geen sprake kan zijn. Gelet daarop heeft de raadsman de niet-ontvankelijk van het Openbaar Ministerie bepleit.

De rechtbank overweegt als volgt. Hiervoor heeft de rechtbank ten aanzien van alle aangevoerde vormverzuimen geoordeeld dat er sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Ten aanzien van al deze verzuimen heeft de rechtbank bepaald dat de resultaten van het onderzoek die door het specifieke verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Noch ieder afzonderlijk vormverzuim, noch de combinatie ervan, acht de rechtbank zodanig dat hiermee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het verzoek tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal derhalve worden afgewezen.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Vrijspraak

De rechtbank acht - evenals de officier van justitie - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 primair en 3 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Daarnaast acht de rechtbank - anders dan de officier van justitie - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 4 ten laste is gelegd en spreekt verdachte ook daarvan vrij.

Nadere overweging ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde

Hiervoor onder 3.1 heeft de rechtbank overwogen dat de goederen die bij de doorzoeking aan de [adres2] zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen, onrechtmatig zijn verkregen en niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit. Het betreft hier - voor zover van belang - 11 bollen van tezamen ongeveer 120 gram cocaïne en een zakje met 2,17 gram cocaïne. Nu deze goederen voor het bewijs worden uitgesloten en er ook overigens geen bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde onder 4 heeft begaan, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

in de periode van 25 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk anderen, te weten [persoon1] en/of [persoon2] en/of [persoon3], te dwingen 90.000 euro naar Amsterdam te brengen en aan zijn mededader(s) te betalen of 3 kilogram cocaïne te leveren aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met anderen, (toen duidelijk werd dat die [slachtoffer] geen cocaïne bij zich had)

- die [slachtoffer] aldaar (de rechtbank leest: aan de [adres2]) tegen zijn wil vastgebonden en vastgehouden, en

- met voornoemde familieleden van die [slachtoffer] gebeld, al dan niet door tussenkomst van [persoon4] en/of [slachtoffer], en gezegd dat er binnen een dag 90.000 euro naar Amsterdam gebracht moest worden en aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) betaald moest worden of 3 kilogram cocaïne aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) geleverd moest worden, en dat voornoemde [slachtoffer] gedood zou worden wanneer voornoemd bedrag niet betaald of voornoemde hoeveelheid cocaïne niet geleverd zou worden;

ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

in de periode van 25 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008

te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer] met een ijzeren stang, meermalen tegen knieën en het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, en

- die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en lichaam heeft gestompt en geslagen, en

- een biljartkeu op het lichaam van die [slachtoffer] heeft stukgeslagen, en

- een biljartkeu in de anus, van die [slachtoffer] heeft geduwd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4.3 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna weergegeven feiten en omstandigheden in de (als voetnoten) weergegeven bewijsmiddelen.

4.3.1 Algemeen: betrokkenheid verdachte

Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de resultaten van de fotoconfrontaties en de resultaten van de tijdens de politieverhoren door verdachte afgelegde verklaringen van het bewijs worden uitgesloten, overweegt de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de bewezen geachte feiten als volgt.

Naast de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] wijzen de getuigen [persoon4]ii, [verdachte]iii en [persoon5]iv de bewoner van het pand aan de [adres2] aan als één van de daders van de gijzeling. Deze persoon heeft volgens hun verklaringen de (bij)naam “[X]”. Hoewel verdachte, met een beroep op zijn zwijgrecht, zelf niet heeft willen bevestigen dat hij [X] is, is het voldoende aannemelijk geworden dat [X] en verdachte een en dezelfde persoon zijn. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting meermalen naar c.q. op verdachte heeft gewezen als hij over zijn mededader van de mishandelingen spreekt. Daarenboven heeft getuige [persoon4] op 20 april 2008 ten overstaan van de rechter-commissaris op vragen van de officier van justitie geantwoord dat [X] op één van de pro forma zittingen aanwezig was. De rechtbank stelt aan de hand van de daartoe opgestelde processen-verbaal vast dat op de pro forma zittingen van 27 januari en 6 april 2009 respectievelijk [persoon4], [verdachte], [persoon5], [medeverdachte] en verdachte aanwezig waren. Nu voornoemde [persoon4], [verdachte], [persoon5] en [medeverdachte] op bedoelde zittingen, gevraagd naar hun personalia, hebben geantwoord dat zij respectievelijk [persoon4], [verdachte], [persoon5] en [medeverdachte] zijn en er geen aanwijzingen zijn dat één hunner voor “[X]” moet doorgaan, is het voldoende aannemelijk dat verdachte degene is die in het dossier door de medeverdachten wordt aangeduid als “[X]”.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat verdachte geen verklaring heeft willen afleggen en dat hij zich telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Het privilege tegen zelfbeschuldiging (het nemo tenetur-beginsel), dat is begrepen in artikel 6 van het EVRM, kan niet verhinderen dat stilzwijgen van een verdachte in een situatie die vraagt om een verklaring van verdachte, meeweegt bij de beoordeling van het door de vervolging bijeengebrachte bewijs.

4.3.2 Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezen geachte

Op 25 oktober 2008 arriveert de Roemeen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) in de woning van de Roemeense [persoon4] (hierna: [persoon4]) op het adres [adres1].[slachtoffer] is de dag daarvoor vanuit Brazilië vertrokken naar Amsterdam. In opdracht van [persoon4] en haar vriend [persoon6] (hierna: [persoon6]) zou [slachtoffer] vanuit Brazilië via Portugal cocaïne vervoeren en afleveren op voornoemd adres aan [adres1]. [slachtoffer] is een paar maanden eerder in Roemenië benaderd door een vriend genaamd [persoon7], die al meerdere malen op dezelfde wijze in opdracht van voornoemde [persoon4] en [persoon6] drugs Nederland heeft binnengesmokkeld.vi Als [slachtoffer] op die bewuste dag op 25 oktober 2008 in de woning aan de [adres1] arriveert, vertelt hij aldaar dat hij de drugs niet heeft meegenomen. Omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij de drugs in een koffer of tas vanuit Brazilië naar Amsterdam zou vervoeren, maar ter plaatste in Brazilië bleek dat hij de drugs door middel van een speciaal daartoe geprepareerde broek naar Nederland moest smokkelen, zag hij van het vervoer van de drugs af.vii Als hij vervolgens aan [persoon4] vertelt dat hij de drugs daarom in het hotel in Brazilië heeft achtergelaten, wordt zij boos en maakt zij [slachtoffer] duidelijk dat hij in dat geval niet behoorde terug te komen.viii Niet veel later verschijnen er aan [adres1] twee mannen: verdachte en medeverdachte [medeverdachte].ix Als door middel van een contactpersoon in Brazilië de hotelkamer alwaar [slachtoffer] heeft verbleven, wordt gecontroleerd en blijkt dat de drugs daar niet worden aangetroffen, slaat [medeverdachte] [slachtoffer] met een halter.x Diezelfde nacht wordt [slachtoffer] meegenomen naar de woning van verdachte aan de [adres2].xi [slachtoffer] wordt aldaar meermalen geslagen door verdachte en [medeverdachte]. Om te voorkomen dat iemand het geschreeuw van [slachtoffer] zal horen, wordt de televisie hard aangezet.xii Voorts slaat [medeverdachte] [slachtoffer] meermalen met een ijzeren halter tegen zijn lichaam en op beide knieën, steeds op dezelfde plaats.xiii De nacht brengt [slachtoffer] in de woning vastgebonden achter de bank door, terwijl verdachte en [medeverdachte] op de bank liggen te slapen.xiv De volgende dag, het is dan zondag, wordt [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte] nog steeds in de woning vastgehouden en gaan de mishandelingen door. Op enig moment verschijnen [persoon4] en [persoon6] die dag in de woning aan de [adres2].xv Als [slachtoffer] het verhaal verzint dat hij met zijn zwager in Wenen de afspraak had gemaakt de opbrengst van de drugs met zijn zwager te delen, worden de zus ([zus]) en de zwager ([zwager]) van [slachtoffer] gebeld en wordt hen medegedeeld dat [slachtoffer] wordt gegijzeld en dat de gijzelaars een bedrag van € 90.000,- willen hebben; zijnde de waarde van de drugs. Om hen te overtuigen van de ernst van de zaak wordt [slachtoffer] tijdens dat telefoongesprek geslagen.xvi Voorts wordt de echtgenote van [slachtoffer] door een vrouw die Roemeens spreekt gebeld en er wordt tegen haar gezegd dat [slachtoffer] spul heeft gestolen en dat als de zus van [slachtoffer] het niet terugbrengt, [slachtoffer] zal worden vermoord. Ook de broer van [slachtoffer], [persoon1], heeft die zondag meerdere malen telefonisch contact met de gijzelnemers van [slachtoffer], tijdens welke gesprekken de gijzelnemers zeggen dat zij geld willen en daarbij steeds een ultimatum stellen. De broer hoort tijdens de gesprekken [slachtoffer] op de achtergrond schreeuwen.xvii [slachtoffer] wordt dan door verdachte meerdere malen met een biljartkeu op zijn lichaam geslagen.xviii Die dag wordt nog een aantal malen door de gijzelnemers (en [slachtoffer]) naar de familie van [slachtoffer] gebeld, waarbij [persoon4] sommige van deze gesprekken voor verdachte en [verdachte] vertaalt.xix De volgende dag wordt de echtgenote van [slachtoffer] wederom gebeld en wordt er door de gijzelnemers gezegd dat zij in ruil voor bevrijding van [slachtoffer] € 90.000,- willen. Daarbij wordt door één van de gijzelnemers gezegd: ”zal ik je een hand van [slachtoffer] naar huis sturen zodat je ziet dat het een serieuze zaak is”.xx Die nacht brengt [slachtoffer] vastgebonden aan een zich in de woning bevindend fitnessapparaat door.xxi De volgende dag verlaat [medeverdachte] de woning aan de [adres2]. [slachtoffer] wordt, terwijl hij aan zijn voeten zit vastgeketend, door verdachte meegenomen de badkamer in.xxii Ondertussen arriveert [medeverdachte] in de woning en hij ziet dat verdachte en [slachtoffer] zich in de badkamer bevinden. Om [slachtoffer] aan het praten te krijgen wordt hij door verdachte en [medeverdachte] weer geschopt en geslagen. Vervolgens pakt verdachte de biljartkeu waarmee [slachtoffer] de dag ervoor is geslagen en zegt iets in de trant van: “je weet dat ik heb gezegd dit ik dit in je kont zou steken als je niet de waarheid vertelt”.xxiii Verdachte en [medeverdachte] voegen de daad bij het woord en steken de biljartkeu meermalen in de anus van [slachtoffer].xxiv Omdat [slachtoffer] het verhaal verzint dat hij de drugs ergens in de bosjes bij een rotonde in Duivendrecht heeft verstopt, staken verdachte en [medeverdachte] de mishandelingen.xxv [slachtoffer] wordt vervolgens door de intussen gearriveerde [persoon6] meegenomen naar de woning aan de [adres1].xxvi In de avond van 29 oktober 2008 wordt [slachtoffer] door het arrestatieteam uit de woning aan de [adres1] bevrijd.xxvii

4.3.3 Bewijsverweren ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen geachte

De rechtbank zal ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen geachte de volgende door de verdediging gevoerde bewijsverweren hieronder nader bespreken.

Poging zware mishandeling

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging zware mishandeling. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat geen sprake is van opzet op zware mishandeling van [slachtoffer]. Het doel was immers om [slachtoffer] te bewegen informatie te verschaffen over de verdwenen cocaïne. Daarnaast is door verdachte ook niet alles in het werk gesteld om het feit te voltooien. Bovendien zijn alle ten laste gelegde feitelijke handelingen voltooid, terwijl het zwaar lichamelijk letsel is uitgebleven, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht voorwaardelijk opzet van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig. Door meermalen met een ijzeren halter tegen de knieën en het lichaam van [slachtoffer] te slaan, [slachtoffer] op diverse momenten - over een tijdspanne van meerdere dagen - tegen zijn hoofd en lichaam te stompen en slaan, en daarbij op enig moment een biljartkeu op zijn lichaam stuk te slaan, kan naar algemene ervaringsregels zwaar lichamelijk letsel worden veroorzaakt. Voor wat betreft het stompen en slaan zijn het vooral de herhaling en veelvuldigheid daarvan die maken dat er een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is. Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] door - zoals [slachtoffer] heeft verklaard: op hardhandige wijze - een biljartkeu in de anus van [slachtoffer] te duwen een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar (intern) letsel hebben aanvaard.

Voorbedachte raad

Voor wat betreft de tenlastegelegde voorbedachte raad overweegt de rechtbank het volgende. Vooropgesteld wordt dat voorbedachte raad wijst op een situatie waarin verdachte tijd moet hebben gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. De gijzeling van [slachtoffer] heeft bijna drie dagen geduurd. Vast is komen te staan dat verdachte [slachtoffer] uit de woning aan de [adres1] meenam naar zijn woning aan de [adres2]. De mishandelingen van [slachtoffer] zijn echter al in de woning aan de [adres1] begonnen. De dagen die [slachtoffer] heeft doorgebracht in de woning aan de [adres2] gaan de mishandelingen – met onderbrekingen – gepleegd door verdachte en zijn mededader [medeverdachte] door. Verdachte verlaat zelfs de woning om vervolgens terug te komen en de mishandelingen voort te zetten. Verdachte heeft tezamen met zijn mededaders door het verloop van tijd tussen het moment dat [slachtoffer] wordt meegenomen en de uitvoering van de met onderbrekingen verrichtte mishandelingen, tijd gehad om zich te beraden op het te nemen besluit hem te mishandelen. Gelet hierop is het aannemelijk dat verdachte heeft kunnen nadenken over de mishandelingen zodat deze niet zijn ingegeven door een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat voor hem de tijd en de gelegenheid heeft bestaan als hiervoor bedoeld en dus sprake is van voorbedachte raad.

5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een bijna drie dagen durende gijzeling en een in het kader daarvan gepleegde poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. Verdachte en zijn mededader(s) hebben het slachtoffer meerdere dagen vastgehouden en op grove wijze mishandeld. Tevens hebben zij hem daarbij in een weerloze positie gebracht door hem vast te binden. Zodoende is aan het slachtoffer niet alleen letsel toegebracht maar is tevens een grove inbreuk gemaakt op zijn bewegingsvrijheid en hem vrees aangejaagd, waarbij het duidelijk is dat het slachtoffer gedurende zijn verblijf in de woning doodsangsten heeft uitgestaan. Het kan niet anders dan dat een en ander een grote impact op (het leven van) het slachtoffer heeft, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid. Voorts moet worden aangenomen dat de geschetste omstandigheden waaronder de gijzeling heeft plaatsgevonden bij het slachtoffer als zeer vernederend moeten zijn ervaren. Ook voor de familie en partner van het slachtoffer die door de telefoongesprekken direct werden geconfronteerd met de mishandelingen, moet de situatie zeer beangstigend zijn geweest, nog afgezien van de grote onzekerheid waarin zij hebben verkeerd over het lot van hun familielid. Het moet ervoor worden gehouden dat verdachte uit puur winstbejag bereid en in staat is gebleken om op geweldadige wijze zijn doel te bereiken.

De rechtbank ziet aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank overweegt daartoe dat de eis van de officier van justitie mede gebaseerd is op bewezenverklaring van feit 4. De rechtbank heeft verdachte van dat feit echter vrijgesproken. De rechtbank houdt tevens in matigende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte en het slachtoffer zich in dezelfde kringen begaven en het slachtoffer kennelijk bereid was om voor criminelen als drugskoerier te fungeren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van een forse gevangenisstraf van hierna te noemen duur passend.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 282a en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart het onder 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van gijzeling

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde:

medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. W.M. van den Bergh en N.A.J. Purcell, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2009.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

i Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 22 december 2008 inhoudende de verklaring van [medeverdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], nr. 3-1091; pag. 1 t/m 6.

ii Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon4] van 20 april 2009 van de rechter-commissaris en een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 17 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar3] en [opsporingsambtenaar4], inhoudende de verklaring van [persoon4], nr. 3-1055; pag. ongenummerd.

iii Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 30 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar5] en [opsporingsambtenaar6] inhoudende de verklaring van [verdachte], nr. 3-1057; pag. 1 t/m 6 en een proces-verbaal van 2e verhoor verdachte van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar7] en [opsporingsambtenaar8], inhoudende de verklaring van [verdachte], nr. 3-1059; pag. 1 t/m 7.

iv Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar9] en [opsporingsambtenaar10], inhoudende de verklaring van [persoon5], nr. 3-1064; pag. 1 t/m 10.

v Een proces-verbaal van verhoor van 30 oktober 2008, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar3] en [opsporingsambtenaar11], nr. 3-1033; pag. 1 t/m 7 en een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 17 november 2008, inhoudende de verklaring van [persoon4], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar3] en [opsporingsambtenaar4], nr. 3-1055; pag. ongenummerd.

vi Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 20 april 2009 van de rechter-commissaris en een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal vertaald proces-verbaal van verhoor van 18 december 2008, opgemaakt door de officier van justitie, [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [persoon7], nr. 3-2011; pag. 1 t/m 7.

vii Een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal vertaald proces-verbaal van verhoor van 18 december 2008, opgemaakt door de officier van justitie, [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [slachtoffer], nr. 3-1099; pag. 1 t/m 9.

viii Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon4] van 20 april 2009 van de rechter-commissaris.

ix Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon4] van 20 april 2009 van de rechter-commissaris en een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 22 december 2008 inhoudende de verklaring van [medeverdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], nr. 3-1091; pag. 1 t/m 6.

x Een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal vertaald proces-verbaal van verhoor van 18 december 2008, opgemaakt door de officier van justitie, [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [slachtoffer], nr. 3-1100: pag. 1 t/m 12.

xi Zie noot 9.

xii Een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 18 december 2008, opgemaakt door de officier van justitie, [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [slachtoffer], nr. 3-1100: pag. 1 t/m 12.

xiii Een geschift zijnde een uitgewerkt videoverhoor van [slachtoffer] van 1 oktober 2008, nr. 3 1125; pag. 20 en 21.

xiv Een geschrift zijnde een uitgewerkt videoverhoor van [slachtoffer] van 1 oktober 2008, nr. 3 1125; pag. 22 en 26 en een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar9] en [opsporingsambtenaar10], inhoudende de verklaring van [p[persoon5], nr. 3-1064; pag. 3 van 10.

xv Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon4] van 20 april 2009 van de rechter-commissaris en een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 5 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar9] en [opsporingsambtenaar10], inhoudende de verklaring van [persoon5], nr. 3-1064; pag. 1 t/m 10.

xvi Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 22 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], inhoudende de verklaring van [medeverdachte], nr. 3-1091; pag. 1 t/m 6 en een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal vertaald proces-verbaal van 16 december 2008, opgemaakt door de officier van justitie, [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [persoon1], nr. 3-1101; pag. 1 t/m 5 en een geschift zijnde een uitgewerkt videoverhoor van [slachtoffer] van 1 oktober 2008, nr. 3 1125; pag. 26 en 27.

xvii Een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal vertaald proces-verbaal van 16 december 2008, opgemaakt door de officier van justitie, [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [persoon1], nr. 3-1101; pag. 1 t/m 5.

xviii Een geschift zijnde een uitgewerkt videoverhoor van [slachtoffer] van 1 oktober 2008, nr. 3 1126; pag. 11 en een proces-verbaal met nummer 2008301592 van 22 december 2008 inhoudende de verklaring van [medeverdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], nr. 3-1091; pag. 1 t/m 6.

xix Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008301592 van 22 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], inhoudende de verklaring van verdachte en een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon4] van 20 april 2009 van de rechter-commissaris.

xx Een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal vertaald proces-verbaal van 17 december 2008, opgemaakt ten overstaan van de officier van justitie [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [slachtoffer], nr. 3-1102; pag. 1 t/m 12.

xxi Een geschrift zijnde een uitgewerkt videoverhoor van [slachtoffer] van 1 oktober 2008, nr. 3 1126; pag. 9.

xxii Een geschrift zijnde een uit de Roemeense taal vertaald proces-verbaal van 18 december 2008, opgemaakt door de officier van justitie, [officier van justitie], inhoudende de verklaring van [slachtoffer], nr. 3-1100; pag. 1 t/m 12 en een proces-verbaal met nummer 2008301592 van 22 december 2008, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], nr. 3-1091; pag. 1 t/m 6.

xxiii Een proces-verbaal met nummer 2008301592 van 22 december 2008, inhoudende de verklaring van [medeverdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], nr. 3-1091; pag. 1 t/m 6.

xxiv Zie noot 23.

xxv Een afschrift van een proces-verbaal van verhoor van 30 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar3] en [opsporingsambtenaar11], inhoudende de verklaring van [slachtoffer], nr. 3-1033; pag. 1 t/m 7.

xxvi Een proces-verbaal van verhoor van 30 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar3] en [opsporingsambtenaar11], inhoudende de verklaring van [slachtoffer], nr. 3-1033; pag. 1 t/m 7 en een proces-verbaal van verhoor verdachte, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar1] en [opsporingsambtenaar2], inhoudende de verklaring van [medeverdachte], nr. 3-1091; pag. 1 t/m 6.

xxvii Een geschrift zijnde een verslag van binnentreden van 30 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar12], nr. 3-1015; pag. ongenummerd en een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008301592 van 30 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar5] en [opsporingsambtenaar1], nr. 3-1018; pag. 1.

Parketnummer: 13/529165-08

Inzake: [verdachte]